Het geloofwaardige relaas van Dennis Honing

dennis honingDennis Honing, Abdelkarim Honing, Dennis Abdelkarim, Dennis Abdelkarim Honing of Abdelkarim, twee van die varianten zijn goed, maar slechts van eentje weet ik dat zeker: Dennis Honing. Dus laat ik die dan maar gebruiken; bovendien is het zijn officiële naam. Verder heb ik het liever over Dennis dan over Honing. Dat is vooral een compliment, want na het lezen van zijn autobiografie ‘Ongeloofwaardig’ heb ik het gevoel hem persoonlijk te kennen (hij mij natuurlijk niet). Het is een opmerkelijk boek geworden – over zijn ervaringen met de Islam, zijn medegelovigen, de overheid en de media – en ik waardeer zijn openheid zeer.

De ondertitel is “Hoe ik mezelf radicaliseerde, en daarvan terugkwam“. De ondertitel wordt waargemaakt, maar ook de titel zelf wordt door hem geloofwaardig uitgelegd: Nog vòòr de inhoudsopgave staan schuingedrukt enige alinea’s die goed samenvatten waar de ruim 180 pagina’s van het boek over gaan. In de laatste alinea gaat het over die ongeloofwaardigheid, maar ik wil de lezer die andere alinea’s niet ontzeggen. Bovendien maken ze het me makkelijker, want dan hoef ik niet meer van her en der te citeren.

Toen ik me bekeerde (tot de Islam, pvl), leek de orthodoxie aanvankelijk heel ver weg. Later dacht ik: ik ben er ook een, zo’n jihadist.

Er is niemand die mij heeft geronseld en gehersenspoeld, er is geen imam of moskee aan te pas gekomen. Mijn ideologische overtuiging was puur gevoed door een oprecht geloof in de utopie van de islamitische staat – waar met de Koran en de soenna moet worden geregeerd en volgens de sharia rechtgesproken.

Wat mediagenieke imams en jongerenwerkers ook mogen zeggen, zowel bij mij als bij de jongens met wie ik omging had onze overtuiging niets met een achterstandspositie of jeugdwerkeloosheid te maken.

Ik heb mezelf geradicaliseerd, ik heb zelf de ideologie van dawah salafiyah jihadiyah opgezocht. Ik bezocht zelf Sharia4Belgium, las zelf jihadistische teksten en bekeek op eigen initiatief interviews met kopstukken van Al-Qaida.

Ik kwam ook zelf op het punt waarop ik de zwarte kant van salafiyah jihadiyah niet meer wilde relativeren. Bepaalde zaken in de jurisprudentie begon ik te verwerpen. En als het moest, sprak ik kritisch over de islam. Ik werd verketterd. Wat ik deed, zou ‘ongeloof’ zijn. Maar mensenrechten en vrijdenken zijn voor mij belangrijker dan de rigide en inhumane interpretatie van de islam van de broeders met wie ik omging. Dergelijk ‘ongeloof’ is zeer de moeite waard, ongeloof-waardig.

In hoofdstuk 1 vertelt Dennis hoe zijn jeugd was en hoe hij tot dat on-Nederlandse geloof kwam. Hoofdstuk 2 toont ons hoe hij steeds dieper verstrikt raakte in dat geloof, met name in de orthodoxe varianten ervan, tot aan het punt dat het nog maar een heel kleine stap was om toe te treden tot de zeer gewelddadige, pikzwarte variant. Nogal wat ‘broeders’ (sic) maakten die stap wel, maar Dennis uiteindelijk niet. Dezelfde tegendraadsheid en eigengereidheid die hem tot zijn bekering hadden gebracht zorgden er nu juist voor dat hij zich weer afwendde. Dat proces van de-radicaliseren beschrijft hij in het derde en laatste hoofdstuk.

