Politiechef Martin Sitalsing maakte een knieval

Martin Sitalsing, neef van Sheila Sitalsing, is politiebaas van Midden-Nederland. Dat is een ronduit hoge positie binnen het politiekorps. Sitalsing heeft iets heel doms gedaan. Collega’s, vooral de lagere in rang, namen hem dat heel kwalijk, maar de nòg hogeren houden hem toch de hand boven het hoofd. Wat is het geval?

Martin Sitalsing heeft de knieval gedaan; zie de foto. Die foto heeft hij vervolgens zelf gepubliceerd op LinkedIn. (Waarom toch op LinkedIn? Dacht hij echt dat het zijn CV ten goede zou komen?) Op dit moment is de foto trouwens weer verwijderd. Zoals gesteld waren er veel (lagere) collega’s die hem de knieval zeer kwalijk namen. Hun kritiek drong half tot hem door en hij bood een soort van verontschuldiging aan:

Hij probeert dus eronderuit te komen door te suggereren dat het knielen blijkbaar “steeds politieker gemaakt is”. Dat is toch wel een heel merkwaardig verweer. Immers, het was al vanaf het allereerste voorval een superpolitiek statement.

Het op de knieën gaan begon met Colin Kaepernic in 2016, en meteen ontbrandde een heftige strijd toen ook Trump zich erin mengde. De VS raakte verdeeld in twee kampen: enerzijds degenen die Kaepernic een held vonden en hem gingen nadoen, en anderzijds degenen die hem zagen als iemand die het nationale volkslied onteerde. Immers, hij deed de knieval juist tijdens het spelen van dat volkslied; een moment waarop je geacht wordt te staan met de hand op je hart. Nou, als dàt geen politiek statement is…

Ongelooflijk dat korpschef Sitalsing niet al meteen het politieke van het statement inzag. Hij mag dan wel denken dat hij middenin de hedendaagse maatschappij staat, maar ik moet constateren dat hij er dan wel in rondloopt met een waas voor ogen.

Even erg is dat de andere hoge pieten van het politiekorps hem niet streng terug hebben gefloten. Sterker, wat te denken van de volgende uitspraak van zijn collega van het hoge noorden. Uit een artikel van de NRC:

… Dat geldt ook voor Gery Veldhuis, politiechef van Noord-Nederland. Hij heeft geen bezwaren tegen collega’s die knielend mee demonstreren tegen racisme: „Ik heb ze gezien en ben trots op ze.”

Het lijkt me dat ook deze politiechef te ver is gegaan.

Het is tijd voor solidariteit

De overheidsmaatregelen die de coronacrisis moesten bezweren hebben maar deels succes gehad. Wellicht had onze regering de hoop dat die maatregelen na een maand of wat wel weer helemaal van tafel konden en dat het gewone leventje dan weer zou aanvangen. Niets van dat alles echter. Er zijn nog steeds maatregelen en het ziet er ook niet naar uit dat die heel snel worden opgeheven. De N.O.W. was niet alom rechtvaardig, maar in elk geval voorkwam het dat er al meteen harde economische klappen zouden vallen. Maar nu die regeling afloopt blijkt het hek van de dam.

Zeker, er is een proportionele groep werkenden die financieel niet echt bedreigd wordt. Maar er is ook een ruime groep die zeer hard gaat worden getroffen. Een groep die òf gaat worden ontslagen òf in uren sterk achteruit gaat òf salaris moet inleveren. Voor de ontslagenen wacht een (korte) periode van WW. Voor beide andere groepen wacht waarschijnlijk helemaal niks. De kans dat het UWV hen die er in uren op achteruit gaan of uurloon moeten inleveren, zal willen compenseren acht ik vrijwel nul. Er tekent zich een buitengewoon onrechtvaardig scenario af: Zekere groepen blijven op hun huidige inkomensniveau, andere groepen gaan het gelag betalen. En we laten het gebeuren, want de verontwaardiging erover heeft nog geen heftige vormen aangenomen. Bij de vakbonden begint men een heel klein beetje te ontwaken, maar bij de politieke partijen die van oudsher opstonden voor de arbeiders blijft het tot nu toe muisstil. Denk dan met name aan partijen als de PvdA en de SP. Het lijkt wel alsof die partijen denken dat het vangnet van de WW zijn werk zal doen. Dat zijn dan wel ijdele gedachten. Zoals al aangegeven zijn er minstens twee groepen die met WW niet geholpen zullen worden, terwijl voor de andere groep die WW maar kort zal duren.

Waar is de solidariteit? Degenen van wie de baan onaangetast zal blijven houden zich momenteel muisstil. Zijn ze misschien onderbewust bang dat ook hen zal worden gevraagd een financieel steentje te gaan bijdragen? Degenen die deze dagen te horen krijgen dat ze uren moeten inleveren, zijn als de dood om daarover boos te worden. Zijn ze bang dat het door hun bazen wordt opgevat als gebrek aan loyaliteit met het bedrijf, dat immers toch zo duidelijk aangaf in zwaar weer te zijn en wel te moeten korten om te ontsnappen aan een faillisement? En geldt idem voor degenen die gedwongen worden vele procenten salaris in te leveren? En de directies van de bedrijven die in zwaar weer zitten? Die staan hun personeel in de kantine toe te spreken met het zweet op het voorhoofd, duizendmaal excuses makend aan hun personeel dat de maatregelen hen zo zwaar vallen.

Waar is de solidariteit? Waarom ontstaan er geen demonstraties met als motto “dat we het niet pikken”? Dat is omdat de werkers in dit land nog niet door hebben om welk type solidariteit het dit keer moet gaan. Het moet gaan om solidariteit van alle werkers met elkaar. Het moet niet gaan om demonstraties van alleen werkers in de horeca of andere sector die in zwaar weer zit. Het moet niet gaan om alleen werkers van bedrijven die zeggen zich gedwongen te voelen sterk in te krimpen vanwege een verwachte sterke achteruitgang in de omzet. Het moet gaan om ALLE werkers, dus ook om hen die zich nu gewoon veilig voelen. Degenen die zich nu veilig voelen moeten beseffen dat ze alleen maar veilig zijn omdat ze de mazzel hebben te werken op een plek die deze keer toevallig buiten schot bleef. Ze moeten beseffen dat misschien juist zij een volgende keer de klos zijn. Wat u niet wilt dat u geschiedt, laat dat ook een ander niet geschieden.

Ja, de ultieme consequentie van het hier gevraagde type solidariteit is dat ook degenen die veilig op hun werkplek zitten tòch het nodige gaan inleveren. Dat is trouwens géén pleidooi voor een algemene loonsverlaging. Je kan namelijk ook denken aan een tijdelijke belastingmaatregel. Ook is het geen pleidooi om maar iedereen in dienst te houden, zelfs als er onvoldoende werk te verzetten is. Wel is het een pleidooi om ons idee van de WW ruimer te gaan opvatten. Maar er zijn ook andere ideeën waarover nagedacht moet gaan worden. Eén zo’n idee is dat de verhuurprijs van bedrijfsruimte voortaan contractueel wordt gekoppeld aan de hoogte van de omzet. Een periode als die we de afgelopen maanden hadden leidt dan tot een sterke reductie van de huurprijs; de verhuurder doet dan maar een paar maanden langer over de aflossing van zijn hypotheek. Banken zullen aan zo’n constructie moeten meewerken, net zoals ze het de ondernemer in last ook mogelijk moeten maken de aflossingstermijn van leningen te verlengen.

