Is het wachten op de verlichte despoot?

532px-Emperor_Yongzheng

De heer heette Yongzheng en schijnt een verlicht despoot te zijn geweest.

Martin Sommer heeft het vandaag over de diplomademocratie. Even in mijn woorden: Diplomademocratie is een democratie waarin uitgerekend de hoogopgeleiden het politieke beleid bepalen. Ofwel, de laagopgeleiden krijgen geen kans om door te stoten naar een beleidsbepalende politieke positie. Eigenlijk zou ik hier moeten schrijven ‘hoger opgeleiden’ en ‘lager opgeleiden’, maar ik vraag me af of dat een nuancering inhoudt of toch feitelijk een eufemisering. Ik hou het voor even op een eufemisering en kies voor hoog en laag, omwille van de duidelijkheid.

Lekendemocratie toch beter?

Op het eerste gezicht lijkt het geen foute vorm van democratie. Zoals Sommer in zijn woorden ook schrijft, het klopt als die hoogopgeleiden zijn gekozen door (ook) laagopgeleiden om (ook) hen te vertegenwoordigen. Dat heet dan een ‘vertegenwoordigende democratie’. En die is volgens menigeen een stuk beter dan wat een ‘lekendemocratie’ wordt genoemd. In een lekendemocratie bestaat het corps van beleidsbepalende politici wel degelijk uit leken. Leken die min of meer met de dobbelsteen gekozen zijn en hooguit toevallig hoogopgeleid en goed geínformeerd zijn. Veel politiek gedrevenen hebben daar een slecht gevoel bij. De argumentatie loopt uiteen van “onvoldoende bevlogen om zich in zeer complexe materie te verdiepen” via “te dom om een coherent en juist idee te ontwikkelen” tot en met “gewoon, te dom”. Lees verder

Advertenties

Eis een democratische inborst bij politieke partijen

iedereen akkoordOp de opiniepagina van De Volkskrant, onder de titel “Stel democratische eisen aan politieke partijen“, kregen vandaag Esther Janssen en Martine Beijerman, respectievelijk advocate en wetenschappelijk onderzoekster aan de UvA, de gelegenheid om ons ervan te overtuigen dat een politieke partij ook echte leden moet hebben, wil het mogen meedoen aan verkiezingen. Wat een gotspe. Alsof een eenmanspartij vanzelf tot een dictatuur leidt, mocht het een meerderheid halen, en alleen een ledenpartij een garantie vormt dat de democratie een democratie blijft.

Over interne machtsstrijd en mollen

De praktijk is dat leden van een ledenpartij op allerlei punten een afwijkende mening kunnen hebben en er zodoende altijd sprake is van een machtsstrijd, want er Lees verder

Wie is bereid tot onderhandelen over een onsje racisme?

feyenoord wordt kampioen

Feyenoord wordt kampioen en het wordt ze gegund.

In Nederland krijgen Geert Wilders’ aanhangers geen deel van de taart en straks ook die van Marine Le Pen niet. Ondanks een ruim percentage aanhang zorgt het resterende meerderheidspercentage van de aanhang van andere partijen ervoor dat het ruime percentage toch niet leidt tot ook maar enige regeringsinvloed. Dat kan niet anders dan fout aflopen, op den duur. Zo betoogt ook Martin Sommer.

Aflossing van de wacht

In de tweede ronde van de presidentsverkiezingen gaan gezworen opponenten van Macron (ik zou het haast vijanden durven noemen) toch op hem stemmen, met geen andere reden dan te voorkomen dat die afschuwelijk enge Marine Le Pen presidente wordt. (Het zou trouwens in Frankrijk voor het eerst een vrouw zijn, wat hebben die Fransen tegen vrouwen?)

Sommer probeerde zich te herinneren of dat altijd al zo ging en concludeert dat er toch wel wezenlijk iets veranderd is.

Sommer:“De oude politieke partijen zijn dood of doen alsof ze nog leven. Zij hadden een samenhangende ideologie. Bij links was dat gelijkheid en bescherming, bij rechts vrijheid en economische voorspoed. Bij het democratische partijensysteem hoorde de bereidheid tot aflossing van de wacht. Er was wederzijdse afkeer, maar geen haat. En iedereen kwam van tijd tot tijd aan de beurt voor een stuk van de taart.” (mijn vet)

Nu kan je je afvragen of het echt nieuw is. Immers, we herinneren ons nog goed hoe Janmaat werd buitengesloten van zo’n beetje alles behalve de toegang tot de Tweede Kamer. Daarvòòr was het de Boerenpartij en historici zullen vast het nodige weten te vertellen over weer eerdere partijen die werden buitengesloten. Zo overkwam het ook de NSB toen de moffen nog niet waren binnengevallen. Dat alles neemt niet weg dat er een kern van waarheid schuilt in Sommer’s opmerking dat ons partijensysteem in wezen ‘bereidheid tot aflossing van de wacht’ in zich droeg. Zo’n aflossing van de wacht leidde wel elke keer weer tot gemor, maar niet of nauwelijks tot haat of ondergrondse activiteiten. Ik denk dat we het in ons hart eigenlijk wel zo gezond vinden om de regeringsmacht eens in de zoveel tijd te laten circuleren tussen grote groepen. (Ik moet nu denken aan Feyenoord. Amsterdammers hebben er vast de smoor over in dat Ajax dit jaar geen kampioen wordt. Toch denk ik dat ook zij het kampioenschap in hun hart dit keer best wel gunnen aan Rotterdam.)