In dat laatste hoofdstuk beschrijft hij met name wat het hem deed om op Youtube het afhakken van hoofden te zien. Het deed hem walgen en hij besloot zijn lange baard – wat hem betreft toch een duidelijk symbool van waar je voor staat – af te knippen. Het was niet het eerste en enige dat hem in de Islam tegenstond, maar het was wel het kantelpunt. Dennis had al veel voorschriften en gedragingen van moslims waar hij eigenlijk twijfel bij ervoer toch min of meer geaccepteerd, maar als hij ook deze moorden had geaccepteerd dan zou de radicalisering min of meer voltooid zijn en was er geen weg terug meer geweest, zo besefte hij net op tijd. Hij zou dan tezeer verstrikt zijn geraakt in het web dat gesponnen wordt door de moslims om je heen (mijn woorden, niet de zijne, maar hopelijk wel woorden die zijn instemming hebben). In alle hoofdstukken komt het beeld naar voren van een jongen, later jongeman, die zelf bepaalt wat hij wel of niet gelooft en doet. Weliswaar blijkt hij ook zeer goed te beïnvloeden, maar een of ander stemmetje in hem zorgt er steeds voor dat hij tegenwerkt als mensen van hem iets eisen, op die manier toch zijn onafhankelijkheid beschermend. Zo ging hij op zeker moment naar Caïro om daar de Koran te gaan bestuderen. Het werd allemaal voor hem betaald, want de mensen van de moskee hadden grootse plannen met hem. Hij zou na voldoende koranscholing woordvoerder voor hen kunnen worden. Maar hij bleek, door concentratieproblemen, een matige leerling, zwierf meer door de stad dan braaf naar de koranschool te gaan en weigerde bovendien een door hem gemaakt filmpje van Youtube te verwijderen, wat hem door zijn leermeester werd kwalijk genomen omdat deze het een negatief imago vond uitstralen. (Het betrof een door Dennis afgenomen interview met een destijdse voorman van Sharia4Belgium.) De florissante toekomst als woordvoerder met een rijke sheik als de geldschieter (hij had slechts af en toe via een uitzendbureau een saai baantje) kwam daardoor niet van de grond. Maar hij behield zo wel zijn onafhankelijkheid waar hij anders de speelbal zou zijn geworden van anderen. Uit de beschrijvingen van zijn ‘jihadisalafistische’ (sic) ‘broeders’ (sic) komt een beeld naar voren van allochtone én autochtone jongeren die zich verzetten tegen de gevestigde Nederlandse orde en denken dat in een islamitisch kalifaat een strenge, maar duidelijke sharia zal leiden tot een vredig samenleven. Aanvankelijk misleiden ze zichzelf nog met de gedachte dat die strenge straffen voornamelijk zijn bedoeld om af te schrikken. Voor de eerste syriëgangers kan nog hebben gegolden dat ze daarin naïef waren, maar latere ‘emigranten’ wisten toch beter, zou je zeggen, en dan is het toch wel frappant te noemen dat ze evengoed afreisden, in de wetenschap dat ze daar overgeleverd zouden zijn aan de grillen van hogergeplaatsten die op hun beurt ook weer overgeleverd zijn aan de grillen van nog hoger geplaatste leiders. Wanneer we een massale executie op een filmpje zien, dan zijn daarop evenveel beulen te zien als af te slachten ‘ongelovigen’. Ik denk dat de meeste van die beulen zich gedwongen voelen. Doen zij het niet, dan worden ze zelf af te slachten ‘ongelovigen’. Een individu kan natuurlijk besluiten het beulswerk heldhaftig te weigeren, maar wie zal dat ooit te weten komen? De organisatie zal slechts die beelden de wereld over sturen die de indruk wekken dat alle bij hen aangeslotenen volledig achter dat “noodzakelijke” beulswerk staan. Kortom, wie afreist, is het haasje. Er is geen weg meer terug. Dennis zag dat net op tijd in.