Ook de WW moet anders aangepakt worden. Er is de afgelopen tientallen jaren hard aan gewerkt om werklozen te ontmoedigen werkloos te blijven. Op zich begrijpelijk, maar toch wel een probleem als de maatschappij er maar niet in slaagt het beschikbare werk zodanig te verdelen dat we met recht kunnen spreken van een maatschappij waarin de inkomensverschillen binnen de perken blijven en slechts veroorzaakt worden door factoren waar de mensen zelf wat aan kunnen doen.

Het is tijd voor een reveil van juist de partijen die socialisme hoog in het vaandel hebben. Die moeten trouwens niet de denkfout maken dat het nu een mooi moment is om ‘de sterkste schouders het meeste te laten dragen’ en dat het dus terecht is dat degenen die driemaal modaal verdienen gevraagd wordt veel meer procenten in te leveren dan degenen die één keer modaal verdienen. Nivelleren hebben we in dit land geregeld door er ons belastingstelsel op af te stellen. Dat moet genoeg zijn.

Maar ook andere meer op het individu focussende partijen hebben de morele plicht om de oneerlijkheid die dreigt te helpen bestrijden. Neem de liberalen. Het liberalisme gaat meer dan het socialisme uit van eigen verantwoordelijkheid. Maar het vindt het ook belangrijk dat alle individuen grosso modo dezelfde kansen krijgen. Dezelfde kansen bieden is al evenzeer een vorm van solidariteit betuigen. Hier ligt een mooie taak weggelegd om de samenwerking met socialisten te zoeken. Ja, er zullen bij dat samenwerken zeker irritaties over en weer zijn. Zo valt te verwachten dat een PvdA en SP zullen willen toewerken naar internationale solidariteit, terwijl een PVV en FvD zullen willen focussen op solidariteit die eerst en vooral binnen de landsgrenzen ligt. Het is in essentie de discussie wat solidariteit eigenlijk omvat, hoever die solidariteit moet strekken. Wat mij betreft is het eerst en vooral een kwestie van een sociaal contract tussen mensen dat ze onderling afspreken en waaraan ze zich daarna allen te houden hebben. Een sociaal contract heb je eerder afgesloten binnen een land dan tussen landen, laat staan met de rest van de hele wereld. Vandaar dat ik voorstel dat ook de PvdA en de SP zich voorlopig focussen op Nederland.

Institutioneel racisme volgens Wikipedia

Wikipedia is een belangrijke bron voor vrijwel alle mensen die er toegang toe hebben. Het lijkt elke encyclopedie in elke boekenkast binnen twee decennia volstrekt overbodig te hebben gemaakt. Er zijn ook nauwelijks online concurrenten. Dat is niet in de laatste plaats omdat de mensen het idee hebben dat Wikipedia zijn taak serieus opvat en daarom niet alleen betrouwbaar de feiten noemt, maar ook alles van meerdere kanten wil belichten. Maar is dat vertrouwen wel altijd terecht?

Laatst zocht ik uit wat Wikipedia verstaat onder ‘institutioneel racisme’. Er werd me een ellenlange verhandeling gepresenteerd. Die verhandeling al lezende bekroop me het gevoel dat deze eenzijdig, dus vanuit een zekere bubbel, geschreven was. Het was net alsof iemand ooit een boek, promotie-onderzoek of scriptie over institutioneel racisme geschreven had en de inhoud daarvan nu min of meer integraal op Wikipedia had gedropt. Wat ik vooral miste was de sectie waarin wordt uiteengezet hoe diverse personen en groeperingen het begrip definiëren en ertegenaan kijken. Wel bleek me dat er zeer actuele gebeurtenissen werden genoemd, over de recente BLM demonstraties en zelfs een recente uitspraak van Rutte over institutioneel racisme.

Wat was er gebeurd? Ik ging maar eens kijken bij de geschiedenis. Wat bleek: het lemma was pas kort geleden (rond 2 juni) aangemaakt en er was sindsdien veel energie gestoken in het verder schrijven ervan. Wat ook opviel was dat dit schrijven voornamelijk was gedaan door één enkele hotshot van de Nederlandse Wikipedia-gemeenschap, ene Ellywa. Anderen hadden wel gepoogd zich erin te mengen, maar dat leek ze niet echt gelukt. Zo is er het volgende commentaar (overigens niet van Ellywa) te vinden:

Versie 56633754 van Wickey (overleg) ongedaan gemaakt. Dit begint op vandalisme te lijken. Dat het artikel jou niet bevalt, is inmiddels wel duidelijk, maar daar ga jij niet in je eentje over

Er blijkt dus een behoorlijke hiërarchie te heersen. Die hiërarchie is natuurlijk niet voor niks ontstaan; zonder zou een willekeurige nitwit naar believen kunnen editen en zo binnen de kortste keren het beeld van een betrouwbare bron om zeep kunnen helpen. Maar hoe zit het dan met de kijk op zaken van degenen die een artikel vorm geven, en dan met name van degene die hoofdverantwoordelijk is voor de eerste versie?

Ellywa heeft een lange staat van dienst en zit hoog in de hiërarchie. Je mag dan hopen dat Ellywa een grote drijfveer heeft om een lemma te schrijven dat door zoveel mogelijk mensen wordt gewaardeerd als zo objectief mogelijke voorlichting. Is Ellywa zo iemand? Ik durf dat te betwijfelen, althans in dit geval. In een van de allereerste versies noemt Ellywa een viertal voorbeelden van institutioneel racisme in Nederland. Wat blijkt, daar zou ook Zwarte Piet onder vallen. Eén commentator was het ermee oneens en Ellywa schrapte dat voorbeeld vervolgens. Maar het zegt wel iets over de mindset van Ellywa aangaande het onderwerp. Die specifieke mindset blijkt trouwens ook uit de verdere bespreking van het onderwerp. Het begint al bij de definitie (versie van 7 juli):

Institutioneel racisme of geïnstitutionaliseerd racisme is het systematisch uitsluiten, marginaliseren en discrimineren van bevolkingsgroepen[door formele of informele regels vanuit “instituties”. Daarbij speelt het geen rol of de actoren binnen deze instituties opzettelijk handelen of niet. Onder instituties wordt verstaan alle organisaties en structuren binnen de samenleving, inclusief abstracte begrippen zoals “de rechtstaat” of “de gewoonten”.

Deze definitie is flink anders dan de definitie die ik – en met mij vele anderen – hanteer. Mijn definitie zou ongeveer zo kunnen worden verwoord:

Institutioneel racisme is het discrimineren van rassen door instituties op basis van wetten of reglementen.

Kortom, bij mij geen referentie naar informele regels, ‘structuren in de samenleving’, gewoonten en mate van opzettelijkheid. Instituties zijn officiële organisaties, geen vage ‘structuren’. Ook geen referentie naar bevolkingsgroepen die tot eenzelfde ras behoren. Bij mij is racisme het discrimineren van mensen van een ander ras, waarbij het niet de bioloog is die bepaalt wat een ras is, maar de gewone mens. Als een groep meent dat er sprake is van aparte rassen en verder meent dat een bepaald ras inferieur is en gediscrimineerd mag worden, dan noem ik dat racisme. Naast racisme onderscheid ik andere vormen van discriminatie. Als Nederlanders de Belgen inferieur achten en daarom menen ze te mogen discrimineren, dan heet dat bij mij geen racisme, maar is het natuurlijk wel een probleem.