Eigenbelang

Maar Sommer schreef nog meer dat van belang is:

Antiracisme heeft de plaats ingenomen van klassenstrijd, moraal die van het belang. Dat betekent dat er geen ruimte meer is voor compromissen. Een onsje minder racisme bestaat immers niet. De overheid heeft het bewaken van de zielen overgenomen van de kerk – géén discriminatie is geloofsartikel 1.” (mijn vet)

Kennelijk beziet Sommer de klassenstrijd als een belangenstrijd en ik kan die redenering goed volgen. De mensen in de diverse (vroegere) klassen verschilden niet zozeer in hun moraal, maar kwamen voornamelijk op voor hun eigenbelang. Vooral dàt – het eigenbelang – verdeelde hen in links en rechts. Dat gold dan voor zowel de klasse van de kapitalistische fabriekseigenaar als voor de arbeidersklasse. Wat tegenwoordig in nette cao-onderhandelingen plaatsvindt werd destijds op iets minder nette wijze gedaan, dus met gebalde vuist en dreigende taal. Daar kwam dan uiteindelijk een onderhandelingsresultaat uit waar beide partijen water bij de wijn hadden gedaan. Waarna allen het glas hieven, al was dat niet altijd mèt elkaar, en weer doorgingen alsof er niets aan de hand was. Mogelijk doe ik met deze gekscherende schets de destijdse werkelijkheid onrecht, maar het is waar dat compromissen uiteindelijk mogelijk bleken, al meenden de nodige ideologisch gedreven personen (denk aan socialisten, maar nog veel meer aan communisten) dat een totale moraalomslag een vereiste was. Wellicht was het de grote verdienste van de sociaaldemocraten dat zij de marxistische ideologie niet verabsoluteerden en zodoende de mede-uitvinders van het 20e-eeuwse polderen konden worden.

Wanneer onderhandelingen falen

Maar nu. Nu zijn de grenzen tussen de traditionele ‘klassen’ flink vervaagd. Er is in elk geval geen duidelijke arbeidersklasse meer. Teveel mensen kennen voorbeelden van anderen uit de eigen omgeving die wel degelijk van een dubbeltje een kwartje werden. Teveel mensen hebben nu zelf zoveel luxe om zich heen verzameld dat het voor hen moeilijk is geworden met gebalde vuisten op te stomen naar de poort van de fabriek; er staat teveel op het spel; zie wat er gebeurde met de werknemers van Air-France die de directeur personeelszaken het overhemd van het lijf rukten; zij werden ontslagen en kregen géén werkloosheidsuitkering. Er zijn nu andere grenzen die mensen scheiden. Bovendien zijn mensen nu lid van meerdere groepen.

Neem de groep die opkomt voor het milieu. Ze zijn te vinden in alle ‘klassen’, zo die nog herkenbaar zijn. Of neem de groep die zich keert tegen de huidige massale immigratie. Ook die zijn in alle lagen te vinden. Sommer stelt dat de tegenwoordige tijd geen belangenstrijd meer kent. Zo absoluut is het niet, maar het lijkt er wel een beetje op. Immers, wie voor het milieu opkomt, gaat niet zozeer voor het eigen belang. Idem geldt voor wie tegen de massale immigratie is. Dat neemt niet weg dat er nog evengoed onderwerpen zijn die een (eigen)belang betreffen en wel degelijk opgelost kunnen worden met een compromis. Denk aan de gaswinning in Groningen. ‘Een beetje minder gaswinning dan? Nou, vooruit. Graag ook nog een beetje financiële tegemoetkoming? Ach, moet kunnen, de financiële crisis is voorbij, dus er zijn vast wel wat centen over. Wat zegt u? Is de crisis voorbij? Graag dan wel heel veel meer geld voor het leed van de Groningers, ja!’

Maar Sommer heeft gelijk, andere onderwerpen lijken zich maar niet te lenen voor compromissen en juist die onderwerpen verdelen het land tot op het bot. De migratie is er eentje, het al of niet vermeende racisme van de autochtoon een andere. Om een of andere reden nemen de ‘anti-racisten’ maar geen genoegen met wat minder racisme. En anderzijds voelen degenen die, hier in Nederland, beschuldigd worden van racisme zich zwaar onterecht ervan beschuldigd. (Ze kunnen inderdaad geen pro-racisten genoemd worden.) Twee groepen die ieder hun eigen waarheid in hun eigen bubbel beleven. En die ieder de andere groep zijn gaan haten vanwege de zware beschuldigingen. En het hele mechanisme van polderen blijkt gewoon niet te werken. Beide zijden zijn daar gefrustreerd over. En beide partijen halen er de moraal en filosofie bij. Beide partijen worden zodoende overwoekerd door ideologie. Of eigenlijk, beide partijen delen een typisch Nederlandse waarde: “Ik zal niet over me laten lopen”.

De sociaaldemocraten maakten het destijds mogelijk om hier de klassenstrijd in goede banen te leiden door de marxistische ideologie niet te verabsoluteren. Wie gaan zulks bereiken voor de racismestrijd? En hoe gaan we het migratievraagstuk oplossen? Wie gaan erin slagen groepen te laten onderhandelien over ‘een onsje minder racisme’ en dat beide kampen vervolgens het glas heffen over het bereikte? En zijn er mensen die mogelijkheden zien om absolute tegenstanders van massale immigratie toch zover te krijgen dat ze akkooord gaan met ‘heel veel minus een beetje’ immigratie? Misschien de sociaaldemocraten van de PvdA? Hmm, ik denk dat die uiteindelijk toch te partijdig zijn en bovendien op die onderwerpen alleen gaan voor het volle pond. Dat gaat dus niks worden.

