Lezen met goede wil

Momenteel lees ik een boek van Sid Lukkassen. Het leest voor mij makkelijk weg omdat de stof voor mij zeer herkenbaar is. Er zijn aanknopingspunten te over. Eigen ervaringen en overdenkingen, geregeld verwoord in mijn eigen artikelen, maken het mij makkelijk de woorden uit het boek te duiden. Toch zijn er ook paragrafen in het boek die ik met goede wil lees. Zou ik dat niet doen, ofwel zou ik met kwade wil lezen, dan zou ik na een aantal keer mogelijk het boek dichtslaan en in de kast wegstoppen, ver weg van mijn favorieten.

Goede wil, het is een mindset, denk ik. Een mindset die erop gericht is wat je leest, hoort en ervaart positief uit te leggen. Het is een houding die je in feite alleen nodig hebt als iets op meer dan één wijze uitgelegd kan worden. Een overduidelijke woordkeuze (ik beperk me voor nu even tot het geschreven woord) van een auteur zorgt ervoor dat een goede wil bij het uitleggen niet nodig is. Dus daar waar een goede wil wèl aangesproken wordt, is sprake van een onduidelijke woordkeuze. Duidelijk?

Van wetenschappers – waaronder filosofen (de moeder van de wetenschap, toch?) – mag worden verwacht dat ze hun schrijfsels hebben ontdaan van alle onduidelijkheid. Maar mag dat ook worden verwacht van manifesten en politieke beginselprogramma’s? Ja, zullen velen zeggen. Toch is menig manifest en beginselprogramma evengoed vergeven van de plekken waar goede wil nodig is. Waarschijnlijk heeft dat te maken met opstellers voor wie bepaalde woordkeuze volkomen vanzelfsprekend en overduidelijk is; zij kunnen zich niet inleven in degenen die de woorden vaag of zelfs kwalijk vinden. Het kan ook zijn dat het de opstellers een biet zal zijn hoe hun tegenstanders zullen oordelen; zij willen voor nu vooral preken voor eigen parochie.

Er is wel een groot probleem met passages die een goede wil vereisen: tegenstanders lezen ze met kwade wil en proberen je dood te gooien in discussies met hun kwade uitleg. Het leidt tot ongemakkelijke gesprekken en veelal betreft het slechts kleine problematiek aan de randen. Het kernprobleem komt dan helemaal niet meer ter sprake.

Een totaal willekeurig voorbeeld van een totaal willekeurige pagina uit het boek (“”Kerkgangers en zuilenbouwers”), uit een dialoog:

“Het linkse fascisme begint me steeds meer te storen. Nu krijg ik zelfs al negatief commentaar wanneer ik een post van jou like….”

Ik lees het met goede wil. Ik meen te weten waaraan de gesprekspartner refereert met de term ‘linkse fascisme’. Het is niet zo dat hij linkse mensen echte fascisten vindt. Hij zoekt naar woorden die iets van uitdrukking geven aan zijn gevoel dat bepaalde linkse mensen hem proberen uit te stoten omdat hij een andere mening dan de hunne heeft. Maar iemand met kwade wil zal denken hier te maken te hebben met een ultrarechtse galspuwer.

In dezelfde dialoog, op de vraag hoe zijn vrienden zijn:

“De achtergrond is zeer divers … Ze hebben allen gemeen dat ze een linkse opvoeding ondergingen met een moeder die de broek aan heeft en feministische trekjes heeft.”

Nou nou, denkt dan degene die met kwade wil leest. Hier komt de ware aard van deze persoon bovendrijven: een anti-feminist. En heel misschien is die persoon dat ook wel. Toch blijkt uit zijn latere woorden dat hij niet zozeer anti-feminist is, maar vindt dat sommige verworvenheden van het feminisme zijn doorgeslagen. Wie met goede wil bovenstaande woorden las, wist (of hoopte) dat zulke genuanceerdheid bij doorlezen zou blijken.

Met goede wil lezen betekent dat je met je uiteindelijke oordeel nog een tijdje wacht, bijvoorbeeld tot nà uitlezen en verwerken van het boek. En ook dat je randopmerkingen niet groter maakt dan ze zijn. In elk boek of manifest is wel een kritiekpunt te vinden dat aangevallen kan worden.