Institutioneel racisme is dan alleen dàt racisme dat wordt gepleegd door de instituties op basis van de wetten of van reglementen. Het kan zeker zo zijn dat alle racisme uit de wetten en reglementen is verwijderd en dat er desondanks toch nog steeds binnen de instituties mensen zijn die discrimineren op basis van racistisch ideeëngoed. Echter, dat heet bij mij niet langer institutioneel racisme. Dat zijn dan de naweeën van een tijdperk dat er ook vanwege wetten en reglementen gediscrimineerd werd, maar institutioneel mag het bij mij niet meer genoemd worden. We zouden het wel post-institutioneel racisme kunnen noemen.

Van mijn definitie zal je echter, in welke variant dan ook, helemaal niets terug gaan vinden in het lemma dat Ellywa geschreven heeft. Dat is een echt probleem, want zo creëert Wikipedia een ‘definitie’ die tot heftige verontwaardiging en tweespalt leidt. In discussies en debatten zullen opponenten eindeloos blijven soebatten over de juiste definitie, en ze zullen gewoon niet echt nader tot elkaar gaan komen. Het zal de polarisatie alleen maar verder laten toenemen.

Met het artikel van Ellywa is trouwens ook iets anders mis: het is veel te lang. Wie op Wikipedia even wil opzoeken wat er nou eigenlijk wel en niet wordt verstaan onder institutioneel racisme, wordt daar geconfronteerd met een ellenlange tekst die zowat de hele aardbol erbij betrekt. En, kan je nagaan, dan ontbreekt nog de sectie waarin kritiek op de definitie wordt besproken. Zo’n ellenlange tekst is niet alleen ontmoedigend lang, maar maakt het bovendien voor critici ervan een hele opgaaf om gedetailleerde kritiek te leveren. Ellywa is gewoon te ver gegaan. Niet alleen in het eenzijdig benaderen van het onderwerp, maar ook in het maar uitbreiden en uitbreiden. De volgende fase zou echt moeten zijn dat er flink wordt ingekort, bijvoorbeeld door al die informatie over specifieke landen weer te verwijderen. En ja, dat er toch ook wordt uitgebreid, door de kritiek op de definitie op te nemen.

Ziehier het lemma op Wikipedia.


Nabrander: In het lemma wordt geregeld teruggegrepen op het rapport over Nederland van de ECRI, een instituut van de Europese Commissie dat ons om de zoveel jaar moet beoordelen wat betreft racisme en intolerantie. Over die ECRI en dat rapport schreef ik vorig jaar. Zie hier en hier.

Ben je homo of transgender en word je gediscrimineerd? Doe een beroep op je sekse!

Pres. Lyndon B. Johnson tekent de 1964 Civil Rights Act, terwijl Martin Luther King Jr. en anderen toekijken.

Ook de Volkskrant bericht vandaag over de uitspraak van het Hooggerechtshof van de VS: homo mag niet worden ontslagen. Het gaat om de Civil Rights Act die discriminatie verbiedt. De lhbt-beweging viert het als een overwinning. Maar wie is er dan ‘overwonnen’?

Het zou gaan om een overwinning op Trump en nog zo wat krachten. Hoezo dan? Wat beweerden die dan? Beweerden die dat homo’s ontslagen mogen worden? Het zal toch niet? We mogen toch wel aannemen dat er altijd een goede, andere reden moet worden aangevoerd wanneer je een homo wilt ontslaan? Of is Trump echt een homofoob?

Zo simpel blijkt het bij nader beschouwing inderdaad niet. Trump en nog zo wat krachten, waaronder juristen, voerden aan dat eerst de Civil Rights Act moet worden aangepast voordat er met een beroep op juist dat document door een homo bezwaar wordt gemaakt tegen ontslag. Zij stellen dat het document uitspraken doet over ‘DISCRIMINATION BECAUSE OF RACE, COLOR, RELIGION, SEX, OR NATIONAL ORIGIN‘ en daarom vooralsnog geen betrekking heeft op homo’s en transgenders. Zij stellen dat een homo of transgender geen beroep op dit document kan doen; niet vanwege ras, kleur, religie of nationaliteit en ook al niet vanwege sekse. Zij stellen dat sekse simpelweg het geslachtskenmerk bij geboorte betreft, meer niet. Zij stellen zodoende dat het document erop aangepast zou moeten worden.

Nu heeft dat Hooggerechtshof bepaald dat beroep op discriminatie vanwege sekse voldoende is en dat aanpassing helemaal niet nodig is.

Dat alles doet me sterk denken aan een ander stuk jurispudentie. Jurispudentie die nu alweer enkele decennia zorgt voor heel veel misnoegen in de maatschappij. Misnoegen over rechterlijke uitspraken. Ik wijs hier op hoe er wordt omgegaan met het begrip ras. Onze rechters verstaan daaronder ook etnische, culturele en nationale verschillen, tot grote ergernis van velen. Een duidelijk voorbeeld was de ontstentenis van velen toen Wilders werd veroordeeld op basis van ons artikel 137c. Het kon toch niet waar zijn dat de rechters hem veroordeelden voor racisme, terwijl het om Marokkanen ging? Marokkanen die weliswaar een andere etnische groep zijn, ook een andere nationaliteit (mede) hebben, en een eigen cultuur uitdragen. Maar een ander ras? Dat was nieuw. Nee, zei de rechter, artikel 137c is echt voldoende. Waarbij ze zich bovendien baseerden op internationale wetten waaraan ze zich hebben te houden.

Vanaf nu kunnen in de VS homo’s en transgenders die zich gediscrimineerd voelen dus een beroep doen op discriminatie vanwege hun sekse! Je zou haast denken dat er aparte seksen zijn bedacht. Naast man en vrouw hebben we voortaan homo, transman, transvrouw en vast nog wel meer vormen. Het moet niet gekker worden.

Hoeveel beter zou het zijn als de Civil Rights Act enigszins aangepast zou worden. Het zou een hoop gedoe in de toekomst schelen, want velen zullen die onlogische en gekke definitie van sekse nooit en te nimmer gaan accepteren. Waarom toch zeggen die rechters van dat Hooggerechtshof niet simpel dat het inderdaad beter is die Act wat aan te passen? Wat zit daar achter?

“Schokkend incident in Buffalo”, zegt ons stokende NOS-journaal

Vanavond vond ons NOS-journaal het van belang om het hierbovenstaande “schokkende incident” te tonen. Uit het verdere commentaar:

“Een aantal agenten werkt een man van 75 hardhandig tegen de grond. […]”

Nou, dan is er maar één conclusie die de kijker van de journaalredactie mag trekken: Wéér laat het Amerikaanse politiekorps zien hoe gewelddadig het wel niet is. Kijk eens hoe schandelijk hier een bejaarde man omver geschoffeld wordt.

Toevallig denk ik daar totaal anders over. Er is helemaal geen sprake van ‘hardhandig tegen de grond werken’. Er is sprake van een grote, weerbare, gezond uitziende man die de herhaaldelijke instructies om daar weg te gaan negeert en uiteindelijk een lichte duw krijgt. Daarbij komt hij ongelukkig ten val. Er wordt wel degelijk heel snel ambulancehulp voor hem geregeld.

Er is sprake van een ongelukkige val na een terechte duw. Wie het allemaal anders interpreteert, heeft een ‘agenda’ en heeft onvoldoende respect voor dit politiekorps. Het betreft hier een mobiele eenheid die een instructie heeft gekregen. De instructie luidt de demonstranten iets terug te dringen. Daarbij mag het uiteraard aandringen, ook met zo’n duw.

Twee agenten zijn hangende een onderzoek geschorst, zonder doorbetaling van salaris. Dat staat hun chefs niet fraai. Wie wil er nou bij een korps werken waar je chef je reeds bij zo’n duw schorst.

