De ware ontstaansgeschiedenis van Israël

De onderstaande tekst is niet van mijn hand, maar geschreven in 2012 door Roelf-Jan Wentholt met een inleiding door Martien Pennings. Ik heb ook geen toestemming gevraagd het op mijn blog te plaatsen. Ik ga ervan uit dat de schrijvers dat herplaatsen geen probleem vinden. Zowel zij als ik vinden het belangrijk dat de erin genoemde details zoveel mogelijk gelezen worden. En dàt is de reden om het ook hier te plaatsen.

(Oorspronkelijk gepubliceerd op AmsterdamPost op 18 november 2012.)

Inleiding door Martien Pennings

Dit artikel is van zéér groot belang in de ideologische strijd rond Israël. Het behoort klassiek te worden en een vaste referentie voor wie schrijft over internationaal recht en Israël. De basis van dit stuk is een samenvatting door Roelf-Jan Wentholt van het boek van Matthijs de Blois, “Israël, een staat ter discussie”. Natuurlijk kan Matthijs de Blois niet verantwoordelijk gehouden worden voor wat hier onder staat, niet alleen omdat het slechts een samenvatting is, maar vooral ook omdat Roelf-Jan het hier en daar in eigen taal heeft gegoten en kleine toevoegingen heeft gemaakt die niet in het boek van De Blois te vinden zijn. Niettemin wil ik benadrukken dat het hier om een degelijk stuk gaat, waarvan de harde informatie betrouwbaar is.

Dit boek van De Blois en deze samenvatting voor referentie op het internet werd al lang node gemist. Wie bijvoorbeeld deze link aanklikt van een uitzending van Pauw en Witteman, vindt u monologen van de ex-minister van Buitenlandse Zaken en huidige Minister van Staat , Hans van den Broek. De betreffende monologen van deze vriend en bondgenoot van de antisemiet Dries van Agt (óók CDA) zijn zeer anti-Israël. Eén uitspraak van Van den Broek willen we u niet onthouden. In het kader van het goedpraten van de terreur van Hamas zegt deze “katholiek” op minuut 8: “De Palestijnen willen een onafhankelijke staat en willen het gestolen land terug . . . . en je hoeft niet met de dief te gaan onderhandelen of die wel of niet bereid is dat terug te geven.”

Als men deze Van den Broek goed beluistert, dan komen er twee woorden telkens terug, waarmee hij zijn anti-Israël-betoog kracht bij zet: “internationaal recht” en “proportionaliteit”. Welnu, beide begrippen komen hier uitgebreid aan de orde. U zult zien dat het “internationaal recht” van de Verenigde Naties – want daarop doelt Van Den Broek steeds – grotendeels het onrecht van misdadigerstaten is. Ook over “proportionaliteit” kan men hier wijze woorden lezen.

________________________________________________________________

Door Roelf-Jan Wentholt

De VN: een politiek lichaam

Hele volksstammen van journalisten, commentatoren en zelfs Tweede Kamerleden verbeelden zich dat de Verenigde Naties als een soort hemels lichaam geheel onafhankelijk boven de partijen staat en vanuit deze hoge positie in staat is om recht te spreken.

Was het maar waar.

De werkelijkheid is meer laag bij de gronds. De Verenigde Naties bestaat uit 192 landen die allemaal, zonder uitzondering het doel hebben het eigen belang te dienen. Het internationaal recht is een voortzetting van de politiek met andere middelen, zogezegd.

De Verenigde Naties bestaat uit meerdere onderdelen. Het ene onderdeel is vatbaarder voor politiek gekonkel dan het andere. De hoofdorganen zijn:

·        de Algemene Vergadering

·        de Veiligheidsraad

·        de Economisch Sociale Raad

·        het Internationaal Gerechtshof

·        het Secretariaat.

Het meest vatbaar voor misbruik door de Lidstaten is de Algemene Vergadering (AV). Want iedere Lidstaat heeft daar een gelijke stem. Dit lijkt op het eerste oog misschien democratisch. Maar het kan heel vervelend uitwerken en sterk ten nadele zijn van de groep landen die werkelijk democratisch is. De democratische landen hebben geen meerderheid in de AV. De AV is een politiek lichaam, te vergelijken met een nationaal parlement met dit verschil dat we in het parlement verwachten gekozen volksvertegenwoordigers te vinden. In de AV vinden we voornamelijk afgevaardigden van dictators. Zie de lijst van Lidstaten hieronder.

Afghanistan, Albanië, Algerije, Andorra, Angola, Antigua en Barbuda, Argentinië, Armenië, Australië, Azerbeidzjan, Bahamas,Bahrein, Bangladesh, Barbados, België, Belize, Benin, Bhutan, Bolivia, Bosnië en Herzegovina, Botswana, Brazilië, Brunei, Bulgarije, Burkina Faso, Burundi, Cambodja, Canada, Centraal-Afrikaanse Republiek, Chili, China, Colombia, Comoren, Congo-Brazzaville, Costa Rica, Cuba, Cyprus, Democratische Republiek Kongo, Denemarken, Djibouti, Dominica, Dominicaanse Republiek, Duitsland, Ecuador, Egypte, El Salvador, Equatoriaal-Guinea, Eritrea, Estland, Ethiopië, Fiji, Filippijnen, Finland, Frankrijk, Gabon, Gambia, Georgië, Ghana, Grenada,Griekenland, Guatemala, Guinee, Guinee-Bissau, Guyana, Haïti, Honduras, Hongarije, Ierland, IJsland, India, Indonesië, Irak, Iran, Israël, Italië, Ivoorkust, Jamaica, Japan, Jemen,Jordanië, Kaapverdië, Kameroen, Kazachstan, Kenia, Kirgizië, Kiribati, Koeweit, Kroatië, Laos, Lesotho, Letland, Libanon, Liberia, Libië, Liechtenstein, Litouwen, Luxemburg, Macedonië,Madagaskar, Malawi, Malediven, Maleisië, Mali, Malta, Marokko, Marshalleilanden, Mauritanië, Mauritius, Mexico, Micronesië, Moldavië, Monaco, Mongolië, Montenegro, Mozambique,Myanmar, Namibië, Nauru, Nederland,[28] Nepal, Nicaragua, Nieuw-Zeeland, Niger, Nigeria, Noord-Korea, Noorwegen, Oeganda, Oekraïne, Oezbekistan, Oman, Oostenrijk, Oost-Timor,Pakistan, Palau, Panama, Papoea-Nieuw-Guinea, Paraguay, Peru, Polen, Portugal, Qatar, Roemenië, Rusland, Rwanda, Saint Kitts en Nevis, Saint Lucia, Saint Vincent en de Grenadines, Salomonseilanden, Samoa, San Marino, Sao Tomé en Principe, Saoedi-Arabië, Senegal, Servië, Seychellen, Siërra Leone, Singapore, Slovenië, Slowakije, Soedan, Somalië,Spanje, Sri Lanka, Suriname, Swaziland, Syrië, Tadzjikistan, Tanzania, Thailand, Togo, Tonga, Trinidad en Tobago, Tsjaad, Tsjechië, Tunesië, Turkije, Turkmenistan, Tuvalu, Uruguay,Vanuatu, Venezuela, Verenigd Koninkrijk, Verenigde Arabische Emiraten, Verenigde Staten, Vietnam, Wit-Rusland, Zambia, Zimbabwe, Zuid-Afrika, Zuid-Korea, Zweden en Zwitserland.