Met kwade wil lezen betekent dat je al heel snel besluit het boek te gaan afkraken. Daarin onderscheidt het zich van kritisch lezen. De kritische lezer zal zich willen focussen op de kern, niet op randopmerkingen. In feite kan een auteur meer leren van een kritische lezer dan van een lezer die van goede wil is, zelfs als die kritische lezer uit een ander kamp komt. Van kritiek leren is niet idem aan het overnemen van alle kritiek. Het effect kan ook beperkt blijven tot bijstellen van woorden of zelfs bijstellen van de richting (in tegenstelling tot compleet omgooien van die richting). Er niets mee doen is natuurlijk ook een mogelijkheid. Soms is de kritische lezer uit het kamp dat juist door de auteur zelf wordt bekritiseerd. Dan is een kritiek mogelijk niet veel meer dan een poging het eigen kamp te verdedigen.


Advertenties

In een democratie is een meerderheid niet zomaar genoeg

Is in een democratie 51 procent voldoende? In de praktijk wordt zelfs 50,1 procent al voldoende gevonden. Toch is het dat niet.

Aan de basis van een democratie ligt het idee ten grondslag dat het volk bij elke belangrijke beslissing betrokken moet zijn, zich erover uitspreekt en daarmee het laatste woord heeft, waarbij de stem van de meerderheid bepalend zal zijn. Maar waarom is dat eigenlijk? Waarom is dat principe ooit bedacht? Er zijn mogelijk meerdere grondgedachten, maar twee dringen zich op. De eerste is dat alle mensen gelijkwaardig zijn en er een rechtvaardigheidsmoraal moet gelden. De tweede is dat de samenleving gebaat is bij vrede en gedeelde normen en waarden die de voor het samenleven noodzakelijke eendracht bevorderen. Het is goed om beide grondgedachten gescheiden te houden, al zal menigeen beiden willen beamen.

Veel mensen hebben alleen maar gelijkwaardigheid en rechtvaardigheid in gedachten. Anderen is het slechts te doen om het vrede-bevorderend aspect van democratie. Misschien kunnen we de eerstgenoemden benoemen als idealisten en de anderen als realisten.

De grote vraag hier is hoe idealisten en realisten reageren op stembusuitslagen van rond de 50 procent. Leggen zij zich er, als ware democraten, bij neer? De praktijk leert dat dit zelden of nooit gebeurt. De winnaars vieren dan uiteraard feest. Maar hoe zit het met de verliezers? Die treuren aanvankelijk, en hun elite zal die gemoederen proberen te reguleren door hen ertoe te bewegen zich neer te leggen bij het verlies. Of niet, en dan wordt – we gaan uit van democraten – er een oproep gedaan om de strijd om de stem voort te zetten zodat bij de volgende verkiezingen de uitslag wèl een meerderheid oplevert. En in de tussentijd zal de minderheid al of niet openlijk blijven mokken; men legt zich bij de nederlaag niet echt neer. De idealist die verloor zal zeggen dat er geen rechtvaardigheid heeft gezegevierd. En de realist? Er zullen er zijn die zeggen dat dit nou eenmaal is hoe democratie werkt; zij sluiten zich daarmee eigenlijk aan bij de idealisten die wonnen. Maar er zullen andere realisten zijn die zeggen dat 51 procent ook gewoon te weinig is voor de zo noodzakelijke eendracht. Deze realisten zijn voorstander van een veel hoger percentage. Het percentage moet in hun ogen zo hoog zijn dat de verliezers op basis van de uitslag ècht eieren voor hun geld kiezen en de strijd ècht opgeven, althans voorlopig.

Probleem is dat die eerste groep realisten zal roepen dat je daarmee het eendrachtsprobleem niet oplost. Immers, zo zal deze groep zeggen, wat doe je dan als het percentage ergens tussen de 50 en, laten we zeggen, 66 procent uitkomt?