Van Emy Koopman mag niet iedereen meepraten over sekse en gender

Nikkie Tutorials – Zondermeer een mooie ‘meid’. Maar kan ‘ze’ als ‘hij’ wil morgen weer een ‘vent’ zijn?

Vandaag een opiniestuk in De Volkskrant. Emy Koopman levert zo haar bijdrage in het debat over transvrouwen en ander gendervolk. De titel lezend meende ik een dapper betoog te mogen gaan lezen: “Durf kritisch te zijn over sekse en gender“. Dat viel behoorlijk tegen! Sterker zelfs, ze waagde het om een échte kritiek af te serveren als transfoob. Afgelopen januari had in Trouw ene Caroline Franssen onder de titel “Wijziging Transgenderwet brengt de veiligheid van vrouwen in gevaar” een mijns inziens zeer geldige kritiek op in elk geval transvrouwen geformuleerd:

Franssen: “Er zijn goede redenen om mensen met mannenlijven (en XY-chromosomen) toegang te weigeren tot vrouwentoiletten, vrouwenkleedkamers, vrouwenopvang, vrouwengevangenissen en vrouwensport. Die voorzieningen bieden meisjes en vrouwen privacy en veiligheid.”

Helaas vond Emy Koopman het bij nader inzien “vermomde transfobie” die vooral géén podium moet krijgen:

Koopman: “Als juist dit soort ‘gendercritici’ met hun vermomde transfobie een podium krijgen, is dat zonde voor ons allemaal. Het is kwetsend voor de transgemeenschap, die het signaal krijgt dat ze nog meer op haar hoede moet zijn.”

Vervolgens probeert ze een kader te formuleren waarbinnen men dient te blijven in het debat. Treedt men daarbuiten, dan is men dus, in de ogen van Koopman, transfoob. Als ik Koopman goed heb geïnterpreteerd, dan zal haar criterium zijn dat eerst en vooral volmondig moet worden erkend dat transmensen het heel moeilijk hebben en ook wettelijke rechten moeten hebben verder door het leven te gaan als transvrouw of transman. Pas wanneer dat erkend wordt mag iemand van haar meepraten in het debat.

De directe aanleiding tot de discussie over de transmens is een wetsvoorstel van minister Sander Dekker die een aanpassing van de Transgenderwet wil. Hij wil dat iedereen voortaan zelf zijn geslacht mag bepalen, zonder artsenverklaring. De wet stamt uit 2014 en het wijzigingsvoorstel uit december 2019. Logisch dus dat er in januari discussie over ontstond.

Ik ben het met Koopman eens dat het een gevoelig thema is. Je kan rustig stellen dat het een soort lakmoesproef is. Mensen staan al snel lijnrecht tegenover elkaar. Aan de ene extremiteit zijn daar de mensen die het allemaal hartstikke zielig vinden voor de transmensen en het wetsvoorstel zien als een noodzakelijke voorwaarde voor het ontsnappen aan de slachtofferpositie. Aan de andere extremiteit zijn daar de mensen die het hele idee van een transmens de grootst mogelijke flauwekul vinden en vinden dat je biologische staat bij de geboorte is vastgesteld en punt uit. Heel veel mensen nemen een standpunt in ergens tussen die extremiteiten, maar de kans is klein dat iemand echt helemaal in het midden gepositioneerd is. Daar speelt bij mee dat het verstand en het gevoel elkaar flink in de weg kunnen zitten. En sociale wenselijkheid zal ook vast van invloed zijn op de positie die iemand in het openbare inneemt. Vertoef je veel in progressieve kringen te Amsterdam? Dan zal je naar je contacten toe niet snel zeggen dat je genderrechten maar niks vindt. Vertoef je juist veel in conservatieve kringen op het platteland? Dan is de kans flink dat je er vooral ‘transfobe’ grappen over maakt.

Koopman wil met name de ‘transfoben’ uit het debat weren. Ik wil dat die mensen juist niet geweerd worden. Ook die ‘conservatieve plattelanders’ (tussen haakjes, want ik bedoel het niet letterlijk) moeten goed gehoord worden. Mogelijk zijn hun woorden niet altijd even academisch, maar er zijn zeker wel academisch goed onderlegde debaters die netjes kunnen uitleggen waarom het, volgens hen, onverstandig is om de wet alwéér op te rekken.

Emy Koopman haalt Hongarije aan als land dat vindt dat transgenders niet mogen bestaan:

In een wereld die is ingericht op twee geslachten, lopen […] minderheden voortdurend tegen problemen en discriminatie aan. Dat bleek weer uit de recente beslissing van de Hongaarse overheid om haar burgers alleen te registreren op basis van hun ‘geslacht bij geboorte’ en hun de mogelijkheid om dit te wijzigen te ontzeggen. Je kunt allerlei geslachtsoperaties hebben doorstaan en al tientallen jaren als vrouw door het leven gaan, maar in Hongarije word je er door die wetswijziging elke keer dat je je moet identificeren mee geconfronteerd dat anderen je zien als man. Transgenders mogen in Hongarije officieel niet bestaan.

Ze laat er geen twijfel over bestaan dat ze Hongarije laakt. Ze doet het voorkomen alsof die positie een middeleeuwse is. De waarheid is echter dat die positie tot voor kort in de hele wereld gold én dat die positie in àlle vroegere eeuwen overal de enige was. En daarmee is ook deze positie er eentje die met alle rede zeker in het debat een voorname plaats moet hebben. Elke poging om mensen die deze positie innemen voor te stellen als belachelijk ouderwets en fobisch is op zich respectloos.

Degenen die de conservatieve positie innemen zeggen niet dat transgenders niet mogen bestaan. In de hele geschiedenis heeft pakweg, of hooguit, 1 procent van de bevolking willen leven als transmens, al werd dat toen nog niet zo genoemd, en mocht dat in sommige landen ook best. Maar er is nooit een land geweest waar zo iemand bij wet werd omgezet naar de andere sekse. Dàt is echt een uitvinding van deze eeuw. Een uitvinding waar mensen best wat van mogen vinden. Of zelfs heel wat. En wie daar heel wat van vindt, is daarmee niet meteen een transfoob, in de zin dat de transmens als zodanig wordt gehaat. Het is in de eerste plaats een gevoel van afkeer over wetsaanpassingen zoals die van minister Dekker.

De rechter en de critici

Is deze rechter politiek of moreel links?

Rechters. Ze komen ook voor in het Oude Testament, te weten in het boek Rechters. Het beschrijft hoe de Israëlieten na de verovering van Kanaän een aantal eeuwen geleid werden door wat ze Rechters noemden. Die Rechters moeten echter niet verward worden met onze huidige rechters. Zij spraken niet recht, maar waren vooral leider, ook militair leider. Er zijn theologen en gelovigen die het beter achten om niet te spreken van Rechters, maar van Richters. Die term kan je best letterlijk nemen; het waren tijdelijk leiders die richting gaven aan het volk. Het boek Richters (volgens hen dus de betere term) zou vooral bedoeld zijn om aan te tonen dat het volk telkens weer ontaardde nadat de richting gevende leider overleden was. Waarna er weer een nieuwe Richter door God werd gezonden om opnieuw orde op zaken te stellen. Het was als het ware de inleiding tot de volgende fase waarin koningen het overnamen. Koningen die dan door troonsopvolging zorgden voor meer continuïteit.