De AV heeft de bevoegdheid resoluties uit te brengen. Deze zijn niet bindend. Het is belangrijk dat goed voor ogen te houden. Men heeft afgesproken dat de resoluties geen al te zware betekenis hebben omdat men voorzag dat er nog al wat gekke teksten zouden kunnen voortkomen uit de ongeregelde verzameling landen die de AV uitmaken. Dat was heel verstandig. Behalve aan resoluties werkt de AV ook aan de teksten van internationale verdragen. Zo’n verdrag wordt bindend als de betrokken landen het ratificeren.

De AV kan ook nieuwe VN-lichamen in het leven roepen. Zoals de Mensenrechtenraad. Deze Raad is een schrijnend voorbeeld van de belabberde kwaliteit van functioneren van de VN. Dat is niet verbazend, dat is het resultaat van het politieke proces dat de AV beheerst. Omdat ongure landen de meerderheid uitmaken is het mogelijk dat de Mensenrechtenraad van de VN zich vooral bezig houdt met Israël en volkomen kritiekloos staat tegenover de vreselijkste folterregimes. In de Mensenrechtenraad vinden we nu landen als Djibouti, Libië, Mauritanië, Nigeria, Oeganda en Zambia. Ook Bahrein, Bangladesh, China, Pakistan en Saoedi-Arabië zijn lid. Het is bij deze Raad dat de aanklagers van Wilders hun recht willen gaan zoeken nu Wilders is vrijgesproken. Zie voor meer info: http://tinyurl.com/yn5pjv

De AV is bevoegd bij het Internationaal Gerechtshof een Advies te vragen. Dit deed de AV bijvoorbeeld inzake de veiligheidsbarrière die Israël heeft gebouwd nadat honderden Israëliërs vermoord werden door terroristen. Voor de andere veiligheidsbarrières in de wereld – in Kashmir, Jemen of Marokko – heeft de AV geen belangstelling. Daarover later meer.

De Veiligheidsraad (VR) is minder vatbaar voor het ergste soort gekonkel omdat deze raad vijf permanente leden telt, te weten China, Frankrijk, Rusland, de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Ziedaar een nipte meerderheid voor de democratische landen. De raad heeft daarnaast nog tien roulerende leden. De AV kiest deze. Het is geen toeval dat de democratische rechtstaat Israël nog nooit gekozen werd. Wel gekozen werden, ik doe even een kwade greep uit de narigheid zulke prachtlanden als Pakistan, Congo-Brazzaville, Qatar, Zuid-Afrika, Burkina Faso, Oeganda en Nigeria. Dit zijn inderdaad evident landen waar Israël een voorbeeld aan kan nemen. De permanente leden hebben een vetorecht, zo worden wij behoed voor al te drieste beslissingen. Maar zo worden ook de niet-democratische landen China en Rusland krachtig in bescherming genomen tegen kritiek.

Het doel van de VR is het handhaven van de internationale vrede en veiligheid. Dit doel moet de raad zien te bereiken ook al is zij grotendeels een speelbal van de politieke belangen. De VR neemt allerlei resoluties aan en die zijn allemaal, geprezen is de wijsheid van de ontwerper van deze reglementen, niet bindend. Met een uitzondering voor besluiten (“decissions”) gebaseerd op artikel 39 van het Handvest in hoofdstuk VII. “Peace-enforcement” is hiervan een voorbeeld: Een land kan dan te maken krijgen met een militaire interventie op gezag van de VR.

Geen enkele resolutie ter zake van Israël is gebaseerd op dit artikel 39 van hoofdstuk VII. Wie erover klaagt dat Israël VN resoluties negeert klaagt over de mogelijke onbeleefdheid om een advies niet ter harte te nemen, niet over enige juridische overtreding van een dwingend opgelegde maatregel.

Om dat verder te nuanceren: Verschillende types resoluties hebben een verschillend gezag. Resoluties van de VR wegen zwaarder dan resoluties van de AV.

Journalisten en andere opiniemakers leven in de veronderstelling dat Israël werd gesticht door het aannemen van resolutie 181 door de AV. Dat is niet zo. De VN heeft niet de bevoegdheid een staat in het leven te roepen. In het internationale recht zijn er drie voorwaarden van feitelijke aard die bepalen of een land bestaat of niet. Die voorwaarden zijn:

·        Er moet een territoir zijn

·        Er moet een bevolking zijn

·        Er moet een effectief gezag zijn

Dat is alles. Israël voldoet aan die drie voorwaarden.

Het Secretariaat van de VN wordt geleid door de Secretaris-generaal. Hij wordt gekozen door de AV op advies van de VR. De secretaris kan zelf initiatieven nemen en is daarmee onderdeel van het politieke proces. Er kan niet genoeg op gehamerd worden: de VN zijn een politieke arena waar landen hun eigen belangen dienen.

Het Internationaal Gerechtshof bestaat uit vijftien rechters benoemt door de AV en de VR voor een periode van negen jaar. De rechters moeten tezamen de belangrijkste rechtssystemen in de wereld vertegenwoordigen. Het Hof spreekt alleen recht tussen staten. Men noemt dit de contentieuze procedure. Het Hof is alleen bevoegd als alle bij een geschil betrokken staten de rechtsmacht van het Hof erkennen. De uitspraak is bindend. In deze uitspraak wordt aangegeven welke rechters het meerderheidsstandpunt vormden. Rechters met een afwijkende visie kunnen deze toevoegen aan de uitspraak.

Een tweede bevoegdheid van het Hof is het op verzoek van VN-organen uitbrengen van een Advies. Dit Advies is niet bindend maar wel zeer gezaghebbend. De uitspraak van het Hof van 9 Juli 2004 over de Israëlische veiligheidsbarrière is zo’n Advies. Het Hof bracht dit uit op verzoek van de AV. Het Hof is niet verplicht Advies uit te brengen, het is alleen bevoegd. Het Hof had het Advies over de Israëlische veiligheidsbarrière beter kunnen weigeren. Het heeft zich nu tot speelbal gemaakt van de politieke strijd en verliest zo veel aanzien.

Laten we even kijken naar het gezelschap dat het voorstel voor het vragen van een Advies aan het IGH inzake de veiligheidsbarrière aan de AV voorlegde en daar een meerderheid voor wist te winnen:

Afghanistan, Algerije, Bahrein, Bangladesh, Brunei, Comoren, Cuba, Djibouti, Egypte, Indonesië, Jordanië, Koeweit, Libanon, Maleisië, Mauritanië, Marokko, Namibië, Oman, Qatar, Saoedi-Arabië, Senegal, Somalië, Zuid-Afrika, Soedan, Tunesië, Verenigde Arabische Emiraten, Jemen en de politiek entiteit met waarnemersstatus: Palestina.

Waarlijk voorbeeldige landen die zich oprecht inzetten ter bevordering van vrede en rechtvaardigheid.

Het Hof had om verschillende redenen kunnen weigeren het Advies uit te brengen.