De PVV gaat lokaal en wordt dus eerdaags een ledenpartij

loyaalVan de PVV wordt wel gezegd dat het geen democratische partij is omdat er geen lidmaatschap mogelijk is. Ik ben het daarmee oneens, want bij democratie gaat het erom dat je de wil van het volk belangrijjk vindt. Dat gezegd hebbende vermoed ik dat de PVV eerdaags toch de stap naar een ledenpartij maakt. Immers, hoe kan je anders het nodige kader verzamelen dat bereid is zich in de lokale politiek te roeren. Het zal betekenen dat er binnen de PVV meerdere meningen zullen gaan rondzingen en dat Wilders’ woord mogelijk niet langer allesbepalend zal zijn. Om interne conflicten te voorkomen zal er sterk worden gelet op loyaliteit. Dat is toch wel een dingetje.

Democratie

Maar laat ik eerst iets zeggen over democratie. Het is maar de vraag of een zuivere democratie echt mogelijk is. Immers, in een zuivere democratie zijn àlle burgers èchte democraten, dus mensen die bereid zijn de wil van het volk te volgen, dus mensen die bereid zijn hun eigen wil weg te drukken omwille van dat hogere doel. Voel je ‘m waarom dat niet echt mogelijk is? Er zijn in dat model geen mensen die gaan voor hun eigen wil.

Het theoretisch tegendeel van een democratie is een samenleving waar àlle burgers niets geven om de wil van het volk en volledig gaan voor hun eigen wil. Ook dat soort samenleving lijkt me in de praktijk onmogelijk, vandaar dat ik het al bij voorbaat een theoretisch tegendeel noemde. Ik zou trouwens niet weten hoe de Grieken zo’n type samenleving benoemden.

In die praktijk zitten we ergens tussen die extremen. Dan zijn er diverse vormen denkbaar. De eerste is dat sommigen echte democraten zijn en anderen slechts gaan voor hun eigen wil. Ook denkbaar is dat alle burgers een beetje democraat zijn op minder belangrijk gevonden thema’s en voor het overige de eigen wil het liefst aan anderen willen opleggen. Afijn, allerlei mengvormen zijn te bedenken waarbij het gaat om de variatie en score op een dimensionele schaal. Dan is iedere burger in een bepaalde mate democraat en voor het overige een potentiële dictator.

“Niet mijn president”

Toen Trump werd gekozen nam ik het vooral linkse mensen hardop kwalijk dat ze zich geen goede democraat betoonden. Duidelijk voorbeeld waren degenen die al meteen riepen dat Trump niet hun president is. Het had alles weg van onsportiviteit, van niet tegen je verlies kunnen. Maar toen hier de verkiezingsuitslag voor Wilders wat tegenviel, viel juist mij kwalijk te nemen dat ik me geen goede democraat betoonde. Ik had er de smoor op in, al ging ik niet de straat op met een bord waarop iets stond als “Rutte niet mijn premier”.

Ook kan ik me voorstellen dat een gekozen politicus in een latere fase alsnog protesten oproept. Die protesten zouden dan eerlijkheidshalve wel moeten komen van degenen die vòòr de politicus hadden gestemd. Daar speelt een belangrijk criterium een cruciale rol in: loyaliteit.

Loyaliteit

Een leider – partijleider, premier of president – verwacht terecht loyaliteit van zijn kiezers, maar nòg meer van de partijleden. Daarop wordt over het algemeen goed gelet binnen de partij en door politieke commentatoren. Een aspect waar echter nooit op wordt gelet is dat de kiezers en partijleden idem loyaliteit verwachten van de  leider. Dan gaat het niet om sociale omgangsvormen, maar om loyaliteit aan de partijbeginselen en, meer concreet, aan de afgesproken keuzes. En juist op dat punt gaat het vaak mis. Dan blijkt juist de leider niet loyaal te zijn, door te gaan afwijken van tijdens de verkiezingen gedane beloften. Zodra de kiezers – dus zij die op de leider hebben gestemd – dat in de gaten krijgen, is hun eventuele protest zeer terecht. Zo’n leider pleegt dan immers verraad en er hoort wellicht een afzetting te volgen, zo niet goedschiks, dan maar kwaadschiks. Maar let op, dat type protestrecht is voorbehouden aan degenen die de leider op de figuurlijke troon hadden gezet. Degenen die al bij de verkiezingen tegen stemden, hebben niet dat type protestrecht, al zijn ze daarmee niet bij voorbaat de mond gesnoerd. Immers, als mensen echt last krijgen omdat de leider is gaan afwijken van de gedane beloften, dan is ook dat een grond voor protest.

Lokale politici voor de PVV

De PVV is momenteel op zoek naar mensen die bereid zijn het PVV-geluid in de lokale politiek te gaan uitdragen. Belangrijk is daarbij dat die mensen loyaliteit betonen, zo stelde een PVV-woordvoerder. We moeten hopen dat ook binnen de PVV wordt beseft dat het daarbij niet gaat om loyaliteit aan de persoon Wilders. Het gaat immers om loyaliteit aan de partijbeginselen en de huidige, afgesproken keuzes. Het is echt niet de bedoeling dat Wilders van lokale politici verwacht dat ze in de toekomst instemmen met èlke standpuntswijziging die hij zelf doormaakt. Sterker, die lokale pleitbezorgers mogen juist van Wilders verwachten dat hij zich al evenzeer loyaal opstelt ten aanzien van de partijbeginselen en de afgesproken huidige keuzes. Doet hij dat op zeker moment niet langer, even goede vrienden, maar dan is loyaliteit aan hem niet meer vanzelfsprekend, al zou het kunnen zijn dat zijn gewijzigde standpunt toch een echte verbetering is. Maar dan zal er door hem overtuigd moeten worden tijdens intern debat. Aan dwingelandij hebben PVV’ers – en gelukkig ook Wilders – een broertje dood. Blaffen doen mensen maar tegen hun hond.