In het interview met Jeroen Pauw (zie het filmpje hierboven of klik hierrr) werd hem gevraagd waarom hij er zo lang over deed alvorens hij ging twijfelen aan bepaalde aspecten, zoals aan de almacht van Allah. Waarom had hij dat niet al jaren geleden bedacht. Dennis had een plausibele verklaring: Hij was erg jong eraan begonnen (17) en had ook al geen hoge opleiding genoten. Wanneer je het boek leest, dan wordt duidelijk dat er nog wel wat andere factoren van invloed waren. Voor iedereen die zich niet kan voorstellen dat mensen hoe dan ook tot zo’n fundamentalistische geloofsovertuiging kunnen komen is het nuttig dit boek te lezen. Het werpt ook meteen licht op de vraag hoe mensen zo hardnekkig kunnen blijven gaan voor bijv. een fascistische, nazistische of andere, volgens vrijwel iedereen kwaadaardige, ideologie.

Dennis geeft uiterst scherpe analyses die geregeld idem zijn aan die van de hardliners onder de islamcritici, zoals de analyse dat er sterke overeenkomsten zijn tussen het ‘jihadisalafisme’ en fascisme. Maar ook dat de opvatting van ‘links’ dat de Islam ‘vrede’ betekent en dat het aan werkeloosheid ligt “gezwets” is. Wat links betreft schrijft hij: “Ik denk dat deze onwetende linkse commune op zichzelf een bedreiging vormt voor het Nederlandse volk” (pag. 122). Dat hij tegenwoordig minder radicaal is dan een jaar of wat geleden, staat vast. Toch zie ik bij hem nog steeds – vanuit mijn perspectief – bepaalde radicale standpunten, bijvoorbeeld over de V.S. en Israël. Maar het risico van de geweldsspiraal is verdwenen en daarom is hij voortaan een geschikte kandidaat om uit te nodigen bij debatten van bijvoorbeeld vrijdenkers.

Lezen!

Advertenties

Trekt Timorel de verkeerde lessen?

Timor El-Dardiry, kortweg Timorel, kreeg van de Volkskrant de ruimte om uiteen te zetten dat in Nederland ook de katholieken is overkomen wat momenteel de moslims overkomt. (Zie onderaan voor de vindplaats van het artikel van Timorel.)  Zoals de moslims momenteel worden zwart gemaakt, zo waren tot enkele decennia geleden de katholieken de zwarte piet. Er zitten veel interessante details in zijn verhaal en die details doen er ook toe. Toch overviel me bij het lezen geregeld het gevoel dat Timorel bij het vergelijken de plank steeds net even misslaat. Tijd voor voorbeelden:

“Nog maar dertig jaar geleden kende de Nederlandse grondwet een verbod op processies. Plaatselijke overheden konden zulke optochten van katholieke geestelijken en gelovigen verbieden, behalve in plaatsen waar deze al vóór 1848 gebruikelijk waren. Processies zouden de openbare orde verstoren, de straat tot kerk maken, het protestantse karakter van de natie aantasten, een wapen in handen van het Vaticaan vormen om het rooms-katholicisme in de openbare ruimte op te dringen, en een symbool zijn van achterlijkheid en afgoderij.”

Ik had verwacht dat daarna ‘waarheidsvinding’ zou komen, maar Timorel volstond met een verhaal dat erop neerkomt dat het allemaal retoriek was geweest. En dat geloof ik eigenlijk niet zomaar. Ik denk dat zulke uitspraken niet vanzelf waren ontstaan. Er moet grond zijn geweest om die harde uitspraken over de katholieken te doen.