1. Omdat Israël de machtsrecht van het Hof niet erkent

2. Omdat de Palestijnse entiteit geen staat is

3. Omdat het Hof over onvoldoende informatie beschikte.

Ad 3: Israël kon het Hof niet van informatie voorzien omdat ze daarmee het Hof in deze zaak zou erkennen. Zo werkt de juristerij nu eenmaal. Het Hof bleef zo verstoken van essentiële informatie over de bedreiging van de Israëlische veiligheid. Maar het Hof had natuurlijk ook even zelf naar de cijfers kunnen kijken. Sinds de ‘tweede intifada’ van september 2000 werden zeker 900 Israëlische burgers gedood en vele, vele duizenden gewond. Voor een prominent lid van de Nederlandse Tweede Kamer was dat nog niet genoeg: Harry van Bommel van de SP riep openlijk om een volgende ‘intifada’ tegen de Joden. Maar dat is een ander verhaal.

Nu heeft Israël de minst agressieve van alle denkbare beveiligingsoplossingen gekozen, het plaatsen van een barrière. Iedere andere militaire maatregel zou zeker meer leed met zich meebrengen. Hiermee betreden we het terrein van de proportionaliteit. In conflicten wordt van partijen verlangd maatregelen te nemen die in verhouding staan tot het te bereiken doel. Daarover later meer.

Het recht van bestaan van Israël

Vele krantenlezers en televisiekijkers denken inmiddels dat Israël is opgericht door de Westerse landen uit schuldgevoel over de Holocaust. Dat is volstrekte onzin. Om te weten hoe het wel is gegaan, en vooral om te zien hoe het internationaalrechtelijk zit,  moeten we de geschiedenis bekijken. Je kunt daarin zo ver terug gaan als je wil, desnoods tot Abraham en wijzen op 3000 jaar Joodse aanwezigheid in Palestina, op de bloedige onderwerping van Palestina door de islamitische Arabieren in 638, een landstreek waar ze niks te zoeken hadden, op de koloniale onderdrukking die de islam daar vervolgens via Arabische en Turkse Kalifaten 1300 jaar lang in stand hield. Je kunt ook wijzen op het “Volgend jaar in Jeruzalem” dat onder de Joden in de diaspora nooit verstomde. Maar dat alles is voor dit betoog over het internationale recht niet nodig. Het volstaat te beginnen in 1917.

Op 2 november 1917 komt de Britse regering bij monde van zijn minister van Buitenlandse Zaken Arthur James Balfour met deze verklaring:

“His Majesty’s government view with favour the establishment in Palestine of a national home for the Jewish people, and will use their best endeavours to facilitate the achievement of this object, it being clearly understood that nothing shall be done which may prejudice the civil and religious rights of existing non-Jewish communities in Palestine, or the rights and political status enjoyed by Jews in any other country.”

De Franse regering sprak haar steun uit voor deze verklaring. Omdat de Britse staat deze verklaring aflegde is zij gehouden aan de uitvoering ervan. Een staat kan niet zo maar van alles beloven in de beschaafde wereld. Belofte maakt schuld.

Wat hadden de Britten en de Fransen over dat gebied te vertellen? Waarom zouden wij met ook maar de geringste bereidwilligheid accepteren dat de Britten en de Fransen de toekomst van dit gebied bepaalden?

Dat zit zo: In de Eerste Wereldoorlog sluit het Ottomaanse rijk zich aan bij de Centrale Mogendheden. De Ottomanen komen daarmee tegenover het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Rusland (en later Italië en de Verenigde Staten) te staan. Het Ottomaanse rijk wordt net als de andere Centrale Mogendheden verslagen. Het enorme rijk dat geregeerd werd vanuit het huidige Turkije strekte zich uit over grote delen van het Midden Oosten. Het bevatte onder meer de gebieden die we nu kennen als Irak, Syrië, Libanon, Jordanië en Israël. De overwinnaars van de Eerste Wereldoorlog werden de bezetters van deze gebieden. Wat nu te doen? Hoe nu te komen tot een bestendige vrede?

Vanuit de Volkenbond, opgericht in 1919 werd een beleid ontwikkeld om een einde te maken aan alle oorlogen. Het zelfbeschikkingsrecht van volken was hierbij bepalend. Het instrument hiertoe werd het Mandatenstelsel. Dit stelsel moest de bezette gebieden onder voogdij leiden naar zelfstandigheid. Zo kwamen Irak, Libanon, Syrië en Jordanië tot stand. En Israël. Ook de Duitse koloniën werden via dit stelsel onafhankelijk. Het was dus geen koloniale onderneming, maar het tegendeel daarvan.

In San Remo besluiten in 1920 Het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Italië en Japan (de toenmalige geallieerden) tot de instelling van een Mandaatregime voor Palestina onder supervisie van de Volkenbond. Aan de Britse regering werd het bestuur toevertrouwd om uitvoering te geven aan zijn in de Balfour-verklaring aangegane verplichtingen. Dit Mandaat omvatte het huidige Jordanië en Israël, inclusief de Golanhoogte.

De resolutie van San Remo zegt:

“The Mandatory will be responsible for putting into effect the declaraton originally made on November 2, 1917 by the British Government, and adopted by the other Allied Powers, in favour of the establishment in Palestine of a national home for the Jewish people, it being clearly understood that nothing shall be done which may prejudice the civil and religious rights of existing non-Jewish communities in Palestine, or the rights and political status enjoyed by Jews in any other country.”

Met het Ottomaanse rijk wordt het vredesverdrag van Sèvres (1920) gesloten. In artikel 95 hiervan staat dezelfde aanhaling uit de Balfour-Verklaring. Door de machtsovername door de Turkse nationalisten onder Atatürk werd dit verdrag nooit geratificeerd. Maar voor de rechtmatigheid van de vestiging van de Joden in Palestina maakt het geen verschil, want het ‘nieuwe’ Turkije deed in het Verdrag van Lausanne van 24 juli 1923 afstand van al zijn aanspraken op, onder meer, Palestina (artikel 16).

De Raad van de Volkenbond verleent op 24 juli 1922 aan de Britse regering het Mandaat over Palestina. In de preambule wordt verwezen naar de Balfour verklaring. Daarover wordt verder gezegd: “recognition has thereby been given to the historical connection of the Jewish people with Palestine and to the grounds for reconstituting their national home in that country.”

Opvallend is het woord ‘reconstituting’ dat wijst op een terugkeer of een ‘opnieuw instellen’. Het Mandaat richt zich op ‘the Jewish people’ en niet op ‘the Jewish people in Palestine’. Dat is opmerkelijk. Het Mandaat laat door deze formuleringen zien dat het als doel heeft het mogelijk te maken voor Joden om terug te keren naar het land der vaderen.

Het Mandaat legt aan de mandataris in artikel 2 de volgende plicht op:

“The Mandatory shall be responsible for placing the country under such political, administrative and economic conditions as will secure the establishment of the Jewish national home, as laid down in the preambule, and the development of self-governing institutions, and also for safeguarding the civil and religious rights of all the inhabitants of Palestine, irrespective of race and religion.”