Over socialisten die maar al te graag de wet voorschrijven

137389

Voor boetes hebben we best wel begrip, maar ze staan wel op gespannen voet met het vrijheidsideaal.

Het blog van Jan Stemerdink wordt graag door me gelezen. Jan doet altijd zijn best zijn gevoel te onderbouwen met cijfermateriaal. En als dat cijfermateriaal er niet mee overeenstemt, dan stelt hij zijn gevoel bij. Vandaag ging Jan op zoek naar een antwoord op de volgende vraag: Is het populisme fascistisch? Een klein citaat prikkelde mij:

“Toen werd de dictatuur officieel gevestigd, nu is de dictatuur meer onderhuids.”

Het gaat om zijn waarneming dat in ons land de vrijheid van meningsuiting eigenlijk relatief is, omdat je flink kan worden afgestraft als je buiten de politiek correcte paden treedt. Ik bewandelde in mijn hoofd een iets ander pad en moest denken aan een aantal science fiction films waarin mensen denken in vrijheid te leven en waar dan langzamerhand de waarheid wordt onthuld: de waarheid dat ze alle tijd werden gemanipuleerd. Nou denk ik niet dat zoiets in onze werkelijkheid het geval is. Wel denk ik steeds sterker dat het met onze vrijheid in het algemeen (dus niet alleen met de vrijheid van meningsuiting) best tegenvalt. Èn ik denk dat socialisten in essentie daarvoor eindverantwoordelijk gesteld moeten worden.

Nederlandse socialisten lazen de afgelopen 50 jaar andere landen heel vaak de les en ze dachten zelf te leven in hèt voorbeeld van een vrij land; een land waarin vooral zij en hun voorlopers die vrijheid met bloed, zweet en tranen hadden afgedwongen, zo meenden zij. Maar werd ons land wel zo vrij als zij claimden? Wie goed observeert moet erkennen dat er in ons land buitengewoon veel is voorgeschreven. Vrijheid geldt eigenlijk alleen voor degenen die alle voorschriften helemaal zien zitten. Voor de anderen is het vooral schipperen.

Socialisten streden tégen armoede en uitbuiting en vòòr gelijkheid en vrijheid, Het meeste daarvan is ze aardig gelukt, maar ze zijn wèl de top gebleken in het voorschrijven van gedrags- en andere regels. Dat komt omdat ze ervan overtuigd waren dat met name uitbuiting slechts te bestrijden was door vrijheid te ‘reguleren’ met verplichtingen. Ze wilden gelijke rechten voor iedereen en daar hoorden dus ook verplichtingen bij. Ze deden eigenlijk zelden of nooit slechts een beroep op ons gevoel voor rechtvaardigheid. Dat zal te maken hebben met de vele keren dat de uitbuiters de arbeiders naar hun idee bedrogen hadden. Altijd, zo meenden ze, moest het ‘juiste gedrag’ ook wettelijk geregeld worden. En ze ontdekten dat je mensen efficiënt kan aansturen met boetes en belastingen. Zelfs armoedebestrijding (via financiële nivellering) bleek ermee mogelijk. Het van overheidswege willen voorschrijven van regels voor van alles en nog wat, kan rustig een attitude van socialisten worden genoemd.

Waar socialisten de macht wisten te grijpen, is het flink uit de hand gelopen met deze attitude. Daar kan rustig worden gesproken over de vestiging van een dictatuur. Maar hoe zit het met landen, zoals Nederland, waar socialisten niet de macht wisten te grijpen en verplicht werden om samen te werken met andersdenkenden? Het beste alternatief vonden ze de sociaaldemocratische opstelling (al zullen ze zelf zeggen dat het niet het beste alternatief was, maar de beste opstelling). Hoe het ook zij, democratie werd omhelsd, maar eigenlijk alleen als middel, dus niet als doel (al zal ook dat wel weer tegengesproken worden). In elk geval was ook in onze contreien de attitude zeer sterk, al was deze – letterlijk – minder opvallend dan in dictaturen als de USSR, Cuba en China.

Hier te lande ging het dus niet om dictatoriale neigingen, maar wel om de neiging om te dicteren: Wij, socialisten van dit land, schrijven u, uitbuiters in dit land, voortaan voor hoe u zich hebt te gedragen. En omdat we niet willen worden beschuldigd van klassejustitie, schrijven we hetzelfde ook voor aan alle anderen.

Autoritair was het dus ook. Betweterig ook. Wantrouwend ook. Fatsoen had er ook mee te maken. Conformeren aan de samen vastgelegde regels was dan de enige juiste keus in een socialistisch of sociaal-democratisch land en opstandigheid de enige juiste keus in de overige landen en ten aanzien van alles wat in eigen land nog niet samen was geregeld. De socialist zei eigenlijk twee keer ‘moeten’: Mensen moeten zich houden aan dat wat we samen hebben geregeld en we moeten blijven strijden voor nieuwe regels inzake dat wat we nog niet samen hebben geregeld. Dat tweede moeten was in feite de bijdrage van de progressieven. Die namen geen genoegen met wat al bereikt was. Tot op de dag van vandaag zijn er progressieven en tot op de dag van vandaag zorgen zij voor de ene na de andere nieuwe wetsregel die de vrijheid weer verder inperkt.