Verwacht van mij geen definitief antwoord hierop. Sterker, ik voeg, op dit punt aangekomen, liever nog een aanvullend probleem toe. Niet alle stemgerechtigden hebben evenveel belang bij de uitslag. Sommigen ervan hebben er totaal geen belang bij, anderen misschien een beetje en anderen mogelijk ontzettend veel. Men zou kunnen beweren dat juist degenen zonder enig belang er in alle nuchterheid over kunnen oordelen. Echter, in de praktijk verdiepen deze mensen zich amper of niet in het onderwerp of kunnen ze zich amper of niet inleven in het belang. Zij zijn dus niet automatisch objectieve, voldoende geïnformeerde stemmers; mogelijk doen ze maar wat. De voor- en tegenstanders die er een heel groot belang bij hebben kunnen fors in aantal zijn maar ook miniem. Met name als het een minieme hoeveelheid mensen betreft, is hun invloed qua percentage dus beperkt. Het bij onze interpretatie van democratie horende ‘één man, één stem’ pakt hier nadelig uit voor een minderheidsgroep die een groot belang bij de uitslag heeft. En zo kan het gebeuren dat zelfs een uitslag van 90 procent niet kan voorkomen dat een minderheidsgroep van 3 procent uiteindelijk géén eieren voor zijn geld kiest. Welk mechanisme in een (betere vorm van) democratie kan hieraan iets doen?

Verwacht van mij geen definitief antwoord hierop. In elk geval is toch aan die minderheidsgroep toegeven niet de beste reactie. Het zou namelijk zomaar kunnen gaan om een groep die door de meerderheid wordt veracht of – minder hatelijk – wordt gewantrouwd.

Lees ook wat Wikipedia over de gekwalificeerde meerderheid en de tirannie van de meerdeheid te zeggen heeft.

Of lees wat ik in 2014 schreef.

Tijd voor een tweede Balie?

De Balie, debatcentrum bij het Leidseplein. Het wordt momenteel aan de buitenkant opgeknapt (of lijkt dat maar zo?). Misschien moet het ook van binnen maar worden aangepakt, door een splitsing in een linker- en een rechtervleugel.

Journalist Hasan Bahara van De Volkskrant deed in de zaterdagkrant (koningsdag 27 april 2019) een serieuze poging om licht te doen schijnen over de schande die momenteel De Balie vanuit links-activistische hoek ten deel valt.

Die schande bereikte de reguliere media overigens pas nadat Mona Eltahawy de lezing die zij in De Balie zou geven afzegde, omdat ze was gaan twijfelen aan de integriteit van De Balie. Zij verweet De Balie een podium te geven aan extreemrechts geluid.

Aan de basis van dat verwijt ligt een debat ten grondslag van begin 2017 – waarop Eltahawy werd gewezen door Nederlandse linkse activisten – over de Islam met als titel ‘Waarom haten zij ons eigenlijk?‘. En dan gaat het met name over het deel van het debat dat ontstond toen Bernadette de Wit – als ‘vragensteller’ vanuit het publiek – zich erin mengde. Een transcript ervan, maar ook het hele debat als filmpje, is te vinden op de website van Republiek Allochtonië. De blijkbaar voor links-activisten schandelijke uitspraken zijn wellicht het beste te illustreren met dit gedeelte van het transcript, waar zij reageert op de vraag naar oplossingen voor de problemen die de (politieke) Islam met zich meebrengt. Ik heb het enigszins leesbaarder gemaakt, waarvoor ik begrip vraag.

Bernadette de Wit (vanuit de zaal): “De oplossing gaat uit van de gedachte van de macht van het getal. De oplossing is niet meer dan één a twee procent moslims per westers land. Peter Hammond, een Zuid-Afrikaanse historicus en priester, heeft via een heel eenvoudig onderzoekje, op basis van de CIA World Fact Book, een aantal kenmerken naast elkaar gezet, zoals het percentage moslims in het land, ook het percentage religieuze tolerantie, geweld tegen vrouwen, geweld tegen homo’s, geweld tegen de politie, geweld tegen hulpverleners. En zo kom je naarmate het percentage moslims stijgt uit op de brandende auto’s – zie de Franse banlieues, nu ook al bij ons in Wageningen en Veenendaal – ga zo maar door, en kom je [bij een bepaald percentage] dus uiteindelijk bij steeds meer sharia – denk aan de sharia-zones waar, in westerse steden, vrouwen niet meer ongehoofddoekt op straat kunnen lopen, vrouwen verdwijnen uit de openbare ruimte – en ga zo maar door. Totdat je uiteindelijk in landen komt waar het percentage moslims bijna honderd procent is. Dat is ook het doel van de islam, hè? En dan is er zogenaamd vrede, dat betekent: er zijn geen andere denkstromingen meer, in de zin van atheïsme, humanisme of boeddhisme of hindoeïsme of katholicisme. Dus de logische conclusie is: de macht, de macht op grond van het getal. [Acceptabel is nog] één of twee procent moslims per land, en dat moet je dus vertalen in ‘minder moslims’. Hans Jansen zei altijd “als je nou begint met het uitzetten van de beroepsmoslims”. Daar gaat een heel goed signaal van uit. Voor de gewone gematigde moslims zo van ‘wij moeten een beetje gaan dimmen’ en ‘wij moeten niet te veel eisen gaan stellen’. Eisen zoals op alle hogescholen ook gebedsruimtes voor mannen en vrouwen en dat de ramadan wordt nageleefd en dat er halalkantines komen, dat soort dingen. Dan gaan ze een beetje dimmen en dan gaan ze hun geloof in privé, thuis beleven en dan is het probleem gewoon opgelost.