In artikel 4 wordt aangegeven met welke partij men dat moet ondernemen: Het Joods Agentschap. In artikel 6 wordt de mandataris opgedragen Joodse immigratie te bevorderen, met, uiteraard, inachtneming van de rechten van andere bewoners. Het is volstrekt logisch dat men dit alles voor mogelijk hield. Er was ruimte genoeg en de Joden deden niets dat ten nadele was van niet-Joden. Integendeel, zij brachten een razendsnelle ontwikkeling die aan alle bewoners ten goede kwam. Dit ging zelfs zo ver dat met de komst van de Joden vele, talloze, Arabieren naar het gebied trokken. Om de vruchten te plukken van de Joodse welvaart.

In artikel 7 wordt geregeld dat Joden die zich in het gebied vestigen gemakkelijk het Palestijns burgerschap kunnen verwerven. Voor Arabieren geldt deze regeling niet. Kennelijk moest de realisering van de politieke ambities van de Arabische inwoners van het voormalige Ottomaanse rijk gevonden worden in de Arabische politieke entiteiten die zich dan vormen en nu bekend staan als Syrië, Jordanië, Irak en Saoedi-Arabië.

Als in 1946 de Volkenbond wordt opgeheven neemt de Verenigde Naties de mandaats-verplichtingen over (artikel 80 lid 1 van het VN-Handvest). Het trustschap-stelsel wordt daartoe in het leven geroepen. Voor Palestina wordt nooit een trustschap-overeenkomst gesloten. Dat betekent dat alle rechten die aan het Mandaat konden worden ontleend nog altijd gelden.

Het IGH verwijst in zijn Advies van 9 juli, 2004 over de Israëlische veiligheidsbarrière verschillende malen naar het Mandaat. Daarmee geeft het IGH aan dat de tekst van het Mandaat nog altijd geldt.

De Britten hebben de opdracht van het Mandaat slecht uitgevoerd. Zij gaven de Golanhoogte aan Frankrijk (waardoor dit gebied later Syrisch werd), zij gaven het hele gebied ten oosten van de Jordaan aan de Arabieren, zij verhinderden vrije Joodse immigratie en tenslotte trokken zij zich uit het Mandaat terug zonder een goede overdracht te regelen naar een trustschap.

In 1947 vragen de Britten aan de AV om Palestina op de agenda te zetten. Dat leidde tot resolutie 181 van 29 november 1947 met daarin het delingsplan. De Joden aanvaarden dit plan, de Arabieren verwerpen het. Direct na resolutie 181 vallen de Arabieren in Palestina de Joden aan. De Britten houden zich zo veel mogelijk afzijdig.

Op 14 mei 1948 roept Ben-Gurion de staat Israël uit. Op 15 mei wordt Israël aangevallen door Egypte, Jordanië, Libanon, Syrië en Irak. De aanvallers spreken onverholen over hun doel: de totale vernietiging van Israël. Het is een genocidale aanval.

De voorgenomen volkerenmoord slaagt niet. Israël houdt stand. Eén procent van de Israëliërs komt om in de Onafhankelijkheidsoorlog. Dat is ontzettend veel. Het is een strijd op leven en dood geweest.

De Onafhankelijkheidsverklaring van Israël is door en door democratisch en garandeert gelijke rechten voor alle burgers ongeacht religie, ras of geslacht. Vrijheid en gerechtigheid zijn de fundamentele beginselen van de Israëlische staatsordening. Israël is een parlementaire democratie gebaseerd op evenredige vertegenwoordiging. Net als Nederland.

Vijanden van Israël beweren graag dat de Joodse identiteit van de Israëlische staat een vorm van discriminatie of zelfs Apartheid is. Maar het zelfbeschikkingsrecht staat het een volk toe zijn culturele identiteit te bepalen. Zo zijn er ook islamitische landen. Daarnaast bestaan er normen over godsdienstvrijheid en gelijkberechtiging. Israël voldoet aan die normen. Vanaf de eerste dag van zijn bestaan en zelfs al veel eerder tijdens zijn vorming. Israël voldoet zeer precies aan de voorwaarden van de Balfour verklaring: “(…) that nothing shall be done which may prejudice the civil and religious rights of existing non-Jewish communities in Palestine (…).”

Vijanden van Israël spreken gretig over een koloniaal project. Waar de werkelijkheid is dat de overwinnaars van de Eerste Wereldoorlog zeer hooggestemde idealen koesterden omtrent het tegendeel van kolonialisme, te weten: Het zelfbeschikkingsrecht van volken. De winnaars meenden dat het hun heilige plicht was het beste bestuur mogelijk te maken te maken voor de nieuwe landen die zij hielpen stichten. Aan dat bestuur stelden zij hoge eisen van rechtvaardigheid, gelijkberechtiging en vrijheid. Israël is in die opzet zeer goed geslaagd. Slaagden Syrië, Jordanië, Libanon en Irak net zo goed? Kennen deze landen een bestuur dat vrijheid en gelijkberechtiging garandeert? Men zou verwachten dat mensen die zich zorgen maken over mensenrechten te hoop lopen om te protesteren tegen deze nieuwe landen maar zij lopen alleen te hoop tegen Israël. Dat is onbegrijpelijk.

Kolonialisme veronderstelt het bestaan van een moederland waar de opbrengsten van het in kolonie brengen naar toe vloeien. Daar is in het geval van Israël natuurlijk geen sprake van. Het is een dwaas verwijt.

De grenzen van Israël

Het Palestina Mandaat geeft de volgende grenzen aan: Van de Middellandse Zee tot aan de oostgrens van het huidige Jordanië, inclusief de Golanhoogte en Gaza. Het gebied omvat het huidige Israel plus het huidige Jordanië.

In een verdrag van 3 februari 1922 wordt de Golan overgedragen aan Frankrijk. Dit was in strijd met de bepaling van het Mandaat die overdracht van gebied aan een vreemde mogendheid verbiedt.

Op 16 september 1922 gebruikt de Britse regering artikel 25 om ten aanzien van het gebied ten oosten van de Jordaan de mandaatverplichting uit te stellen. Met als argument ‘lokale omstandigheden’. De Raad van de Volkenbond keurde dit goed. Zo ontstond Trans-Jordanië en werd meer dan de helft van het mandaatgebied aan de Joodse bestemming onttrokken. Het gebied dat overbleef is het huidige Israël tot aan de westelijke oever van de Jordaan dus inclusief Samaria, Judea (de ‘Westbank’) en Gaza.

De Britten maken vervolgens vestiging van Joden in Trans-Jordanië onmogelijk. Dit was een ernstige schending van het Mandaat. De vestiging van Arabieren in het gebied westelijk (Samaria en Judea = ‘Westbank’) van de Jordaan werd nooit tegengewerkt. Daar was zelfs geen enkel toezicht op. Het is duidelijk dat vele Arabieren zich pas westelijk van de Jordaan vestigden nadat de Joden daar welvaart brachten. Ook ‘vestigen’ is een te precieze term. Onder de Arabieren waren er velen die voor enige tijd gingen waar zij dachten een beter leven te vinden. Het was een economisch gemotiveerd besluit, het had niets met enig nationaal gevoel te maken. Het is dwaasheid om aan deze mensen nu een verlangen naar zelfbeschikkingsrecht in het gebied Palestina toe te schrijven.