Een van overheidswege voorgeschreven regel is al snel een inperking van de vrijheid, vanuit het idee dat iets wèl mag als het niet door de wet wordt verboden. Geen mens zal op een zekere inperking tegen zijn. Maar hoever mag je daarin gaan? Wat is het moment dat het begint te wringen en dat iemand gaat menen in een onvrij land te leven? Dat zijn vragen waarop niet alle mensen dezelfde antwoorden geven. Voor heel veel van de al bestaande regels zijn socialisten hoofdverantwoordelijk geweest en ook anno 2016 zijn er socialisten die er geen moeite mee hebben de overheid nòg meer regels te laten voorschrijven. Met name liberalen hebben de nodige antipathie ontwikkeld tegen socialisten. Volgens socialisten werd die antipathie verklaard door het feit dat onderdrukkers juist onder de liberalen veelvuldig voorkwamen. Maar er zijn onder de liberalen ook velen die niet zozeer uit egoïstische motieven liberaal zijn, maar omdat ze de ideologie zelve een mooie vinden. En juist die mensen denken na over elke inperking van vrijheid en veroordelen zo’n inperking als ze het noodzakelijke ervan niet inzien.

Laat het zo zijn dat socialisten betere sensoren hebben voor uitbuiting, liberalen hebben weer veel betere sensoren voor aantasting van de vrijheid. Wie zowel uitbuiting als aantasting van de vrijheid wil herkennen, zal zich zowel de kern van socialisme als van liberalisme moeten eigen maken.

Wie zichzelf slechts socialist of sociaaldemocraat wil noemen, is helaas een blijvend gevaar voor de vrijheid.

Voorstel aan FvD, GeenPeil, VNL en PvdR

stembiljetDit artikel bevat een voorstel aan de FvD, GeenPeil, VNL en PvdR.

Alweer jaren geleden ontwikkelde ik een systeem voor een politieke federatie die op atheïstische leest gestoeld is. Ik heb er zelfs her en der voor gelobbied, maar mensen begrepen het concept niet volledig of wezen het al direct af. Daarover later meer. Maar eerst wil ik pogen om het achterliggende concept van die politieke federatie nieuw leven in te blazen, want het is wellicht bruikbaar als alternatief voor de diverse politieke partijen die recent het daglicht zagen.

Wat was er mis met het systeem? Wellicht is het beter om eerst alhier te lezen wat het systeem inhield. Voor wie dat teveel moeite vindt, maar wel heel slim is en dus maar weinig woorden nodig heeft, volgt hier een korte samenvatting.

In het huidige politieke bestel is er nog geen zuil voor atheïsten. Er zijn weliswaar politieke partijen die niet op een religie gestoeld zijn, maar er is geen enkele partij die gelovigen buitensluit. Ervan uitgaande dat er toch atheïsten zijn die hun stem alleen zouden willen geven aan een echt atheïstische partij, moet oprichting van zo’n partij toch overwogen worden. Probleem is echter dat atheïsme géén ideologie is zoals liberalisme en socialisme. Dus, hoe bind je atheïstische liberalen en atheïstische socialisten? Verder horen we steeds vaker dat de traditionele politieke partij zijn langste tijd heeft gehad. Dat type partij kenmerkt zich door het bestaan van bloedgroepen binnen de partij zelf en door de macht die een van de bloedgroepen op zeker moment weet te veroveren, daarmee alle andere bloedgroepen in verdriet of rancune achterlatend. Het gaat zelfs zover dat allerhande personen die zich tot dat moment een zekere macht hadden weten te verwerven voor de keuze worden gesteld: Òf je bent vòòr de nieuwe koers òf je dondert maar op.

Het ontwikkelde systeem kan atheïstische liberalen, atheïstische socialisten en andere ideologieën binden en zal bovendien al die bloedgroepen ruimte bieden. Het gaat daarvoor uit van een politieke federatie die in feite slechts is als een gebouw waar allerhande atheïsten een kamer kunnen bezetten en kunnen gaan voor hun eigen ideologie. Die atheïsten richten ieder hun eigen ‘groep’ op en proberen sympathisanten te werven. Zolang alle groepsleiders maar het kernmanifest van de federatie onderschrijven is er geen machtsstrijd. Zo’n manifest kan heel kort blijven, want het hoeft helemaal niets te zeggen over solidariteit, vrijheid en wat dies meer speelt in ideologieën.

De federatie maakt gebruik van het gegeven dat ons kiesstelsel is gebouwd op het principe dat 150 gekozenen formeel onafhankelijk van elkaar zijn. De groepsleiders doen allen mee met de verkiezingen op één lijst. Binnen de lijst zijn zij dan ieder een groep, bijv. de Groep Van Lenth (een eigenzinnig geluid), de Groep SociaalDemocraten (een ideologie) en de Groep DuurzaamheidEerst (een thema). De groepen verdelen vervolgens de in de Tweede Kamer verworven stemmen op basis van de op persoon verkregen stemmen. Ze spreken vooraf af op welke punten ze eendrachtig zullen optrekken. Voor de overige punten kunnen ze desgewenst samenwerkingen aangaan met andere politieke partijen. Regeringsverantwoordelijkheid willen nemen is eveneens een optie voor iedere groep apart.

Binnen de federatie zal er nooit een congres zijn waar een partijvoorzitter gekozen wordt. Of het zal moeten gaan om een voorzitter die het gedeelde belang mag uitdragen, ook in de Tweede Kamer. Iedereen kan zich sympathisant verklaren met een groepsleider. Wie er op zeker moment behoefte aan heeft om zich af te splitsen kan een eigen groep beginnen. Wie er behoefte aan heeft de politiek te verlaten kan de groep simpel opheffen of overdragen.