Kern van de schande zou de uitspraak zijn over het voorgestelde uitzetten (“als je nou begint met het uitzetten van de beroepsmoslims”). Dat wordt zonder enige genuanceerdheid door (bepaalde) links-activisten uitgelegd als een oproep om te ‘deporteren’. Uit latere interrupties aan de microfoon blijkt dat De Wit niet bepaald denkt aan razzia’s en treinen die zo typerend door de Nazi’s werden ingezet. Zij denkt aan ‘beroepsmoslims‘, een term waarmee zij refereert aan radicaal-ideologische moslims en imams die in hun hart de Islam superieur vinden en boven de wet stellen, en hun Islam prediken onder de gematigde moslims. Verder denkt ze aan niet-westerse criminele jeugd die zich eerder laat inspireren door hun niet-westerse normen en waarden dan door de typisch westerse normen en waarden. Waarbij niet-westers min of meer synoniem is aan islamitisch.

Tot zover de problematiek waarover de journalist Bahara een artikel mocht schrijven. Bahara deed serieus zijn best de problematiek van meerdere kanten te benaderen. Toch, hij heeft voor het artikel alleen antiracisme-activist Frank van der Linde en Balie-directeur Yoeri Albrecht benaderd voor enig commentaar. De vraag rijst waarom hij niet ook bijvoorbeeld Paul Cliteur of Bernadette de Wit heeft benaderd. Dat vind ik een journalistieke misser en daardoor alleen al kan ik het artikel onmogelijk echt goed vinden. Maar er is nog een ander probleem met het artikel.

Met een iets andere politieke oriëntatie zouden bepaalde bewoordingen niet gekozen zijn en zou daarmee de eindindruk van het artikel een diametraal andere geweest zijn. Met name wordt nu de indruk gewekt dat het debat (in 2017) vanaf het moment dat Bernadette de Wit zich erin mengde ontspoord zou zijn. Haar oplossing om, als eerste stap in het terugdringen van de invloed van de Islam, beroepsmoslims uit te zetten, kan je interpreteren als serieus gemeend, als provocatie of als haat, al naar gelang je eigen ideeëngoed. Cliteur ging er als een serieus debater op in, Albrecht zag het achteraf als ongewenste provocatie en Frank van der Linde (was hij erbij?) vindt het haat. Of het ontsporing was is feitelijk geheel afhankelijk van iemand’s eigen positie in het politieke debat.

Door het als ontsporing te zien, krijgt Eltahawy de credits dat zij die ontsporing toch maar mooi onder ons aller aandacht heeft gebracht. Het is dit frame dat De Volkskrant neerzet. Echter, wie het géén ontsporing vond, maar juist een serieuze inbreng, vindt Eltahawy vanaf nu een ontspoord mens en voelt geen reden meer om haar andere ideeën tot zich te nemen, hoe goed die eventueel ook zijn. Ook de faam van De Balie krijgt vanuit alle zijden een knauw. Polarisatie heet dat. En in een verder polariserende ‘samenleving’ kan je erop wachten dat een tweede ‘Balie’ wordt opgericht, speciaal voor en door de ‘ontspoorden’.

Loco-burgemeester beschuldigd van racisme – Terecht?

Christian Schilcher, de van racisme beschuldigde loco-burgemeester. Tsja, zo’n leren jas, dat zegt natuurlijk wel wat. En hij kijkt ook flink zuur, toch? Toch?

Het volgende was vandaag in het Radio1 journaal van 6 uur, op minuut 2:36.

