Artikel 137c spreekt Wilders juist vrij!

Wilders is toch veroordeeld en dat had nooit mogen gebeuren. Oneens? Lees dan toch vooral eens dit betoog.

Sint Maarten en Aruba hebben sinds 2012 een nieuw Wetboek van Strafrecht. Ons artikel 137c is hun artikel 2:60. Opvallend is dat daarin expliciet nationaliteit wordt genoemd.

Art. 2:60 (Sint Maarten en Aruba) Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of door middel van een afbeelding of van gegevens uit geautomatiseerde werken, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, kleur, taal, nationale of maatschappelijke afkomst, of lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap of geslacht dan wel hetero- of homoseksuele gerichtheid, of het behoren tot een nationale minderheid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie. (zie alhier, mijn vet)

“Zie je nou wel!”, zou menigeen nu kunnen roepen, “tuurlijk moet ook nationale afkomst een grond zijn”. Maar die mensen zouden dan ook meteen moeten erkennen dat nationale afkomst niet als ras kan worden beschouwd, immers ze zijn in dat artikel als aparte kenmerken benoemd. En in ons artikel 137c staat nationale afkomst dus niet, waarvan akte. Artikel 2:60 bevat nog meer leuke dingen. Wat te denken van nationale minderheid? En taal?

Overigens, maar niet onbelangrijk, blijkt artikel 2:60 te zijn afgeleid van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948. Daarin luidt artikel 2:

UVRM 1948: Een ieder heeft aanspraak op alle rechten en vrijheden, in deze Verklaring opgesomd, zonder enig onderscheid van welke aard ook, zoals ras, kleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status. Verder zal geen onderscheid worden gemaakt naar de politieke, juridische of internationale status van het land of gebied, waartoe iemand behoort, onverschillig of het een onafhankelijk, trust-, of niet-zelfbesturend gebied betreft, dan wel of er een andere beperking van de soevereiniteit bestaat. (zie voetnoot op pagina 32 alhier, mijn vet)

Het is nu de vraag waarom ons artikel 137c die specificiteit niet bevat. Kijken we naar de geschiedenis van 137c, dan zien we dat er in een eerdere versie alleen maar sprake was van ‘groep’.

Art. 137c Sr (oud): “Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk in beleedigenden vorm uitlaat over eene groep van de bevolking of over eene ten deele tot de bevolking behoorende groep van personen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (zie voetnoot op pagina 105 alhier, mijn vet)

Dat was volgens critici onvoldoende specifiek, ofwel te ruim, want zelfs een politieke groepering die zich beledigd voelde kon er al mee naar de rechter stappen. Ander nadeel was dat het alleen gold voor duidelijk beledigende taal, zoals mensen parasieten noemen. Netjes geformuleerde taal, hoe discriminatoir ook, viel er niet onder. Er kwam een vernieuwing in 1971.

Artikel 137c (1971): Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of hun levensovertuiging, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van [tienduizend gulden]’ (zie pagina pagina 71 alhier, mijn vet)

Schijnbaar vond men verwijderen van ‘vorm’ voldoende om ook netjes verwoorde belediging te kunnen aanpakken; het artikel werd dus verruimd. Daar was overigens wel discussie over; er waren kamervragen, want sommige partijen wilden toch wèl de vorm-grond handhaven. De minister gaf aan hoe de nieuwe omschrijving moest worden uitgelegd. Lees dit citaat daarover, pagina 69:

Dit aspect van de voorgestelde wijziging kwam onder vuur te liggen van het toenmalige Tweede Kamerlid Roethof. Hij zag in de af te schaffen eis van een uitlating in ’beledigende vorm’ een zijns inziens terechte inperking van de strafbaarheid. De rechtszekerheid zou daarmee gebaat zijn. Nu bij de voorgestelde bepaling niet was voorzien in analoge toepassing van (het destijds nog voorgestelde) art. 266 lid 2 Sr, zag het Kamerlid in het voorgestelde art. 137c Sr een  bedreiging  van  de  vrijheid  van  meningsuiting.  De  regering  antwoordde  daarop  dat  de voorgestelde bepalingen niet dan met de grootste terughoudendheid zouden worden toegepast. Eerder al stelde de toenmalige  minister van justitie Polak dat de bewering dat het wetsontwerp ’elke  belediging  van  de  genoemde  groepen  zowel  naar  vorm  als  naar  inhoud  strafbaar  zou willen stellen, onjuist was’. Degenen die deze bewering voor waar hielden, ’verliezen uit het oog dat de ontworpen bepaling slechts straf stelt op (opzettelijke en openbare) belediging van die groepen wegens hun ras, godsdienst of levensovertuiging. Deze toevoeging limiteert niet alleen de beschermde groep, maar brengt tevens een aanzienlijke beperking aan de strafbaarheid van belediging van die groepen (…). Het voorgestelde art. 137c is slechts gericht tegen krenking op punten waarop niet meer kan worden beargumenteerd en tegen aantasting in hetgeen voor het menselijk bestaan van fundamentele waarde is’ (mijn vet)

De Kamer ging met die uitleg akkoord. Kijken we naar hoe er nu met Wilders’ uitlating door de rechters werd omgegaan, dan lijkt het mij een uitgemaakte zaak dat zij met de veroordeling de uitleg van die regering aan hun laars hebben gelapt. Er was gewoonweg géén sprake van ‘de grootst mogelijke terughoudendheid’, nog even helemaal los van de vraag of Marokkanen een apart ras zijn, dan wel een eigen godsdienst of levensovertuiging hebben.

Dan nu over de toegepaste beperking. Het te ruime ‘groep’ werd dus aanvankelijk (1971) vervangen door slechts een drietal specifieke kenmerken (ras, godsdienst, levensovertuiging). Maar waarom koos men toen niet al meteen voor aansluiting bij artikel 2 van het al twee decennia bestaande UVRM? Waarom volhardde men in slechts drie groepen? Kamerleden hadden bezwaar tegen die in hun ogen overmatige beperking.

Met een beroep op de vrijheid van meningsuiting legde de regering dit bezwaar naast zich neer. In de memorie van antwoord staat het als volgt: “Het strafrecht (…) kan slechts in geringe mate bijdragen tot het oplossen van maatschappelijke spanningen. Toepassing ervan kan zelfs leiden tot verscherping van het conflict. Voorts is de vrijheid van meningsuiting in het geding. Elke onnodige beperking daarvan is te verwerpen. (…) Aan een limitatieve opsomming (van ras, godsdienst of levensovertuiging; ovj’s) zouden wij willen vasthouden.” (pagina 106-107 alhier, mijn vet)

Ah, de destijdse regering had een punt, denk ik dan. Zij voorzagen eerder verscherping van conflicten dan voorkoming van achterstelling. (De achterliggende bedoeling van het artikel was geworden om olievlekwerking van een belediging te voorkomen, dus om vòòr te zijn dat méér mensen negatief over groepen gingen denken en dan hen gingen discrimineren, bijvoorbeeld op de arbeidsmarkt.) Een latere regering vond de lijst toch wel net even te beperkt. In 1992 werden enkele groepen expliciet toegevoegd, maar ‘nationaliteit’ kwam er ook toen niet bij, waarvan akte.

Artikel 137c (1992/nieuw) Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie. (zie pagina 101 alhier)

Zou het kunnen zijn dat met name de rechterlijke macht over die inperking de pee in had? Hadden officieren van justitie en rechters toch zo hun eigen idee over te beschermen groepen? Hebben zij sindsdien misschien willens en wetens allerhande groepen met veel gekunstel willen laten vallen onder het begrip Wilders in verweer tegen zijn vervolging‘ras’ teneinde toch te kunnen komen tot een veroordeling? Ach, de vraag stellen is de vraag beantwoorden.

Er wordt door het OM en de rechters in dit proces gesteld dat zij conform artikel 137c moeten handelen en dat critici van de uitspraak dan maar moeten pogen om de wet te laten veranderen. Dat lijkt mij toch echt de boel omdraaien. Het is juist aan degenen die willen dat valse kritiek op, of belediging van nationaliteit een vervolgingsgrond moet kunnen zijn om te trachten de wet te veranderen. Juist op basis van de huidige wet moet Wilders in hoger beroep absoluut worden vrijgesproken!

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s