Daarna verhaalt Timorel over de leugenachtigheid waarvan katholieken beschuldigd werden en hij vergelijkt dat met dezelfde beschuldiging die momenteel moslims ondervinden. Waarna hij uitlegt wat de katholieken ertoe bracht om te vinden dat ze onder omstandigheden mogen liegen – namelijk om zich het vege lijf te redden door temidden van protestanten het katholiek-zijn te ontkennen – en dat voor de moslims eenzelfde reden geldt. Ik ben het hierover echter oneens met hem. In de Koran staat toch duidelijk dat liegen en bedriegen mag. Niet zozeer om vervolging te voorkomen, maar om het einddoel te bereiken: de stichting van de Islamitische (wereld)staat. Dat lijkt me toch echt een leugen van totaal andere aard, al zal het destijds voor de sjiieten ook een manier zijn geweest om hun soennitische ‘broeders’ van het lijf te houden. Ik lees zijn vervolg dan ook met de nodige vertwijfeling:

“Voor […] islamcritici is takkiya (mogen liegen en bedriegen, PvL) echter hét bewijs voor een islamitische samenzwering tegen het Westen. Moslims zouden hun ware intenties, bijvoorbeeld invoering van de sharia, mogen verbergen totdat ze de meerderheid vormen. Het is onmogelijk deze stelling te ontkrachten. Je kunt niet even een opiniepeiling onder moslims houden, want ja, ze kunnen ook liegen over het liegen. Het begrip wordt dus zonder context gebruikt om een hele bevolkingsgroep als onbetrouwbaar te bestempelen.”

Ik denk dat je wèl prima een opiniepeiling kunt houden. Met name sociaal-psychologen zijn voldoende geschoold om verhuld te peilen. Bovendien maak ik maar zelden mee dat een ‘islamcriticus’ de hele bevolkingsgroep als onbetrouwbaar bestempelt. De nadenkenden onder hen letten er goed op niet alle moslims over een kam te scheren. Er heerst een behoorlijk besef dat met name ‘de gewone moslim’ – in al zijn naïviteit – denkt gelovige te zijn van een spirituele, niet-politieke, vreedzame religie. Wanneer de islamcriticus de Islam bekritiseert, doelt deze op de interpretatie van de fundamentalisten onder de moslims; degenen die menen dat de Koran en Mohammed letterlijk genomen moeten worden. De woorden van Timorel – hoe goed bedoeld ook – doen deze islamcritici geen recht.

De volgende woorden staan bovenaan in het onderdeel ‘retoriek’:

“Het alarmisme rondom katholieken had een essentialistisch karakter: uit veel antipapistische bronnen spreekt de aanname dat het rooms-katholicisme is terug te brengen tot een omvangrijke, onveranderlijke kern van geloofs- en gedragsregels die vervolgens op vrijwel iedere katholiek van toepassing is. Er lijkt te veel aandacht te zijn besteed aan wat de wezenskenmerken van het katholicisme zouden zijn, en te weinig aan de veranderende opvattingen en handelingen van katholieken zelf.”

Dat zou best eens het geval kunnen zijn geweest. Het is dan natuurlijk Timorel’s hoop dat het idem dito bij de moslims zo’n vaart niet loopt en dat over 50 jaar zal blijken dat ook die groep van binnenuit en vanzelf andere opvattingen ging koesteren. Ik hoop het met hem. Maar zou het misschien ook zo kunnen zijn dat al dat ‘alarmisme’ van destijds toch wel degelijk een bijdrage heeft geleverd aan die ‘veranderende opvattingen en handelingen’ van katholieken?! Ik weet zeker dat het ‘alarmisme’ van tegenwoordig vooral dàt beoogt: de emancipatie van de moslimgemeenschap. Er is de stille hoop dat de individuele moslim zich alle kritiek aantrekt en er op een constructieve wijze mee aan de slag gaat. Al dat ‘alarmisme’ is zeker geen angstzweet. Het is bezorgdheid, goedbedoelde waarschuwing. Het is zeker geen angst- en haatzaaierij. En Wilders en Bosma zijn daarop geen negatieve uitzondering.

Laat me eindigen met enig commentaar op de volgende woorden van Timorel, die wellicht de kern van zijn pleit vormen:

“Uit de geschiedenis worden vaak verkeerde lessen getrokken. En met zulke grote verschillen is het oppassen om al te grote conclusies te trekken. Maar wat we wel kunnen constateren is dat de angstbeelden die over katholieken werden opgeroepen niet zijn uitgekomen.”
[…]

“De hevigste retoriek in het katholiekendebat was een spel met eigen regels geworden, dat grotendeels los stond van de geloofsbeleving van katholieken. Met alle verschillen die er zijn, kan het geen kwaad er alert op te zijn dat iets dergelijks zich nu niet herhaalt in het islamdebat.”