In Oostenrijk heeft de loco-burgemeester van de stad Braunau am Inn zijn functie neergelegd na een storm van kritiek op een gedicht van zijn hand, zegt correspondent Judith van de Hulsbeek: “Het is een gedicht dat in de lokale krant is gepubliceerd voor pasen en dat wordt geschreven vanuit het perspectief van een rat. Dat betekent eigenlijk zoveel als, als je hier nieuw bent moet je je òf aan ons aanpassen òf snel wegwezen en dan verderop in het gedicht schrijft-ie bijvoorbeeld ook nog dat het mengen van culturen altijd tot vernietiging leidt, en dat soort dingen.” De Oostenrijkse bondskanselier Kurz noemde het gedicht diep racistisch. De loco-burgemeester bood gisteren zijn verontschuldigingen aan en legde vandaag zijn functie neer. Ook stapte-ie uit de partij. Het OM onderzoekt nog of er grond is voor vervolging. (mijn vet)

Nou moet men mij maar eens gaan uitleggen wat er racistisch aan dat gedicht is. Voor men antwoordt, bedenk dat er werd begonnen met de notie dat er niets aan de hand is als er wordt aangepast. Met andere woorden, al ben je pimpelpaars of heb je een pompoenneus, wanneer je je gewoon aanpast ben je okay. Dat lijkt mij een standpunt dat racisme juist uitsluit. De stelling dat menging van culturen altijd tot vernietiging leidt, mag misschien wat overdreven zijn, helemaal onzinnig is deze niet. Vervang het woordje ‘altijd’ door een iets zwakkere term en je kan de stelling onderbouwen met meer dan genoeg voorbeelden uit de geschiedenis. Overigens is ook die stelling onmogelijk racistisch te noemen. Kritiek op andere culturen is doodnormaal voor wie gelooft in de eigen cultuur en deze wil beschermen.

Dit is wat Schilcher meer precies in het gedicht schreef.

“Net zoals wij hier beneden leven, zo moeten andere ratten dat ook doen, als gast of als migrant moeten zij met ons de manier van leven delen. Of zich anders snel wegscheren”

Zijn scherpslijpers vatten dat op als zou hij migranten wegzetten als ratten. Echter, ook dat verwijt slaat de plank mis. Immers, de migranten ziet hij als de ‘andere’ ratten die zich moeten aanpassen aan de reeds beneden levende ratten, de autochtonen.

Zou meespelen dat Hitler in dat stadje geboren is? Het zal toch niet?

Ik moet nu trouwens terugdenken aan Chlorophyl tegen de zwarte ratten, een strip uit mijn jeugd waar ik helemaal in opging. In 2015 schreef ik een blog waarin de strip ter sprake komt. Chlorophyl – zelf geen rat – had overigens alle reden om de zwarte ratten te vrezen. Er was werkelijk geen enkele zwarte rat die hij kon vertrouwen. Macherot tekende deze strip in de jaren 50. Zou er anno nu nog zo’n strip gemaakt kunnen én mogen worden? Wat mij betreft zeer zeker wèl. Maar ik vrees dat er vast de nodige deugmensen zullen protesteren met verwijzing naar stigmatisering van zwarte mensen.

Toeristen in het bloembollenveld, is dat erg?


Op deze werkelijk prachtige tweede paasdag ging ik met famile naar de bloembollenvelden rond Lisse. We meden uiteraard de files naar de Keukenhof. Het ging ons om de échte bloembollenvelden. We hebben ze gevonden, maar ook de toeristen weten ze te vinden. Die waren opvallend vaak met de fiets en dat is natuurlijk helemaal goed. Wat ook opviel was dat ze er niet voor terugdeinzen om selfies en kunstzinnige foto’s te maken door zich een meter of wat in de velden te begeven.

Deze foto plaatste de NOS vorig jaar bij een item over kwekers die het helemaal gehad hadden met selfies makende toeristen. Let op de kweker zelf, hoe uitgerekend hij zijn bloembollen vertrapt.