In de Tweede Kamer zal het natuurlijk een rommeltje kunnen worden. Zo is er nu bij debatten een enkele woordvoerder namens een politieke partij. We zien dan een nog overzichtelijke rits woordvoerders passeren in de uren van een debat. Maar stel dat de federatie maar liefst 20 zetels heeft verworven en dat het gaat om vijf groepen, wie voert er dan het woord? Simpel, zodra ze gekozen zijn splitsen de groepen zich formalistisch af en zo komen er opeens zomaar vier woordvoerders bij. Het is natuurlijk een minpuntje, maar wèl het ultieme gevolg van de nu bestaande wetten.

Er zijn belangrijke voordelen verbonden aan dit systeem. Zo kan men een centrale administratie voeren, hoeft er slechts één maal geld om aan verkiezingen mee te mogen doen opgehoest te worden en hoeven niet steeds overal handtekeningen te worden verzameld.

Goed, wat was er mis met dit concept? Het bleek dat politiek geëngageerden aan wie het werd voorgelegd uiteindelijk vooral gingen voor hun eigen ideologie en niet gemotiveerd waren om energie te steken in zo’n ideologieloze federatie die immers ook ten goede komt aan ideologieën waar ze zelf misschien juist heel erg tégen zijn, zelfs niet als het zou betekenen dat ze hun eigen ‘groep’ als eerste erin zouden kunnen onderbrengen. That’s all, zover ik weet. Meer was er niet mee mis. Nou ja, er waren ook wel mensen die vonden dat atheïsme als centraal thema niet sexy is, daarmee bedoelend dat het maar weinig kiezers zou aanspreken. Was dat zo?

Ik meende dat atheïsten er in de 20e eeuw te gemakkelijk vanuit gingen dat de wereldbevolking vanzelf zou ontkerkelijken en dat politiek binden van atheïstische krachten daarom onnodig was. Religie bleek echter over de hele wereld nog steeds een factor van belang te zijn en met name de Islam was zelfs terrein aan het winnen. Verder had juist die Islam in Nederland voet aan de grond gekregen, uitgerekend in een tijd dat we dachten te ontkerkelijken. Als al die decennia hier te lande géén ontkerkelijking had plaatsgevonden, dan zou de Islam veel minder hebben kunnen infiltreren, zo vermoedde ik. Men kon erover van mening verschillen, maar zolang er nog religieuze partijen in het parlement gekozen werden, was ook een echt atheïstische partij van groot belang. Verder vroegen een aantal hedendaagse problemen om een duidelijke atheïstische zuil; een zuil van mensen die zich durfden uitspreken over die problemen zonder rekening te hoeven houden met de religieuzen bij de achterban. Aldus meende ik.

En nu? Nu meen ik dat eigenlijk nog steeds, maar ik vermoed dat het systeem ook gebruikt kan worden met een ander bindend thema dan atheïsme. Als we kijken naar de aard van een aantal recent opgerichte partijen, dan gaat het om een slag mensen die zich allen zorgen maken om de bedreiging van de ‘vrije westerse cultuur’. Het gaat dan om de manier van aankijken van het vrije westen tegen de wereld, een manier die wordt gekenmerkt door wetenschap, geen bijgeloof, rationaliteit, mensenrechten, vrijheid van meningsuiting, emancipatie, recht op geloofsafval, democratie, secularisatie en verdraagzaamheid. Excuus als ik belangrijke termen ben vergeten. Laten we vooralsnog ‘de vrije westerse cultuur’ als het bindende thema aanhouden. Een betere term zal zich vast nog gaan aanbieden. De federatie zou dan de thuisbasis kunnen zijn voor allen die de vrije westerse cultuur willen behouden. En allen die dat niet willen zouden dan van deelname of zelfs lid maatschap moeten worden uitgesloten. Hoe kan je dat laatste in praktische zin voor elkaar krijgen? Voor mij is het overduidelijk dat de Islam in het midden-oosten is ontwikkeld en in het geheel niet in het vrije westen. Zodoende zijn moslims buitengesloten. Maar dat zal dan ook moeten gelden voor boedhisten, hindoes en nog wat religies van buiten het vrije westen. Zelfs zal dat kunnen gelden voor bewegingen die wel degelijk in het vrije westen hun oorsprong of ontwikkeling hadden, maar die evengoed datzelfde westen willen ontdoen van zijn vrij-zijn.

Critici zullen zeggen dat het vrije westen door zulke uitsluitingen zijn principes juist op het spel zet. Ik zie dat anders. Ik zie het als hoognodige uitsluitingen die moeten voorkomen dat het vrije westen door zijn eigen tolerantie ten onder gaat.

Hoe zit het met de recent opgerichte politieke partijen? De PvdR, FvD en GeenPeil, alsmede de andere nieuwkomers DENK en VNL, zijn inderdaad geen partijen voor atheïsten alleen. De meeste van hen zijn echter wel te kenmerken als beschermers van het vrije westen. De partij DENK is duidelijk de uitzondering die moet worden uitgesloten, ondanks dat die partij zegt de emancipatie van de allochtone minderheden voor te staan.

In het uitgebreide artikel waarnaar bovenaan al verwezen werd, staat ook een beginselverklaring. Die is nu gebaseerd op atheïsme als bindende factor en zou daarom natuurlijk enigszins herschreven moeten worden. Mijn hoop is dat de initiatiefnemers van de nieuwe lichting over hun eigen ego heen durven te stappen en een samenwerking in een federatie aandurven. Het kan ook om een andere reden goed uitkomen; er is onder het volk eigenlijk geen geloof meer in mensen die het vooral om de persoonlijke aandacht gaat. Wil je niet het risico lopen binnen de kortste keren te worden gezien als “ook weer zo eentje van de elite” dan is het mede-oprichten van die federatie een tactisch heel slimme zet waarmee zeker de geschiedenisboeken gehaald zal worden.