Resolutie 181 van de AV van de VN (29 november 1947) doet een voorstel over grenzen. Dat voorstel valt op het moment dat de Joden onder zeer grote druk staan. De Arabische leider en vriend van Hitler, Amin el-Hoesseini, de Grootmoefti van Jeruzalem leidt een nietsontziende terroristische beweging tegen de Joden en tegen de Arabieren die met de Joden willen samenwerken. Tegelijkertijd stromen overlevenden van de Holocaust richting het gebied. Vele van deze Joodse vluchtelingen worden door de Britten tegengehouden en in kampen gevangen gezet op Cyprus. Onder deze druk gaan de Joden akkoord met resolutie 181. Het Joodse land beslaat amper de helft van het gebied tussen de Middellandse Zee en de rivier de Jordaan. De Arabieren wijzen 181 af. Er is geen overeenkomst tot stand gekomen. Resolutie 181 heeft daarmee iedere internationaalrechtelijke betekenis verloren. Dat betekent dat de grenzen van het Mandaat nog volledig gelden. Dit betekent (als we Trans-Jordanië = Jordanië aanvaarden als een historisch gegeven) dat de grenzen van Israël lopen van de Middellandse Zee tot aan de rivier de Jordaan.

Een dag na de afkondiging van de staat Israël op 14 mei 1948, vallen de Arabische legers van Syrië, Jordanië, Egypte, Libanon en Irak, Israël aan. Het doel van de aanval was geen geheim. Openlijk verkondigden de aanvallers dat hun doel de totale vernietiging van Israël was. Zij slagen niet. Israël houdt stand.

Er wordt een wapenstilstand gesloten. De afbeelding hieronder toont de wapenstilstandslijnen.

Screenshot_32

De Arabische agressie heeft deze grenzen opgeleverd. In de pers worden deze bestandslijnen vaak ‘de grenzen van juni 1967’ genoemd. Maar de stippellijn geeft niets anders aan dan de bestandslijn van 1949. Het zijn helemaal nooit erkende grenzen geweest. In paars het gebied onder Israëlisch bestuur. In 1948 bezet Egypte Gaza en Jordanië bezet Samaria en Judea plus Oost-Jeruzalem, inclusief de Oude Stad. Tegen de bezetting door Egypte en Jordanië klonk, tot Israël het gebied in de juni-oorlog van 1967 veroverde, nooit protest vanuit de Palestijnse bevolking. Nimmer eisten zij onafhankelijkheid. Zij voelden zich deel van de Arabische natie. Het begrip ‘Palestijnen’ zoals we het nu kennen, bestond nog niet in die tijd.

Een belangrijk uitgangspunt van het internationaal recht is dat de agressor bestraft wordt. In het geval van de Israëlische Onafhankelijkheidsoorlog (1948-49) is de agressor beloond met het bezetten van Gaza, Samaria en Judea. Dit was zonder enige twijfel een illegale bezetting en een schending van het internationaal recht.

Mogelijk inspireerde deze beloning de Arabische landen tot een volgende genocidaal opgezette veroveringsoorlog: de Zesdaagse Oorlog (juni 1967). Weer falen de Arabieren in hun opzet. De kaart van het gebied onder Israëlisch bestuur ziet er nu uit als hieronder afgebeeld. In groen de gebieden Samaria en Judea (inclusief Oost Jeruzalem en de oude stad), de Golanhoogte, Gaza en de Sinaï woestijn.

De Sinaï-woestijn is in ruil voor vrede teruggeven aan Egypte. Gaza is door de Israëliërs verlaten. Dus resten nog de gebieden Samaria en Judea plus een deel van de Golan. Israël heeft met Syrië een troepenscheidingakkoord gesloten over de Golan. Wat nu is de status van de gebieden Samaria en Judea? Zijn dit bezette gebieden?

Daarover schreef Stephen M. Schwebel, voorzitter van het IGH van ’97-2000, het volgende:

“…where the prior holder of territory (Jordanië) had seized that territory unlawfully (door agressie), the state which subsequently takes the territory in the lawful exercise of self-defense, has against the prior holder, better title.”

Schwebel beroept zich op het recht op zelfverdediging en het verbod op het verwerven van gebied door agressie. Hij maakt duidelijk dat er geen sprake is van bezette gebieden, omdat de status van de gebieden voorafgaand aan de oorlog onduidelijk was. Dat is al erg toegeeflijk en eenzijdig in het nadeel van Israël, want volgens het Mandaat behoren de gebieden onherroepelijk tot Israël. Althans tot het gebied met de bestemming er een Joods nationaal tehuis te vestigen.

Die gebieden die overal in de pers en ook in de AV van de VN worden aangeduid als bezette gebieden zijn hooguit betwiste gebieden. Wie spreekt van bezette gebieden geeft aan dat hij partij is in het conflict en er voor kiest de Arabieren te steunen. Het bezigen van de term bezette gebieden is geen neutrale vaststelling maar de verwoording van een krachtig anti-Israëlisch standpunt.

Men moet zich goed voorstellen hoe dat gegaan is: Israël werd aangevallen en wist de overvallers te verjagen. Het gevolg is dat Israël nu bestuurder werd van gebied waaruit de aanvallers werden verdreven. Israël heeft er alles aan gedaan dit gebied zo klein mogelijk te houden. De Israëlische generaals hadden Damascus kunnen bezetten en Cairo. Maar dat wilden zij niet. De overwinning betekende dat Israël bestuurder werd over nieuwe gebieden. En Israël werd tot dat bestuur gedwongen omdat met het drie keer van Khartoem van september 1967 van de Arabische landen– zie hier beneden – geen ander keus had.

Wat zegt resolutie 242 van de VR uitgebracht na de Zesdaagse Oorlog hierover? In de preambule stelt de resolutie dat “acquisition of territory by war” ontoelaatbaar is. Agressie mag niet beloond worden. Zo heeft Duitsland na de Tweede Wereldoorlog grote gebieden prijs moeten geven. De Arabische agressie verdient afstraffing. Vervolgens stelt de resolutie voor dat Israël zich terugtrekt uit een deel van de onder Israëlisch bestuur geraakte gebieden, voor zover dat veilige grenzen oplevert. Terugtrekking dus in ruil voor vrede en erkende, veilige grenzen. Resolutie 242 vraagt niet om terugtrekking uit alle onder Israëlisch bestuur geraakte gebieden. Waarom zou men dat ook vragen? Want dan zou men terugvallen op de bestandslijnen van ’49. En deze lijnen werden door niemand erkend als grenzen en worden breed gezien als onverdedigbaar. Het gaat uiteindelijk om het recht van ieder volk in vrede te leven. De wapenstilstandslijnen van 1949 bieden onvoldoende veiligheid. Israël heeft op basis van deze resolutie gepoogd te onderhandelen met de Arabieren. “Land voor vrede”, heette dat. Hoe reageerden de Arabieren?

Als volgt:

1.         NEE tegen vrede met Israël

2.         NEE tegen erkenning van Israël

3.         NEE tegen onderhandelingen met Israël

(Conferentie van Khartoem, 1967)

Is het dan vreemd dat Israël zich niet heeft teruggetrokken achter de bestandslijnen van 1949? Volgens talloze hedendaagse journalisten wel.