Er zijn bollenkwekers die dat maar niks vinden en een bord plaatsen waarop ze schrijven dat ze niet willen dat men zich in de velden begeeft. Sommige Nederlandse, langsrijdende fietsers veroordelen vervolgens luidkeels zelfs de toerist die het waagt om zich op de kale strook geestgrond aan de rand van het veld te begeven. Maar wat is er eigenlijk echt erg aan de toerist die zich een meter of wat in het veld begeeft? De velden bestaan uit stroken die van elkaar gescheiden zijn door een looppad van een kleine halve meter. Uitgerekend op die paden begeeft de toerist zich, zo bleek ons. Het lijkt me dat de schade daardoor nul is. En er is een belangrijk voordeel verbonden aan al die fotograferende toeristen. Zij nemen hun foto’s mee naar hun eigen land en delen die met vrienden en familie. Die gaan zelf ook geregeld op vakantie en zullen de bollenstreek in de weken van pasen dan zeker willen bezoeken. En ook voor de export van bollen lijkt me het tolereren van dit type fotografie alleen maar een geweldige en gratis marketing. Kortom, de bollenkwekers die zich met strenge borden tegen deze vorm van toerisme menen te moeten verweren moeten ophouden met zeuren. Ze leven van de export naar juist deze toeristen en de directe schade lijkt me ongeveer nul.



Hoe herken je de radicaal?

Demonstratie tegen Trump

Demonstratie tegen Trump door radicale mensen.

Wie mocht hopen dat ik de afgelopen tijd gederadicaliseerd ben omdat ik nog maar weinig blogde heeft het mis. Niet dat ik verder geradicaliseerd ben, trouwens. Althans, dit alles naar mijn eigen weten.

Het is maar de vraag in hoeverre een individu zich bewust is van eigen radicalisering. Dan zou je toch minstens het besef moeten hebben kort geleden, of zojuist, een fundamentele keuze te hebben gemaakt. Een keuze die maakt dat je vanaf dat moment ook andere, ervan afgeleide, keuzes gaat maken. Stel dat je je geloof in de parlementaire route steeds meer hebt verloren en ‘vandaag’ besluit dat die route een doodlopende is, dan zou je bij wijze van spreken een depressie kunnen voorkomen door meteen te besluiten dat de militante route maar eens gelopen moet gaan worden. Dat is dan een keuze met zeer vergaande consequenties voor allerlei aanverwante keuzes. Je zal niet langer geïnteresseerd zijn in pogingen om politici, bijvoorbeeld op Twitter, te overtuigen. Je zal niet langer anderen aanmoedigen om toch vooral te gaan stemmen en dan met name op die-en-die. Je zal ontvankelijker worden voor andere idem gedesillusioneerden. Redeneringen van sommige andere gedesillusioneerden zullen makkelijker dan ooit bij je binnenkomen, ook als die gestoeld zijn op slechte argumenten, halve waarheden en geconstrueerde verbanden. Misschien lees je hun boeken, maar in deze moderne tijd zullen hun ideeën je waarschijnlijk eerst bereiken Lees verder

De eerste kaping door migranten

Het is zover, de eerste kaping op volle zee door migranten is een feit. Zonet was dit op het NOS-journaal van 8 uur. In het eraan voorafgaande thema kwam nog een activist (Jelle Goezinnen, van Sea Watch) aan het woord die het had over het zeerecht dat ieder schip verplicht om hulp te bieden aan mensen die dreigen te verdrinken. Dat was volgens hem een recht waar niet aan te tornen viel en waarover ook “iedereen” het eens was.

Tsja, je zal maar kapitein zijn van een schip die ergens in de verre verte een gammele sloep met op iedere centimeter een mens waarneemt. Daar sta je dan, op de brug, turend met je verrekijker, in het besef dat je samen met je bemanning misschien net tot 10 man komt. En daar op die sloep tel je toch al snel iets van 50 man. En je hebt gehoord over kapingen op zee door migranten. Dan wordt het toch wel degelijk een rationele overweging om gewoon door te varen, toch? Toch!

Benieuwd wat die activist daarvan vindt. Heeft ‘ie vast nog nooit over nagedacht.

Samuel Veissière, professor aan McGill University, over de transgender-problematiek

Dit is een vertaling van ‘A Surfeit of Empathy and an Absence of Compassion‘ van Samuel Veissière.
Origineel gepubliceerd 9 december 2018. Vertaling 26 maart 2019.

The symbol of the transgender in hands on a cardboard plate, covTitel: Een overvloed aan empathie en een gebrek aan compassie

Ik ben een antropoloog en hoogleraar psychiatrie aan de McGill Universiteit (Canada, Montreal). Ik heb gepubliceerd, en wordt in de media uitgebreid geciteerd, over culturele evolutie, verslaving aan sociale media, de nieuwe internet-subculturen, sociale dimensies van cognitie en mentale gezondheid, en de impact van recente culturele wijzigingen in gender normen op het welbevinden van jonge mensen.