Wanneer begint ‘rechts’ met de ludieke acties, comité’s en mars door de instituties?

varkenskop-300x169Het vervelende van de Volkskrant is dat de redactie grosso modo niet aan mijn kant staat, maar dat er toch wel elke week ruimte wordt gecreëerd voor interessant debat. Zodoende ontkom ik toch niet aan een abonnement. Gisteren werd ruimte gegund aan Leon van de Weijgaert (17 nov. 16, pag. 25) bij Opinie & Debat. Die schreef een stuk dat me uit het hart was gegrepen. Zo schreef hij…

quoteDe brutale vanzelfsprekendheid waarmee links zich de publieke ruimte heeft toegeëigend als politiek platform, beperkt zich niet tot het onderwijs. Programma’s bij de NPO die moeten bijdragen aan de publieke meningsvorming zijn vrijwel allemaal in linkse handen. Voor de vorm worden bij talkshows een of enkele gasten uitgenodigd die niet in de pas lopen, maar deze staan vrijwel altijd tegenover een grote overmacht.
De politieke verhoudingen zijn niet zelden precies tegengesteld aan wat in de samenleving leeft. Hoewel de overgrote meerderheid van de Nederlanders voorstander is van een echt zwarte Piet, was het dan ook niet verrassend dat Halbe Zijlstra onlangs bij Pauw op zijn nek werd gesprongen door een overmacht die juist niet het meerderheidsstandpunt vertegenwoordigde. Arme Halbe.

Maar ook…

quoteHet valse spel van links beperkt zich niet tot de bezetting en het regisseren van de publieke ruimte. Opponenten worden niet zozeer bestreden op inhoud, maar vooral met een somatisch, psychologisch en psychiatrisch jargon dat andersdenkenden moet declasseren tot een morele en verstandelijke onderklasse die eigenlijk geen bestaansrecht heeft. Als je maar vaak genoeg te horen krijgt dat je onderbuikgevoelens hebt, xenofoob, islamofoob en weet ik wat voor foob bent, zakt je op den duur de moed in de schoenen, ga je op een gegeven moment de discussie niet meer aan en ga je zelfs niet meer naar de stembus.

Kortom, Leon van de Weijgaert neemt het op voor wat rechts wordt genoemd door dat links en dringt er bij onder andere de media op aan dat men zich gaat openstellen voor ‘de emancipatie van rechts’.

De volgende dag reageerde Christine Kuiper in de brievenrubriek. Zij liet blijken die ‘emancipatie’ te steunen, maar bekritiseerde Leon van de Wijgaert wel door erop te wijzen dat dit rechts het zelf zou moeten gaan afdwingen en niet moeten overlaten aan de linkse media; die linkse media gaan zich namelijk helemaal niet vrijwillig ervoor openstellen. Ze wijst er verder op dat rechts op dat punt veel kan leren van links, dat immers een rijke geschiedenis heeft van emancipatiestrijd, door vanuit een minderheidspositie toch te blijven vechten voor bepaalde rechten.

Ik begrijp precies wat Christine Kuiper hiermee zegt en sluit me er in principe bij aan. Goed, laten we allen hier besluiten tot activisme. We hebben jarenlang geprobeerd bepaalde volgens ons totaal logische conclusies te laten doordringen tot de hersens van degenen die de politieke keuzes mogen maken, van degenen die het voorrecht hebben gekregen het nieuws van de wereld zodanig op te schrijven en te tonen dat, al of niet verholen, de eigen ideologie erdoorheen sijpelen mag, en van degenen die werden aangewezen (door wie?) om recht te spreken. Is allemaal niet voldoende gelukt en dus is het tijd voor een andere aanpak. Maar de vraag is dan wel: Hoe dan? Wat moet die andere aanpak dan gaan inhouden? Welk pad moeten we gaan bewandelen?

Persoonlijk ben ik niet blij met de hedendaagse splijting links-rechts. Ik heb veel kritiek op (hedendaags) links, maar ik ben evengoed niet (klassiek) rechts. Ik laat me dat ook niet aanpraten. Anderzijds, ik kan mezelf ook niet meer links noemen als dat zou worden begrepen als dat ik achter partijen als de PvdA, SP en/of Groenlinks zou staan. Daarom besloot ik tot een positionering ertussenin, maar dan wel op een andere wijze dan de ons bekende ‘gematigde’ middenpartijen. Zou ik een partij oprichten, dan zou dat door mij een balanspartij worden genoemd, een partij die de argumenten van zowel ‘rechts’ als ‘links’ begrijpt (begrijpen wil) en laat meewegen in de keuzes.

Maar goed, mijn balanspartij zou veel kunnen overnemen van wat linkse mensen al vijf decennia heel goed doen. Dan denk ik eerstens aan de ludieke acties. Alleen, probleem is dat het niet meevalt om een ludieke actie te bedenken die duidelijk maakt dat je tégen het welkom heten van ‘vluchtelingen’ bent. Die boodschap is immers niet een blije of vrolijke, of eentje die een ver in de toekomst liggend utopia laat gloren. Ook heb ik gemerkt dat velen van ‘ons’ net even te serieus zijn om ons bezig te willen houden met ludieke activiteiten. Ludieke acties zijn ook meer iets voor jonge, nog heerlijk naïeve mensen, een stadium dat voor menigeen van ‘ons’ was en niet meer is. Zo zien we onszelf niet snel in stoet lopen als verklede Zwarte Pieten of gezeten op een in de demonstratie voortgeduwde handkar, daarop een oh zo zielige gelukszoeker uitbeeldend. Maar goed, als we ons uiterste best doen, dan zit er toch meer in dat mandje dan we weleens denken.