Rechter versus Richter

Een Richter stelde dus orde op zaken en leidde zo een nieuwe periode van ‘vrede’ in. Vrede tussen haakjes, want de vorm van orde op zaken stellen kon nogal verschillen. Misschien kwam een Richter met een heel wijze – zeg maar rechtvaardige – oplossing waar beide kampen vrede mee konden hebben. Maar het kon ook zomaar gebeuren dat de Richter gewoon een van beide kampen liet onderdrukken, of nog erger. Waarna er ‘als vanzelf’ weer een nieuw normaal ontstond waarover in elk geval de ‘winnaars’ zeer tevreden waren. En zolang de Richter leefde werd er streng op toegezien dat de ingezette richting werd gevolgd. Maar na overlijden van de Richter ontaardde er dan al snel een nieuwe ‘richtingenstrijd’.

Tot zover de Bijbel. Het zal nu duidelijk zijn dat het met onze huidige rechters behoorlijk anders gesteld is. Ten eerste, wij kennen vele rechters, ieder gespecialiseerd. Ten tweede, onze rechters zijn geen leider, laat staan militair leider. Ten derde, ze geven geen richting aan – want dat doet de politiek – maar moeten zorgen voor een juiste toepassing van de door de politici aangegeven richting. Merk op dat ik hier niet noemde dat ze moeten zorgen voor rechtvaardigheid. Zij passen de wet toe. Als er in de wet een artikel staat dat onrechtvaardig is, dan moeten zij evengoed conform dat artikel oordelen, wat je schertsend zou kunnen typeren als ‘onrecht spreken’. Het heeft de politiek nodig om te bereiken dat zo ongeveer iedereen zal vinden dat er echt recht gesproken is, dat er een rechtvaardig oordeel geveld is.

Dus niet rechtvaardigheid. Maar wat dan wel?

We hopen dat rechters zo de orde en rust bevorderen. We zien echter dat nogal wat mensen na menige rechterlijke uitspraak eerder onrustig raken en best wel in zijn voor maatschappelijk protest, wat al snel tot wanorde leidt. Het is een indicatie die twee dingen kan betekenen.

Het kan zo zijn dat die mensen het toegepaste wetsartikel onrechtvaardig vinden. Het kan ook zo zijn dat ze menen dat de rechter het toegepaste wetsartikel foutief heeft toegepast. Niet altijd is de beschuldigende vinger juist gericht. Een bekend geval is dat de rechter een verwijt krijgt. Dan zien we altijd dat de collega’s en bazen van die rechter het voor hem of haar opnemen en stellen dat het oordeel van de rechtbank onvermijdelijk moest volgen uit de wetsartikelen. Soms hebben ze daarin gelijk en dan is de beschuldiging verkeerd gericht geweest. Maar de critici van het rechtsoordeel zijn maar zelden echt kortzichtig. Zij hebben dan wel degelijk ook gekeken naar de toegepaste wetsartikelen en stellen ontsteld vast dat die artikelen gewoon verkeerd zijn toegepast. Er ontbrandt dan een interpretatiestrijd. Mogelijk volharden de rechters erin dat alleen hun interpretatie juist is. Of ook zij erkennen dat er interpretatieverschil mogelijk is. In beide gevallen zullen zij doorverwijzen naar de politici, die de wet dan maar moeten aanpassen. Het doorverwijzen naar de politiek is een soort van laatste middel om het vege lijf te redden. En wanneer erkend wordt dat er interpretatieverschil in het geding is, is dat welhaast een schuldbekentenis. Er wordt zo immers toegegeven dat het oordeel van de rechter ook anders had kunnen luiden.

Politieke en normatieve voorkeur

Met name in die laatste situatie wordt vaak verondersteld dat de rechter zich heeft laten leiden door een eigen politieke of normatieve voorkeur. Immers, waarom anders zou de rechter hebben gekozen voor die ene interpretatie? Het zal toch niet zo zijn dat de rechter ten langen leste een dobbelsteen had opgegooid? Het kan ook zo zijn dat de rechter in de toe te passen wetsartikelen geen interpretatieruimte waarnam, terwijl anderen die artikelen wel degelijk anders interpreteren. Rara, hoe kan dat zo gebeuren? Is het zo dat rechters in hun opleiding leren welke wijze van lezen de enige juiste is en dat gewone burgers bij gebrek aan die opleiding de artikelen toch anders lezen?

Eén voorbeeld springt me meteen te binnen. In de wet wordt gesproken over racisme. Voor het gros van de gewone burgers verwijst die term alleen naar discrimineren van rassen. Voor rechters verwijst het echter naar een breder spectrum. Zij scharen er ook discriminatie onder van etnische groepen en nationaliteiten. Een rechter zal zodoende een racisme-artikel gebruiken bij discriminatie van een nationaliteit, terwijl een flink deel van de burgers de veroordeling zal afdoen als absurd. De rechter zal zeggen dat we dan maar de wet moeten aanpassen. De verbijsterde burgers zullen zeggen dat de rechter de wet te breed interpreteert en naar zijn eigen politieke voorkeur toepast. Wie heeft gelijk? Beiden een beetje?

Een ander voorbeeld. Er is de afgelopen eeuw veel energie gestoken in het zodanig aanpassen van de wet dat minderheden expliciet beschermd worden tegen ‘de tirannie van de meerderheid’. Misschien zijn die aanpassingen wel zo grondig doorgevoerd dat er soms gesproken mag worden van ‘de tirannie van de minderheid’. In de tijd van de Richters ging het vooral om rust en orde (en trouw aan God). Misschien gaf een enkele Richter best wel om het lot van een minderheid, maar niet omdàt het een minderheid was. In theorie is dat ook nu nog niet het geval: een minderheid wordt niet voorgetrokken omdàt het een minderheid is. En idem wordt een meerderheid niet (langer) voorgetrokken omdàt het een meerderheid is. Formeel zijn tegenwoordig allerlei ‘rechten van groepen’ vastgelegd en wordt erop toegezien dat die rechten gelden ongeacht de omvang van de groep. Een gevolg van deze vorm van formuleren van de wet is dat rechters geen speciale waarde meer hoeven toe te kennen aan de mening van de meerderheid. De mening van de meerderheid heeft wel een rol bij politieke besluitvorming, maar niet bij toepassing van de wet, zo stelt de rechter. De rechter zegt te oordelen ongeacht de grootte van de groep die er een beroep op doet. Als naar het oordeel van de rechter het beroep op de wet correct is, dan kunnen andere groepen – zelfs al gaat het om de overgrote meerderheid van het volk – hoog of laag springen, maar wijst de rechter het beroep toe. ‘Meerderheid’ is in de wet niet langer een argument. ‘Normaal’ lijkt niet langer een argument. ‘Traditie’ en ‘gewoonte’, het lijken niet langer argumenten. Dat alles leidt tot een zekere verwarring.

Wat wel en wat niet in de wet staat

Zo staat er in de wet dat minderheden het eigen cultureel erfgoed mogen behouden. Dat wordt door menig rechter uitgelegd als het recht van zo’n groep om er eigen normen en waarden op na te mogen houden. Het logische gevolg van zo’n uitleg is dat de normen en waarden van autochtonen – vooralsnog zijnde de grootste groep – niet langer meerwaarde hebben bij het vellen van het oordeel. Of het moet zo zijn dat de in het geding zijnde normen en waarden zèlf in de wet genoemd worden, want dan kan de rechter er alsnog niet omheen. Maar geregeld gaat het om normen en waarden die niet expliciet benoemd worden en waant de rechter zich vrij om de minderheidsgroep zijn zegen te geven. Wanneer vervolgens autochtonen of andere groepen daarover klagen, dan zal de rechter antwoorden dat het oordeel de consequentie is van hoe de politici de wet hebben geformuleerd. Waarna enzovoort.

Zijn onze rechters vooral links?