Het is ook nog belangrijk op te merken hoe de Jordaniër huis hielden in Oost Jeruzalem en de Oude Stad, nadat zij deze hadden veroverd in ’48. Alle synagogen werden vernietigd, alle Joden werden verjaagd, graven werden ontheiligd, al het mogelijke werd gedaan om Joodse heiligdommen te verwoesten. Al het Joodse werd uit de stad weggewist. Nu beroepen de Jordaniër zich erop dat zij de historische beheerders zijn van Jeruzalem en zijn heilige plaatsen. Dat is toch wat Joden een gotspe noemen.

In 1968 zegt de volkenrechtsgeleerde Elihu Lauterpacht over de periode van Jordaans gezag over Jeruzalem: “Jordanië bezette Jeruzalem zonder enige titel, het vacuüm van ‘67 kan met recht door Israël worden opgevuld als uitkomst van een op grond van zelfverdediging gerechtvaardigde inname.”

De nederzettingen

De nederzettingen bevinden zich zonder enige twijfel op het gebied van het oorspronkelijke Mandaat.

Het IGH echter veroordeelt de vestiging van Joden in het gebied Samaria en Judea. In haar Advies van 9 juli 2004 noemt zij de nederzettingen strijdig met het humanitair recht. Het IGH beroept zich daarbij op artikel 49 lid 6 van de Vierde Geneefse Conventie. Deze conventie regelt het optreden van een bezetter. De grondslag van het artikel ligt in de Nazi-praktijk)van massale deportatie van de bevolking om politieke en raciale redenen of ter kolonisering.

Er zijn twee grote bezwaren tegen dit oordeel van het IGH:

·        Ten eerste gaat het hier niet om bezet gebied;

·       Ten tweede geldt artikel 49 duidelijk voor door de overheid geïnitieerde en opgelegde deportatie. In het geval van de nederzettingen gaat het om vrijwillige vestiging van Joden in het gebied Samaria en Judea, waar zij op grond van de nog altijd geldende mandaatsovereenkomst het volste recht toe hebben.

·       Ten derde gaat het in artikel 49 om het overbrengen van de bevolking naar gebieden die door een agressieve oorlog zijn verworven. Maar Israël voerde een defensieve strijd.

Ook opmerkelijk is dat als Israël dan zou pogen het gebied Samaria en Judea te koloniseren door haar bevolking er naar toe te leiden, dit in tegenspraak is met de Open Bruggen politiek van Israël die het Arabieren toe liet zich vrij te vestigen in dat zelfde Samaria en Judea. Er werden maar liefst 260 Arabische nederzettingen gesticht in de periode ’67 – ’94.

Anders gezegd: Israël wordt geacht de Joden te discrimineren en deze te weren uit Samaria en Judea. Het IGH vraagt hier feitelijk om een Judenrein Samaria en Judea.

Israël en de mensenrechten

Op 10 december 1948 aanvaarde de AV van de VN de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Geen enkel land stemde tegen. Wel waren er acht onthoudingen: de Sovjet Unie en zijn socialistische vrienden, Zuid-Afrika en Saoedi-Arabië. Het is alweer geen bindende tekst maar het is ontegenzeggelijk een gezaghebbend document. En dit document is opgenomen in wel degelijk bindende internationale verdragen.

Artikel 1 stelt: Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Dit is de basis van alles. De eerste generatie Mensenrechten noemt men de ‘klassieke mensenrechten’, ook wel ‘burgerrechten’ of ‘politieke rechten’. Hieronder vallen:

·        Het recht op leven, vrijheid en veiligheid (art 3)

·        Het verbod op foltering (art 5)

·        Het recht op een behoorlijk proces (art 10)

·        Het recht op eigendom (art 17)

·        De vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst (art 18)

·        De vrijheid van meningsuiting (art 19)

Deze klassieke mensenrechten dienen vooral om de burger te beschermen tegen een tirannieke overheid.

De tweede generatie mensenrechten noemt men ‘sociale rechten’ en ook wel ‘economische, sociale en culturele rechten’. Het zijn uitbreidingen die leiden tot een verzwakking van het mensenrechten-discours. Omdat deze rechten vaak getuigen van een utopisch verlangen naar het paradijs. Wat heeft het voor zin mensen het recht te gunnen op ‘behoorlijke arbeidsvoorwaarden’ of een ‘behoorlijke levensstandaard’? Dat is als het afkondigen van een verbod op armoede. De tweede generatie mensenrechten is erg populair bij overijverige ambtenaren; het is namelijk vooral een aansporing aan de overheid van alles en nog wat te gaan doen. Het is een uitvloeisel van het vage gedachtegoed over de ‘maakbare samenleving’. De eerste generatie mensenrechten vraagt van de overheid vooral een heleboel dingen niet te doen. De tweede generatie leidt via utopische verzuchtingen naar een immer groeiende overheid die totalitaire trekjes kan aannemen.

Er zijn twee belangrijke internationale mensenrechtenverdragen:

·  Het Internationale Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (IVBPR)

·  Het Internationale Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele rechten (IVESCR).

Israël heeft zich aan deze beide verdragen verbonden.

Er zijn ook verdragen die zich richtten op een specifiek mensenrecht. De belangrijkste drie zijn:

·    Het Verdrag tegen foltering en andere wrede onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing

·   Het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie

·   Het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie jegens de vrouw

Ook aan deze verdragen heeft Israël zich verbonden.

Niet alle landen verbinden zich onvoorwaardelijk aan zo’n verdrag. Er worden voorwaarden gesteld, vaak zijn die heel redelijk maar soms zijn ze opmerkelijk en werpen ze een helder licht op de diepere bedoelingen van de ondertekenaar. Zo heeft Pakistan opgenomen dat het allemaal goed en wel is met het IVBPR zo lang het maar niet in strijd is met de sharia. Dan kan je net zo goed niet tekenen zou de eerlijke beschouwer denken. Maar in de internationale diplomatie heerst de hogere geleerdheid van de jurisprudentie. Op nationaal niveau drijft die jurisprudentie op de voorwaarden van een eerlijk proces, een onafhankelijke rechter en wetgeving door een gekozen wetgever. In de VN mensenrechten-bemoeienissen is de jurisprudentie het schuim dat boven komt drijven nadat de schurkenstaten hun meerderheid handig hebben misbruikt.

Het is belangrijk om vast te stellen dat niet alle VN lichamen lijden onder de meerderheid van schurkenstaten. Het kan ook goed geregeld worden. Zo is het stemrecht bij het Internationale Monetaire Fonds geregeld op basis van het nationaal product. Hiermee wordt voorkomen dat een zeer klein land als Tuvalu een gelijke stem heeft als de VS.