Als essayist en populair wetenschappelijk commentator heb ik uitgebreid geschreven over de evolutionaire basis van wat ons heden ten dage zoal bezighoudt, van tribalisme in de politiek tot culturele paranoïa in het licht van #MeToo en nocebo effecten in de medicalisatie van dagelijkse problemen. Tot nu toe ben ik erin geslaagd om schandalen Lees verder

Over profileren

profilerenDit stuk gaat over profileren, c.q. etnisch profileren. (De Engelstalige term Profiling dekt de lading eigenlijk beter, maar afijn.) Er zijn vast nog meer (tussen)standpunten over te formuleren, maar de volgende twee bespreek ik hier.
Standpunt 1 is dat (etnisch) profileren verboden is en met alle middelen moet worden tegengegaan. Standpunt 2 is dat profileren in bepaalde beroepen een onmisbaar hulpmiddel is, niet verboden is en dat òòk letten op etniciteit toegestaan moet worden.
Ik begrijp dat eerste standpunt prima. Het wordt in de media breed uitgedragen en de politie traint erop, ook dat laatste is mij bekend. In de wet wordt er het nodige over geschreven en menigeen meent zelfs dat profileren op zich al verboden is.. Maar de wet is ten eerste een weerslag van een debat dat op zeker moment gevoerd werd en is ten tweede niet zodanig geformuleerd dat er elke vorm van profilering mee wordt verboden. Het is dus een kwestie van interpretatie van die wet én van het blijven toetsen van de wet aan de (veranderende) praktijk. Bovendien kan er sprake zijn van nieuwe inzichten en zelfs van spijt over eerder gemaakte analyses die de wet beïnvloed hebben. Ook wetsregels mogen – na verloop van tijd – wederom ter discussie gesteld worden.

Er is een breed draagvlak voor het verbieden en tegengaan van etnisch profileren, maar dan hebben we het wel over de meest grove vorm ervan: Het aanwijzen voor controle – of ingrijpender: het aanpakken – van personen op basis van een groepskenmerk zònder òòk serieus te letten op andere factoren. Ik voeg me bij dat draagvlak. Volgens mij is de wet erop gericht juist dat type profileren tegen te gaan. En ook mag ik aannemen dat het dat type profileren is dat in de trainingen van politiemensen ter sprake komt. Maar ik bestrijd dat de wet zo bedoeld is dat er in het geheel niet gelet mag worden op groepskenmerken bij een individu. En als dat wèl zo is, dan zou die wet wat mij betreft moeten worden aangepast. Ook bestrijd ik dat de term ‘etnische profilering’ slechts op dat meest grove type betrekking heeft. Wat mij betreft kan de term ook gebruikt worden bij profilering die mede let op etniciteit.

In mijn wereldbeeld zijn we niet alleen individu, maar ook lid van vele groepen. De groepskenmerken zijn al of niet zichtbaar/waarneembaar bij het individu. Voor een aantal groepskenmerken geldt dat het niet zo simpel is je te ontdoen van de uiterlijke kenmerken. Een controversiële is huidskleur (welke dan ook), maar je kan ook denken aan een handicap, dik/dun, noem maar op. Sommige individuen willen zich vooral distantiëren van een groep waartoe zij van origine (bijv. etnisch) behoren, maar de meeste (denk ik) individuen zijn trots op een of meer van hun groepslidmaatschappen en doen er alles aan om bepaalde groepskenmerken juist goed zichtbaar uit te dragen. Onze maatschappij is behoorlijk tolerant en anders wel onverschillig; er is heel veel mogelijk zolang ‘iedereen’ zich maar aan een aantal basisregels houdt.

Echter, niet iedereen houdt zich aan de basisregels en daarom hebben we politie nodig. Die moet de orde handhaven, zo hebben we gezamenlijk besloten. Dat moeten ze uiteraard doen binnen de grenzen van de wet. Volgens mij doet de Nederlandse politie dat ook heel aardig en ze krijgen van mij veelal het voordeel van de twijfel bij twijfelgevallen. Wordt een getinte jongeman aangehouden voor pasjescontrole? Dan is al gauw zijn commentaar “Zeker omdat ik Marokkaan ben”. Zeker, bij een echt foute agent zou dat de reden kunnen zijn, maar ik ga ervan uit dat die agent ook andere aanwijzingen had om te willen controleren. Ik ga in principe ervan uit dat die agent wèl goed de lessen toepaste. Wie er in principe van uit gaat dat die agent dat niet deed, speculeert over de integriteit van die agent. Ik zou me als agent niet geruggesteund voelen. En ik denk dat veel agenten als de dood zijn om te worden beschuldigd van etnisch profileren en juist daarom geregeld niet ingrepen waar dat maar beter wel had kunnen gebeuren.