Hele volksstammen zijn ervan overtuigd dat onze huidige rechters een voorkeur hebben voor een toch wat linkse, progressieve uitleg van de wet. Dit in tegenstelling tot in vroeger tijden toen dat omgekeerd ervaren werd; toen heerste het gevoel dat rechters vooral rechts en conservatief waren. Klopt het beeld van de rechter die vast en zeker minstens D66 stemt?

Het zou kunnen zijn dat de hedendaagse wet inderdaad rechters geen andere ruimte laat dan te oordelen zoals ze oordelen. Als dat zo is, dan moet het zo zijn dat de wet in de loop van de afgelopen tientallen jaren op punten zo is herschreven dat slechts een linkse, progressieve uitleg mogelijk is. (Of de wet was op zo’n punt altijd al links en de vroegere rechters namen er een loopje mee.) Toch is dit niet waarschijnlijk. We zijn niet alle afgelopen decennia slechts door linkse partijen geregeerd. Rechtse partijen hebben mede de wetten beïnvloed. Zij waren er toch bij om een eenzijdige linkse invulling te voorkomen. Zij hebben toch niet zitten slapen? Vast niet.

Het lijkt me waarschijnlijker dat rechters toch niet weten te ontsnappen aan hun eigen, subjectieve politieke of normatieve ideaalbeeld van de wereld. Dat ze er niet echt in slagen ‘neutraal’ te oordelen. Neutraal, het is me ook nogal wat. Wat moeten we daaronder eigenlijk verstaan? Vrijwel geen rechter zal zich kunnen vinden in een definitie die uitgaat van koudbloedigheid, compassieloosheid, totale afwezigheid van empathie of koele berekening door een computer op basis van macrocijfers zonder inachtneming van specifieke kenmerken van het te beoordelen individu. Waarschijnlijker verstaat menig rechter onder neutraal dat er sprake is van zich juist wél kunnen inleven (compassie en/of empathie), maar dan in beide tegenover elkaar staande partijen, waarbij dat inleven ook weer niet te diep mag gaan en er bovendien ook nog gekeken moet worden naar het effect op de maatschappij. Prima, maar dat is toch wel een wat ver gaande definitie van neutraal. En je kan je ook dan nog steeds afvragen of die verdeling van de compassie en empathie wel echt onpartijdig was. Een mens kan wel denken onpartijdig erin te staan, maar het kan haast niet anders dan dat de eigen politieke en normatieve voorkeur meespelen. Zelfs bij rechters. Hoe zit het eigenlijk met die voorkeur van rechters? Even los van de ‘vraag’ of ze erin slagen die te negeren bij hun oordelen.

Is het raar om te veronderstellen dat menig huidig rechter zich in de jeugdjaren ophield in linkse, progressieve kringen? Links was vooral vroeger ongelooflijk goed in ludiek of iets minder ludiek protesteren. Dat zien we steeds minder vaak. Links heeft de macht en kracht ontdekt van het bewandelen van het juridische pad. De afgelopen 50 jaar heeft het steeds beter door gekregen dat er heel veel te bereiken is via rechtspraak. Links spant nu vaker dan ooit de ene na de andere rechtszaak aan en toont zich uiterst bedreven in het naar voren brengen van de volgens een jurist steekhoudende argumenten. Het wint de ene na de andere rechtszaak. Vinden zij wellicht ook een erg gewillig oor bij de rechter omdat die rechter zelf in de jeugd actief was binnen links en die voorkeur nog steeds heeft, al wordt die niet in het openbare leven toegegeven? Zijn deze rechters niet gewoon een loot aan de boom van linkse mensen die werk hebben gemaakt van de ‘stille mars door de instituties’?

De stille mars door de instituties? Of eerder Darwin’s evolutietheorie?

Wanneer we spreken over de stille mars door de instituties, dan wordt dat door linkse mensen al direct afgedaan als een verzinsel en een complottheorie. Is het een complottheorie? Er zijn inderdaad rechtse mensen die het een complot noemen. Anderen, waaronder ik, zijn daarvan niet helemaal overtuigd. Wel zijn er aanwijzingen dat machtige linkse mensen in de loop van de geschiedenis, ver uit de openbaarheid, bij elkaar hebben gezeten en dan in alle stilte probeerden te komen tot een strategie om essentiële posities te bezetten binnen politieke partijen, media, universiteiten en andere publieke instituten. De mate waarin die strategie is geslaagd valt per definitie moeilijk vast te stellen, want het waren immers verhulde operaties. Wel zeker is dat het geen operaties waren die vanuit één centraal comité werden geleid. Dan waren het meerdere complotten, niet een enkel complot. Dat geeft evengoed ruimte aan degenen die blijven volhouden dat er complotten gesmeed zijn. Toch is het waarschijnlijk dat er ook een andere mechanisme heeft gespeeld: Zoals Darwin’s evolutietheorie de evolutie van de natuur verklaart, zo kan die theorie ook verklaren dat bepaalde sectoren zijn volgelopen met linkse, progressieve mensen, terwijl andere sectoren juist rechtse, conservatieve mensen aantrokken. De mate waarin dit mechanisme invloed had is waarschijnlijk groter dan die van ‘de complotten’.

Wellicht zochten linkse jongeren eerder de rechtenstudie op, terwijl rechtse jongeren zich op een mooie baan in het bedrijfsleven voorbereidden met een studie bedrijfskunde. En zo kon het gebeuren dat de rechterlijke macht ook om die reden volliep met links. Waarna ze dan tijdens hun studie ‘afzwakten’ naar D66. Een ‘afzwakking’ die op zich wel interessant is om nader te onderzoeken. Is dat omdat toch met het toenemen van de jaren ook de ‘wijsheid’, ‘mildheid’ en ‘weldenkendheid’ toenemen en daarmee een radicale linkse positie wordt verlaten? Of is het vooral om de kans te vergroten dat je wordt ervaren als neutraal, c.q. politiek ergens in het midden, om daarmee je kans te vergroten door de ballotage heen te komen?

Polarisatie

Hoe dan ook allemaal, het door de rechters afwijzen van de kritiek heeft ertoe geleid dat er een sterke polarisatie is ontstaan. Als het waar is dat er sprake is van een ‘stille mars door de instituties’, dan zou je de ‘rechtse’ critici nog kunnen aanraden zich idem te gaan organiseren, dus idem complotten te smeden, om te infiltreren in de instituties. Maar helaas voor hen, het lijkt erop dat die critici van nature gewoon niet in staat zijn hun krachten te bundelen. Wellicht is Darwin’s theorie als verklaringsmodel toch de betere en zit deze niet mee. Of zij vrezen onderbewust zèlf ooit te worden beschuldigd van een ‘verfoeilijke’ stille mars door de instituties en beginnen er om die reden maar niet aan. Hoe dan ook, ook na tientallen jaren kritiek blijkt er weinig of geen onderling strategisch overleg te zijn, anders dan in steeds te klein verband. Overleg waar zou kunnen worden besloten om elkaar niet steeds de maat te nemen, om stichtingen te vormen, om serieuze media op te richten.