Israël wordt in de VN voortdurend en met grote voorrang aangeklaagd en veroordeeld voor ‘mensenrechtenschendingen’. Het schrijnende feit is dat de aanklagers van Israël landen zijn die de meest basale mensenrechten op de meest grove wijze schenden. De verklaring ligt in de eerder aangevoerde politieke aard van de VN. De VN is geen boven de staten staande onafhankelijke instelling maar een politieke arena waarin landen met een schurkenregime de meerderheid hebben. De vraag zou eigenlijk moeten zijn: Waarom hebben schurkenstaten boven alles een hekel aan Israël? Om die vraag te beantwoorden moeten we eens kijken welke landen nu de initiatieven nemen om Israël aan de schandpaal te nagelen. En hoe zij aan hun invloedrijke positie komen.

Het blijkt dan zonneklaar dat het vooral islamitische landen zijn die de initiatieven nemen om Israël te veroordelen. Deze islamitische landen benutten in een effectieve samenwerking in de Organization of the Islamic Conference (OIC, recent hernoemd tot Organization of Islamic Cooperation) hun stemrecht bij de VN. Zij dwingen daarbij arme landen hen te volgen. Het oliewapen is erg effectief. Veel van de arme landen zijn uiteraard ook bijzonder corrupt, kortom de islamitische landen en de arme landen begrijpen elkaar uitstekend.

De organisatie UN Watch heeft het allemaal helder gerangschikt. Zie bijvoorbeeld: http://bit.ly/mSLUFi. De VN-mensenrechtencommissie veroordeelde Israël zo ongelofelijk vaak en werd zo openlijk geleid door schurken dat men besloot de bureaucratie te vernieuwen: De VN- mensenrechtenraad werd ingesteld. Helaas bleek alleen de naam veranderd en wordt ook deze raad overschaduwd door schurkenstaten. Het achter elkaar en klakkeloos veroordelen van Israël gaat daarom in hetzelfde hoge tempo voort.

Het is niet overdreven om te stellen dat de resoluties van de AV van de VN en van de VN mensenrechtenraad over Israël geen enkel gezag hebben omdat de VN landen die leiding geven aan het formuleren van die resoluties de toets der kritiek zelf niet kunnen doorstaan. Het ware raadsel is dat Westerse journalisten en veel van onze Tweede Kamerleden dit niet lijken te zien, zij dreunen de VN resoluties gehoorzaam na. Hebben zij er werkelijk geen benul van dat de VN een politieke arena is? Zijn zij dom of zijn zij kwaadaardig? het zal een mengsel van beide zijn.

Ten overvloede: Israël is zonder enige twijfel een democratische rechtsstaat waar alle burgers gelijke rechten kennen. Het is ongelofelijk hoe Israël stand houdt als rechtsstaat waar het land omringd is door vijanden die getoond hebben voor geen enkele vorm van geweld terug te schrikken. Israël werd meerdere malen door de legers van zijn buren overvallen. Israël is recent getroffen door een reeks wrede aanslagen door zelfmoordcommando’s. Israël slaagt er gelukkig heel goed in zich te verdedigen tegen zijn vijanden. Daartoe neemt het maatregelen zoals road blocks en strenge controles. De vijanden van Israël beklagen zich daar vervolgens over bij de VN mensenrechtenraad. Want de vijanden hebben liever vrij spel bij het vermoorden van Joden. Zo bitter is de werkelijkheid.

Hoeveel geweld mag een staat gebruiken om zich te verdedigen?

Het is behulpzaam de recente geschiedenis van Israël te bezien om vast te stellen of Israël werkelijk een staat in oorlog is, of Israël een staat is die daadwerkelijk bedreigd wordt, een staat waarvan de burgers in gevaar zijn als de overheid de beveiliging van de staat zou laten verslappen. Is Israël terecht voortdurend ‘on red alert’? Hieronder een kort overzicht:

·   Direct na de uitroeping van de staat Israël werd het land aangevallen door vijf Arabische staten: De Onafhankelijkheidsoorlog van ’48 – ’49

·   Tijdens de Sinaï campagne van 1956 stond Israël tegenover Egypte

·  Tijdens de Zesdaagse Oorlog van 1976 hield Israël stand tegen een aanval van Egypte Jordanië en Syrië

·   Hierop volgde de Uitputtingsoorlog tegen Egypte die duurde van 1967 tot 1970

·  In 1973 werd Israël opnieuw overvallen door Egypte en Syrië tijdens de Yom Kippoer oorlog en deed Jordanië alleen niet mee uit angst voor zijn eigen ‘Palestijnen’

·  Dan volgt de Eerste Libanon oorlog van 1982, niet gericht tegen Libanon maar tegen de van daaruit opererende PLO terroristen van Yasser Arafat. De strijd verplaatst zich van oorlog tussen landen tot een oorlog tegen niet-statelijke terroristische organisaties

·  De ‘Eerste Intifada’ is de ontplooiing van grof geweld tegen de staat Israël door de PLO. Deze duurt van 1987 tot 1993

·  De ‘Tweede Intifada’ volgt van 2000 – 2004

·  Tijdens de Gaza Oorlog eind 2008 staat Israël tegenover Hamas

Hebt u wel eens gevlogen met El Al? Dan kent u de uitgebreide veiligheidsprocedures. Denkt u dat Israël dat onderneemt om de passagiers te tergen? Of zou het te maken hebben met een reële, voortdurende dreiging van massamoord op onschuldige mensen? Hebt u wel eens een Joodse school bezocht in Amsterdam? Dan zou u genoeg moeten weten. Er zijn mensen in Nederland, vooral te vinden onder journalisten en ongeveer de helft van onze Tweede Kamer, die menen dat de dreiging tegen Israël zal stoppen als de Israëliërs maar stoppen met zichzelf te beschermen. Denkers van dit gehalte zouden eigenlijk zonder pardon moeten worden gedropt in Gaza, voorzien van een niet al te makkelijk te verwijderen en duidelijk zichtbare ster van David. Dan zouden zij begrijpen waaraan Israël bloot staat. Zij die dit betwisten, journalisten en Tweede Kamerleden, nodig ik uit naar Gaza te reizen. Maar wel met die prachtige ster om hun nek. Dan kunnen ze eens zien hoe het is om Jood te zijn in een vijandige wereld.

Het VN Handvest staat het gebruik van geweld door staten slechts toe in twee gevallen:

·        In opdracht van de VR

·        Uit zelfverdediging (artikel 51)

Omdat de VR een politiek lichaam is, waar de vijf permanente leden een vetorecht hebben en de overige leden van twijfelachtige aard kunnen zijn, kan Israël zijn lot niet in handen van dit instituut leggen. Zo leidde de massale aanval op Israël van 1948 niet tot enige VN actie. Idem dito voorafgaand aan de Zesdaagse Oorlog. Als Israël zijn lot in handen van de VN zou hebben gelegd zou het verloren zijn gegaan.

Israël rest daarom een beroep op zelfverdediging. Dit is een krachtig en algemeen erkend recht, geregeld in artikel 51. Er zijn voorwaarden aan verbonden. Deze zijn:

·  Het gebruik van het recht op zelfverdediging moet meteen aan de VR gemeld worden.

·  Zodra de VR maatregelen neemt moet het geweld gestaakt worden.

· Het gebruikte geweld moet ‘proportioneel’ zijn: Het doel moet bereikt worden met passende middelen.

De VS deed een beroep op artikel 51 na de aanslagen van 11 september. De VR stemde met dit beroep in (Resolutie 1369).