Inderdaad is het oppassen geblazen met lessen trekken uit de geschiedenis. Appels zijn geen peren en mij is zoveel duidelijk geworden dat het judaïsme, het christendom en de islam op essentiële punten verschillen. Zo zijn ze niet alledrie even gewelddadig, om maar eens wat te noemen.

Ook ben ik het met Timorel eens dat het met de katholieken uiteindelijk wel meeviel. Dat zal mede zo zijn gegaan omdat ze niet in een hen vreemde cultuur belandden, maar juist altijd al binnen die cultuur hadden bestaan. Sterker, in een eerdere fase waren ze de officiële hoofdmoot geweest binnen die cultuur. Maar ook heeft meegespeeld dat de bijbel uitspraken bevat die het hen mogelijk maakten om met andersgelovigen samen te leven. Sterker, de bijbel bevat uitspraken die hen daar juist toe ‘verplichten’.

Het laatste punt waar Timorel op wijst betreft ‘de geloofsbeleving van katholieken’. Het is goed om te beseffen dat de geloofsbeleving van de individuele katholiek altijd sterk heeft verschild van die van de leiders van die kerk. Iets dergelijks speelt ook bij de moslims, zo weten we. Echter, gelet op de inhoud van de Koran is het voor die moslims een stuk moeilijker zich te (blijven) onttrekken aan de officiële uitleg. Zodra de (fundamentalistische) imam zich echt gaat bemoeien met die individuele moslim ondergaat deze een grote sociale druk om ook te radicaliseren. Als deze dat niet wil, tsja, dan is het in de ogen van die fundamentalist feitelijk een ongelovige. Deze weigering om de eigen islam-geschriften te (mogen) bediscussiëren is waartegen de islamcritici zich nog het meeste verzetten. Hun ‘alarmisme’ is mijns inziens hoognodig voor de wereldvrede, ook in Nederland.

Het zou fijn zijn als Timorel dit met mij eens is.

==============================================

Noot:

Het artikel “De lessen van de ‘boze paap'” staat in de Volkskrant van 7 september 2013.

Op deze plek had ik oorspronkelijk dat artikel opgenomen omdat de Volkskrant het (nog) niet online openbaar beschikbaar stelt. De auteur maakte tegen mijn handelswijze echter bezwaar. Er zou auteursrecht op rusten en mensen kunnen de Volkskrant kopen. Dat laatste argument was natuurlijk slechts één dag geldig. Ware het een boek, dan zou het anders hebben gelegen.

Zo’n standpunt draagt niet bij aan debat. Immers, mensen moeten kunnen lezen waarop ik kritiek heb, om te kunnen beoordelen of mijn kritiek hout snijdt. Nu is het zo dat menig artikel in de krant niet openbaar gepubliceerd wordt. Stel dat ik zo’n artikel toch zou willen recenseren dan zou hetzelfde probleem spelen. We zitten dan opgezadeld met een modern probleem waarop de kranten nog geen goede antwoorden hebben. In de praktijk loopt het zo’n vaart niet, want waarom zou iemand een recensie willen schrijven op een journalistiek, informatief artikel over, zeg eens wat, de huizenmarkt. Maar in dit geval gaat het mijns inziens om een opiniestuk (er staat zelfs ‘Islamdebat’ boven!), dus niet om bijv. een wetenschappelijke voorpublicatie van een nog te verschijnen boek. Bij zo’n soort artikel hoort de krant te anticiperen op wat er zeer waarschijnlijk gaat gebeuren, namelijk op het losbranden van een discussie. Anticiperen houdt in dat de krant het artikel in de openbare ruimte van de krant publiceert. Ik raad de Volkskrant aan dat alsnog te doen.