Critici die elkaar meer dan de maat nemen

De ‘rechtse’ critici vormen te weinig stichtingen die de rechterlijke institutie bevragen. En er waren onder hen maar weinigen die uit politieke interesse rechten gingen studeren met de bedoeling door te dringen tot de orde van de rechters. Enkelen hebben een kritisch medium opgericht en zijn er nu hoofdredacteur van. Echter, een aantal van hen staan hun veronderstelde bondgenoten geregeld naar het leven. Menig hoofdredacteur blijkt niet slechts kritisch vermogen te hebben, maar ook een bijzondere dunk in het eigen gelijk. In jezelf geloven is mooi, maar wanneer je bovendien geen enkele moeite ermee hebt om zelfs je veronderstelde bondgenoten af te zeiken, dan is dat niet best. Dan valt er niet echt mee samen te werken. Ongelooflijk ook hoe opkomende ‘rechtse’ politici eerst door ‘rechtse’ media worden gekoesterd en in het zadel worden gehesen en een jaar later van het paard worden afgeschoten. Wat altijd opvalt aan deze hoofdredacteuren is dat ze dankzij hun grote taalvaardigheid prima columns kunnen schrijven over alles wat er in de wereld gebeurt, maar dat ze tezelfdertijd diezelfde taalvaardigheid ook rustig inzetten om veronderstelde bondgenoten af te zeiken.

Conclusie?

Kunnen we op grond van het hierboven geschrevene een andere conclusie trekken dan dat dingen genuanceerder liggen dan menigeen ons voorhoudt? Vast niet. Maar dat wil nog niet zeggen dat we er dus maar beter helemaal niks van moeten vinden. Degenen die onze rechters een groot probleem vinden zullen toch op een of andere manier moeten gaan nadenken over de betere strategieën om daar wat aan te doen. Zo het ernaar uitziet zal dat niet kunnen zonder enige opoffering van het eigen ego. Ja, het eigen gelijk zou weleens een tikkie beter kunnen zijn dan dat van een ander die om morele en praktische steun verlegen zit en grosso modo helemaal niet zo afwijkend denkt over de echt belangrijke zaken. Maar een tikkie beter duidt op een tikkie andere koers, niet op een geheel andere koers. En iemand niet helemaal mogen zou toch geen reden moeten zijn om helemaal met die ander te breken? Het moet toch mogelijk zijn om veronderstelde bondgenoten te steunen, ook als ze je wereldbeeld niet tot in de kleinste details delen of niet helemaal je vrienden zijn?

Maar goed, misschien is dat voor sommigen toch een brug te ver. Met name het autoritaire type verlangt van anderen inschikkelijkheid en is zelf daartoe niet in staat, c.q. niet bereid. Is het autoritaire type makkelijk te herkennen? Het taalvaardige autoritaire type kan zeer overtuigend en charismatisch overkomen en aanvankelijk een grote schare fans opbouwen. Zolang het zijn zin krijgt is er niets aan de hand. Het autoritaire blijkt vaak pas als er zich een ander aandient die de samenwerking zoekt. Het autoritaire type zal aanvankelijk ja zeggen als het denkt daarmee de eigen invloed flink te kunnen uitbreiden. Maar zodra de nieuwe bondgenoot iets zegt dat niet past in het eigen verhaal, zal het proces van afzeiken aanvangen. Afzeiken dat na verloop van tijd leidt tot het scheiden der wegen, veelal op initiatief van degene die wordt afgezeken.

Mijn advies is dat we bij het zoeken naar bondgenoten onze sensor voor autoritaire types op scherp stellen en die types òf mijden òf inkapselen qua macht en positie. Het is niet anders: De niet-autoritairen zullen leiderschap moeten verbinden aan mensenkennis en de ‘teams’ evenwichtig moeten samenstellen. Noem het kartelvorming, noem het zuilvorming, noem het groepsvorming, breng het onder in stichtingen, in verenigingen. En houd de onverdraagzame, autoritaire, zelfingenomen types heel goed in de gaten.

Waar had ik het ook alweer over? Oh ja, over rechters. Of nee, toch niet. Ik had het over de critici van rechters. Die waren het hoofdonderwerp in dit artikel. En de conclusie is dat het een goede zaak zou zijn als die critici professioneel de handen ineenslaan en de inhoud van de kritiek coördineren.

Columnist krijgt kritiek van onbekende onbetekenende briefschrijver

De columnisten van de Volkskrant in 2018. Waar is de foto van 2020?

Nu ook ik meer thuis zit en minder werkuren maak, neem ik weer vaker de moeite een kritiek op te sturen naar de krant, in mijn geval De Volkskrant. De beslissing om de ingezonden tekst te plaatsen is geheel aan de brievenredactie; meestal is dat een negatieve. Het kan natuurlijk zo zijn dat mijn kritiek echt inconsistent of te zeer waanzinnig of haatopwekkend is. Maar ik betwijfel dat, want dat zijn zaken waarop ik goed let. Goed, het verweer van de brievenredactie is standaard dat er gewoon teveel reacties binnenkomen. Waar ik dan denk: creëer er dan ook meer ruimte voor en offer desnoods maar wat ruimte van columnisten.

Columnisten zijn bij deze krant ruim voorhanden. Voordeel voor de krant is natuurlijk dat je die als hoofdredactie veel beter in de hand hebt. Schrijven ze voor de derde keer een naar stuk, dan neem je gewoon afscheid. Net zoals ik hebben die columnisten graag invloed en dus houden ze zich vast wel in en schrijven ze voldoende naar de mond van de redactie om niet weggestuurd te worden. Maar toch ook zijn die columnisten dan weer niet zo makkelijk te corrigeren door schrijvende lezers. Waarom zouden ze ook, die lezers betalen weliswaar hun krant via een abonnement (vergelijk: “wij belastingbetalers…”), maar ze hebben niet de macht die de hoofdredactie wèl heeft. Dus je als columnist echt wat van die brievenschrijvers aantrekken? Neuh, da’s niet de bedoeling. “Niet voor niks ben IK de columnist”, zal de columnist denken. “Men stelt MIJN mening op prijs en DUS hoef ik niet te wijken voor de mening van een willekeurige lezer.”

Tegenwoordig hebben meer en meer columnisten hun volkskrant-mailadres erbij staan. Je kan je kritiek dan rechtstreeks sturen of hen bij CC vermelden. En het gebeurt ook wel dat de brievenredactie zelf de mail doorstuurt aan de columnist. Die dan, schijnbaar heel open-minded, terugreageert en er een piepkleine mailwisseling komt. Die dan al snel door de columnist wordt beëindigd met iets van “We verschillen blijvend in opvatting. Hartelijke groet“.

Het afsluiten met een variant op “let’s agree to disagree” is natuurlijk een prima manier om een debat dat oeverloos dreigt te worden te beëindigen. De opponent wordt zo keurig in zijn waarde gelaten en de kans is groot dat die opponent met het voorstel akkoord gaat; zo blijven beiden in hun waarde en kunnen ze daarna nog rustig een biertje drinken, bij wijze van. Maar als het al in een heel vroeg stadium wordt gezegd, dan is het alleen maar een manier om het debat al in de kiem te smoren, dus nog voordat het echt confronterend, en dus vermoeiend, wordt.

Mogelijk krijgt een columnist na elk stukje wel tientallen van zulke reacties en kan hij of zij het zich niet permitteren om elke geworpen handschoen tot discussie op te pakken. Maar wat hier ook zal spelen is het argumentum ad verecundiam, het argument dat een autoriteit meer respect zou verdienen en daarom eerder geloofd moet worden. Dat kàn terecht zijn, maar ook onterecht. In dat laatste geval is het een drogreden. Men kan verwijzen naar een ander als autoriteit, maar men kan ook zichzelf als autoriteit zien. Met name dat laatste zal menig columnist van zichzelf vinden ten opzichte van een onbekende en dus wellicht onbetekenende briefschrijver.

De vraag die ik me dan stel is of de columnist ook zo zou hebben afgesloten als de briefschrijver een nog grotere autoriteit ware geweest.