Het IGH gunde Israël bij de beoordeling van de legitimiteit van de veiligheidsbarrière geen beroep op artikel 51. De eerste zin van dit artikel 51 luidt: “Geen enkele bepaling van dit Handvest doet afbreuk aan het inherente recht tot individuele of collectieve zelfverdediging in geval van een gewapende aanval tegen een Lid van de Verenigde Naties, totdat de Veiligheidsraad de noodzakelijke maatregelen ter handhaving van de internationale vrede en veiligheid heeft aangenomen.”

Het Hof leest hierin dat ‘derhalve’ het Handvest het inherente recht op zelfverdediging erkent in geval van een gewapende aanval van een staat tegen een andere staat. En omdat Israël niet claimt te worden aangevallen door een andere staat, geldt artikel 51 niet. Dit is onbegrijpelijk. Hoe kan het Hof iets lezen in een verdragstekst dat er gewoon niet staat en daar ook nog mee weg komen? Dit is werkelijk een groot raadsel.

Gaza

Vanuit het door Israël ontruimde Gaza (augustus 2005) werden meer dan 6.000 raketten afgevuurd gericht op Israëlische burgers. Iedere raket is zonder enige twijfel een schending van het oorlogsrecht. De wereld zwijgt, de VN zwijgt. Op 27 december 2008 begint Israël een militaire actie tegen de beschietingen. Enkele experts op het gebied van het internationale recht waaronder de beroemde Ian Brownlie betwisten Israël dit recht op zelfverdediging. Hun argumentatie: omdat de Israëlische burgers dankzij een ingenieus waarschuwingssysteem en veelvuldige oefening bij iedere raketaanval op tijd de door de Israëlische overheid in grote getale gebouwde schuilkelders weten te bereiken, geldt geen recht op zelfverdediging. U bent verbaasd? Het zou beter zijn verbijsterd te wezen. Israël zou, volgens deze redenering wel recht op zelfverdediging hebben als Israël zou verzuimen zijn burgers te beschermen. Een tweede argument dat wordt aangevoerd is dat de raketten vanuit Gaza niet erg precies zijn en daardoor vaak in de velden eindigen. Maar niemand weet waar zo’n raket neer gaat komen als hij wordt afgeschoten. Moet men dan maar schouderophalend zeggen: “Ach, hij zal wel weer in de wei terecht komen en niet op een lagere school vol kinderen landen?” Van Israël wordt eigenlijk gevraagd deze redenering te volgen: er komt een raket aan met een snelheid van 200 meter per seconde (720 kilometer per uur), niemand weet waar hij precies terecht zal komen. Doe niets. Het is maar een prul gemaakt in Gaza. De Israëliërs wijzen deze redenering af. Zij haasten zich naar de schuilkelders als het alarm gaat. Dit rennen naar de schuilplaats op totaal onverwachte momenten eist een zeer hoge tol. Wie begrijpt dat niet? Wel, een bepaalde groep juristen begrijpt dat niet. Althans zij vinden dat Israël ‘proportioneel’ moet reageren op de raketten vanuit Gaza. Wat bedoelen zij daarmee? Bedoelen zij dat Israël even zovele raketten van dezelfde kwaliteit op Gaza af moet schieten? Ja, dat zeggen zij impliciet.

We behandelen nu de vraag: hoe is ‘proportionaliteit’ geregeld in het internationale recht?

Recht in oorlog en humanitair oorlogsrecht

De voorwaarde voor een beroep op proportionele zelfverdediging is dat de ingezette middelen in verhouding staan tot het doel. Waarbij de toekomstige, verwachte ontwikkeling van het doel een belangrijke rol speelt. Daarmee wordt bedoeld dat als men redelijkerwijze mag verwachten dat raketten afgevuurd door de vijand steeds beter hun doel zullen weten te vinden en een steeds groter gebied zullen bestrijken, men reeds nu, nu de raketten nog primitief zijn, het afvuren van deze raketten mag tegengaan. Er wordt niet verwacht dat de aangevallen partij rustig afwacht tot de vijand beschikt over prima raketten.

Israël wordt vanuit dit humanitair oorlogsrecht met beschuldigingen overladen. Vooral op twee terreinen:

·    Wordt voldoende onderscheid gemaakt tussen burgers en strijders?

· Staan de gevechtshandelingen in verhouding tot het te bereiken doel? Is de gevechtshandeling proportioneel?

Onderscheid

Het maken van onderscheid tussen burgers en soldaten vergt van de tegenpartij dat deze duidelijk maakt wie burger is en wie strijder. De ‘Palestijnen’ doen dat niet. De ‘Palestijnse’ strijder toont zich in strijdtenue tijdens parades maar als de strijd ontbrandt hult hij zich vaak in burgerkleding. Ook stellen de ‘Palestijnse’ strijders zich op te midden van burgers. Zij schrikken er niet voor terug om de strijd te voeren vanuit woningen, scholen, ziekenhuizen en moskeeën.

De vierde Geneefse conventie stelt duidelijk dat strijders die dekking zoeken achter burgers en zich verschansen in ziekenhuizen en dergelijke moeten worden aangemerkt als de moordenaars van de burgers die ten gevolge van deze verstoppartij omkomen. Als de slachtoffers van de strijd in Gaza op deze manier zouden worden geteld komen er vele, vele burgers op het conto van Hamas.

VN-rapporteur Falk – die zeer in diskrediet is geraakt nadat hij betrapt werd op het publiceren van antisemitische rotzooi, maar de man is natuurlijk aangesteld door een VN-commissie, waarin de schurken de overhand hebben dus wat wil je – telt in een rapport van 11 Februari 2009 1434 gedode ‘Palestijnen’ waarvan 235 strijders. Israël telt 1166 gedode ‘Palestijnen’ waaronder tenminste 709 strijders. Publicaties van Hamas geven aan dat Israël de juiste getallen hanteert. Hamas kon het namelijk niet laten op te scheppen over het aantal moedige strijders dat viel in de strijd. Zie: http://bit.ly/qB14pR

Proportionaliteit

Het doel van de verdragsteksten over proportionaliteit is te voorkomen dat onnodig burgers worden gedood. Het is niet toegestaan burgerdoelen aan te vallen. Aanvallen moeten zich richten op militair relevante doelen. Als strijders zich verstoppen in een moskee wordt deze moskee daarmee een militair relevant doel. Maar is de elektriciteitscentrale die ook burgers bedient een militair doel? Ja, dat is deze centrale zeker want hij levert de strijders van de tegenpartij stroom die zij militair benutten. Maar als het nu zo is dat slechts één soldaat deze stroom benut om zich te scheren en honderdduizenden burgers wekenlang van energie verstoken raken, dan is het aanvallen van de energiecentrale disproportioneel te noemen.

Het is overigens opmerkelijk dat mensen die uiterst kritisch staan tegenover de wijze waarop Israël militaire doelen kiest, schouderophalend voorbijgaan aan terroristische aanvallen op pizzeria’s, disco’s of openbaar vervoer. Dan vergoelijken zij dit en zeggen dat het allemaal komt door ‘de bezetting’, die geen bezetting is, zoals we in voorgaande aantoonden.

__________________________________________

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s