Zoals ik al schreef, voor sommige kenmerken geldt dat het niet eenvoudig is jezelf ervan te ontdoen, bijv. van huidskleur (blank, bruin, getint, noem maar op). En waarom zou je ook. Wel is het helaas (voor het individu) zo dat sommige groepen oververtegenwoordigd zijn in bepaalde statistieken en dat een negatief imago/stigma van zo’n groep daardoor afstraalt op het individu uit zo’n groep. Dat individu kan zichzelf vervolgens als slachtoffer van discriminatie gaan beschouwen en dat zelfbeeld wordt in de media ook breed aangewakkerd. Ik vind dat de onjuiste wijze van ermee omgaan en geef de media behoorlijk de schuld ervan. Ik wil dat we stoppen met dit slachtofferdenken (er zijn de laatste tijden tientallen slachtoffergroepen bijgekomen, wat heeft geleid tot ‘identiteitspolitiek’). We hebben allemaal wel wat, de wereld is nou eenmaal niet totaal rechtvaardig te krijgen (want ‘recht’ voor de een is al snel ‘onrecht’ voor de ander) en een zeker incasseringsvermogen mag van ieder individu worden verlangd, ook van leden van minderheidsgroepen. Het is het gevolg van het feit dat je als individu ook lid bent van groepen. Doet je groep in de ogen van andere groepen iets flink fout, dan straalt dat nou eenmaal af op jou als individu. Als je dat niet wilt, moet je niet klagen over de discriminatie door die andere groepen, maar de discussie aangaan in je eigen groep. Als een paar Nederlandse jongeren een fontein in Rome vernielen en de Italianen vervolgens negatief beginnen te spreken over Nederlanders, dan moeten andere Nederlanders niet verontwaardigd met de vinger wijzen naar andere Nederlanders, maar die andere Nederlanders er flink op aanspreken dat ze ‘onze’ naam te grabbel gooien. Zo kijk ik ertegenaan.

Profileren (profiling) is gewoon essentieel voor een goed functionerende politie. Veel individuen dragen de groepskenmerken trots en moeten dus ook daarop mede-beoordeeld kunnen worden. Individuen moeten kritiek op ‘hun’ groep niet bij voorbaat opvatten als persoonlijke kritiek, maar als kritiek op … inderdaad, de groep.

 

Het Pact van Marrakesh wordt ons door de strot geduwd, met name door lulhannesen van de VVD

Vluchtelingen.jpgEen meerderheid in de Tweede Kamer zal het tekenen van het Pact van Marrakesh gaan steunen. Een meerderheid omdat zelfs alle zetels van de VDD vòòr het pact zullen stemmen. En dat terwijl een proportioneel deel van die zetels wordt bezet door VVD’ers die er eigenlijk niets voor voelen.

Waar is het dualisme gebleven? Oh, natuurlijk, dat is al jàren afwezig in ons land. Je kan dan wel als Tweede Kamerlid van een regerende partij dènken dat je heel wat bent, omdat jouw stem er zo toe doet en je échte invloed hebt, maar eigenlijk ben je daar niets anders dan een poppetje aan een touwtje, een lulhannes zonder enige ruggegraat, een meeloper. Of je bent een stiekeme hielelikker die denkt dat je voor de echte macht eerst nog een tijdje precies moet doen wat je bovenbazen zeggen, net zo lang tot je zelf op zo’n stoel komt te zitten. En in die tussentijd ben je natuurlijk feitelijk een landverrader, want je weet dondersgoed hoe de échte meerderheid in het land erover denkt, maar dat zal je een rotzorg zijn. En misschien praat je je eigen misdragingen wel goed door te denken dat het volk eigenlijk te dom is om goede beslissingen te kunnen nemen. Nogmaals, je bent dus een lulhannes als je eigenlijk wel tegen dat pact bent en tòch vòòr gaat stemmen.

Raar hè, dat zoveel mensen het vertrouwen in de politiek kwijt zijn geraakt omdat hen van alles door de strot wordt geduwd, en dat ze in hun hart stilletjes (of niet stilletjes) hopen op een revolte.