Je kan je ook afvragen waarom De Volkskrant bij menig columnist het mailadres vermeldt. Zou dat zijn omdat er eigenlijk voornamelijk complimentjes en bevestigende aanvullingen worden verwacht?

De anderhalvemetermaatschappij, zie je het voor je?

Zie je het voor je? Het kantoor dat recent een metamorfose naar een kantoortuin met flexwerkplekken onderging, heeft wederom een metamorfose ondergaan. De buro’s staan nu ruim van elkaar af en menige flexwerker heeft een eigen muis en toetsenbord in de eigen locker liggen, want die zijn er niet langer bij de buro’s. De schoonmaakster ontsmet elke avond elk buro en elke monitor. Toch is er geen tekort aan buro’s ontstaan, want menigeen werkt vanuit huis waar dat voorheen niet mocht.

Zie je het voor je? Het restaurant heeft de tafels ruim van elkaar af gezet. De prijzen zijn erop aangepast, niet langer alleen bepaald door het bestelde, maar ook door de tijd dat de klanten de tafel bezet houden. Een tafel de godganse avond bezetten is daarmee heel duur geworden. Er zijn ook meerdere instapmomenten, van laat in de middag tot laat in de avond. Zo kunnen toch nog veel mensen uit eten.

Zie je het voor je? In de bioscopen zijn de rijen sterk verruimd en in plaats van enkel stoelen is er nu sprake van banken van diverse breedte. Mensen reserveren niet langer stoelen, maar banken. Tussen de banken is uiteraard veel loze ruimte gekomen.

Zie je het voor je? Ook in de stadions zijn de stoelen vervangen door banken van diverse breedte, terwijl van elke twee rijen er eentje is opgeheven. De vakken voor staanplaatsen zijn omgetoverd tot vakken met banken. Stadions hebben hun capaciteit zien halveren.

Zie je het voor je? Idem zijn de stoelen in theaters en concertzalen omgezet naar banken. Verreweg de meeste zijn tweezits. Zalen voor 300 man kunnen nu nog maar 100 man bergen, want niet alleen is elke oneven rij verdwenen, maar ook moet er veel ruimte blijven tussen de tweezits banken.

Zie je het voor je? Bankjes in parken mogen alleen nog worden bezet door mensen die elkaar kennen.

Zie je het voor je? Een café vereist voortaan een cafépas waaruit blijkt dat je in de nabijheid woont.

Zie je het voor je? Op terrassen mag je niet langer gaan aanzitten aan een tafel waar reeds minstens één ander zit. En tussen de tafels – inclusief de omringende stoelen – is een grote afstand verplicht.

Zie je het voor je? Op de stranden mogen elkaar vreemde mensen niet meer binnen anderhalve meter van elkaar af liggen. Euh, wacht eens, dat deden ze toch al nooit, dus daar verandert niets. Maar waarom mag men nu dan niet naar het strand? Waarom worden we ervan geweerd?

Zie je het voor je? De stoelenrijen in vliegtuigen zijn omgebouwd tot ruime coupés voor enkelingen, paren en families. Het onboarden neemt veel meer tijd in beslag, want dat gaat dan echt per coupé. Vliegen is door dit alles veel duurder geworden, wat heeft geleid tot een lager aantal passagiers. Dat heeft echter niet geleid tot minder vluchten, want per vlucht zijn het veel minder passagiers. Het negatief effect van de luchtvaart op het milieu is daarom helaas niet afgenomen.

Zie je het voor je? Allemaal maatregelen die voorlopig misschien wel ietsje werken tegen het coronavirus. Maar wat nu bij een virus dat een net even ander verspreidingsmechanisme hanteert? Gaan we dan wederom de maatschappij helemaal anders inrichten?

Complotdenken, haat, propaganda, nepnieuws en desinformatie

Wat in dit filmpje wordt gesteld lijkt allemaal redelijk. Maar wie bepaalt of er echt sprake is van complotdenken, haat, propaganda, nepnieuws of desinformatie?

De Volkskrant heeft deze zaterdag een interview van Haro Kraak met Nikita Malik, een blijkbaar vermaard terrorismeonderzoeker uit London. Zij zegt zinnige dingen en toch had ik bij het lezen op de nodige momenten mijn bedenkingen. Wat is hier aan de hand?

Het zou natuurlijk kunnen zijn dat het niet meer dan normaal is dat een geïnterviewde én zinnige én onzinnige dingen zegt. Toch zoek ik liever een andere verklaring. Ik denk dat zij dingen zegt die in algemene zin zinnig zijn, maar dat ze in de gegeven voorbeelden geregeld de plank misslaat, naar mijn idee dus.

Malik – pas 31 jaar – ‘monitort de duistere hoeken van het internet, op zoek naar extremistisch materiaal‘, zo schrijft Haro Kraak. En ‘met haar bevindingen stapt ze naar overheden en techbedrijven zoals Facebook en YouTube en adviseert hen in de strijd tegen complotdenken, haat, propaganda, nepnieuws en desinformatie‘, zo schrijft Kraak verder. Uit het verdere artikel blijkt dat die overheden en bedrijven ook daadwerkelijk wat hebben gedaan met alle adviezen. Ik deel de mening dat die strijd gevoerd moet worden en zou dus blij moeten zijn met haar inspanningen en behaalde resultaten. Maar, zoals gezegd, de voorbeelden stemden me niet blij. Integendeel, er bekroop mij het gevoel dat we hier te maken hebben met een interviewer en geïnterviewde die partij zijn en dat zelf niet door hebben.

Wie denkt dat complotdenken, haat, propaganda, nepnieuws en desinformatie objectieve begrippen zijn, heeft het mis. Het is niet zo dat complotten in het geheel niet bestaan. Het is dus ook niet zo dat iedereen die ergens een complot meent te ontwaren dùs kwalijk denkt en dùs zo goed mogelijk genegeerd moet worden. Het is ook zeker niet zo dat degenen die van haten beschuldigd worden zich daarin wel kunnen vinden. Sterker, veelal voelen ze zich dan diep gekrenkt en totaal onbegrepen. Idem wanneer een organisatie of groepering wordt verdacht van het verspreiden van propaganda, nepnieuws of desinformatie. Zeker, het kàn zo zijn dat een organisatie of groepering welbewust nepnieuws verspreidt en desinformatie rondstrooit in het volle besef dàt het nepnieuws en desinformatie is. Maar wat nu als dat niet de opzet is?

Uit het artikel maak ik op dat YouTube de algoritmes de afgelopen jaren zo is gaan afstellen dat filmpjes met complotdenken, haat, propaganda, nepnieuws en desinformatie zo goed mogelijk worden verwijderd of anders in elk geval niet meer simpel gevonden kunnen worden. En bovendien, dat het algoritme in die gevallen niet langer ‘nog meer van datzelfde’ aanraadt; een algoritme dat er eerder voor zorgde dat het mensen met nog meer en nog extremistischer filmpjes in aanraking bracht.

Ik billijk deze aanpassing van het algoritme en ben er zeker blij mee dat het heeft geleid tot een soort van uitbanning van filmpjes van bijv. jihadisten. (Zulke filmpjes zijn nog niet helemaal weg, maar ze worden sneller verwijderd en voor zover ze mogen blijven staan minder makkelijk gevonden.) Toch vraag ik me in alle redelijkheid af of het niet ook heeft geleid (of zal leiden) tot uitbanning en verbanning van filmpjes die bij objectieve beschouwing géén complotdenken, haat, propaganda, nepnieuws of desinformatie zijn.

Wie gaat controleren of de nieuwe instellingen van het algoritme wel zo eerlijk zijn?