Dan hebben we nog de talloze stichtingen en comité’s (committees, komitees, zeg het maar), veelal opgericht door maar liefst twee personen. Hun activisme haalt geregeld de media, bijv. als een net opgerichte stichting het voor elkaar krijgt op de Middellandse Zee bootvluchtelingen op te pikken en aan land in Italië te zetten. Bij mij rijst dan het vermoeden dat wij eenzelfde media-aandacht kunnen krijgen als we datzelfde doen, maar dan aan land zetten in Libië. Waarom kennen wij amper dat soort activisme?

Links is goed in ludieke acties voeren en stichtingen en comité’s oprichten, maar het is er ook volledig in geslaagd ‘de mars door de instituties’ te volbrengen. Daardoor hebben ze vaste voet aan de grond gekregen in allerhande bestuurlijke organen, maar vooral ook in de media. Ik vrees dat we er niet onderuit komen ook die mars door de instituties te moeten maken. We zullen ons moeten invechten. Omroepen Powned en WNL zijn zulke pogingen om zich in te vechten op de TV en radio. Wat mij betreft moeten deze omroepen geen minuut zendtijd besteden aan leuk, maar nutteloos vertier (tenzij ze kunnen aantonen dat dit voor de verdere acceptatie van wezenlijk belang is). Ze moeten wèl onverdroten en activistisch werken aan hun politieke zending alsof de wereld ervan afhangt. En ze hoeven van mij ook niet een tot in de puntjes ‘genuanceerd’ beeld na te streven, zeker niet zolang de reguliere media overwegend links blijft handelen. Verder moeten omroepen als de VARA onder druk worden gezet. Prima dat een programma als Pauw links is, maar het moet dan wel gaan ophouden met de pretentie (wekken) dat het ook de ‘rechtse’ stem uitnodigt. Of als de VARA oprecht meent dat ook ‘de onderbuik’ bij hen een stem moet hebben, dan moet de redactie zich ècht gaan openstellen voor redacteuren die daadwerkelijke tegenkracht kunnen aanbrengen. Linkse redacteuren die af en toe ook ‘gewone burgers’ of voor die ‘gewone burger’ pleitende opiniemakers uitnodigen? Ik geloof er niet meer in. Nee, zo’n redactie zal dan echt mensen uit beide kampen moeten omvatten en dan hoort daar niet door een meerderheid of een machtsverhouding alsnog een in essentie linkse signatuur te ontstaan. Ik besef dat dit net teveel gevraagd is van de VARA.

Tenslotte nog een woordje over minderheden, meerderheden en democratie. Ik hecht zeer sterk aan het standpunt van de meerderheid, omdat ik van mening ben dat eendracht in het land niet kan als de meerderheid tegen de haren in wordt gestreken. Links blijkt in wezen volstrekt niet geïnteresseerd in de opinie van de meerderheid. Links zal alleen een meerderheid nastreven in het parlement of de gemeenteraad. Verder gaat het niet. Zoals ook Christine Kuiper schreef zijn de linkse emancipatiebewegingen aanvankelijk steeds minderheden geweest. Het is niet fout dat een minderheid een pleidooi houdt voor een standpunt, maar het heeft er alle schijn van dat juist in deze jaren minderheden geen genoegen meer nemen met de keuze van de meerderheid. Een overduidelijk voorbeeld is het Zwarte Pieten debat, of eigenlijk de dwingelandij waarmee de Anti-Zwarte-Piet minderheid het voor elkaar kreeg dat politici, media en organisaties toch maar voor aanpassing kozen. Links stond te juichen en lijkt zich er volstrekt niet van bewust dat het daarmee zonneklaar maakte een broertje dood te hebben aan echte democratie. Zo dwingelanderig – zeg maar militant – zou ‘rechts’ zich eens moeten gedragen… Het land zou te klein zijn. Terecht overigens, maar toch.

anti_zwarte_pietpro_zwarte_pietlange_neus-768x432ludieke_aktieprotest

Hoe zit het met de empathie van Jesse Klaver? Deel 2

Eerder deze week schreef ik al over Jesse Klaver’s nieuwe boekje ‘De empathische samenleving’.

Dit is deel 2 waarin ik telkens een citaat neem en daarop commentaar lever. Er volgt later deze week nog een deel 3.

 


 

Zouquote ik dezelfde Jesse zijn geweest als ik de achternaam van mijn Marokkaanse vader zou hebben gehad? Pag. 10

JK (Jesse Klaver dus) heeft de naam van zijn moeder. Hij groeide op zonder zijn inderdaad Marokkaanse vader. Het precieze levensverhaal weet ik niet. Maar over die naam heb ik wel een mening. Toen de Oost-Europese joden naar Nederland kwamen, veranderden zij hun naam. Iemand heette dan opeens Sam IJsvogel. Datzelfde deed Ahmad Queleich Khany. Die gaat nu door het leven als Sander Terphuis. Het verbaast mij al vele jaren dat wij Nederlanders deze vorm van aanpassen nooit hebben gestimuleerd. Sterker, dat wij – in kranten, op de radio en tv – ons uiterste best doen de namen van Marokkanen, Turken, Somaliërs, noem maar op, zo correct mogelijk te schrijven en uit te spreken. Ikzelf heb het opgegeven de spelling en uitspraak te onthouden. En ik weet zeker dat iemand met de naam Ahmad Queleich Khany bij een callcenter niet goed aan de bak komt als hij erop staat die naam voluit te blijven gebruiken. Het komt de integratie niet bepaald ten goede.

Dus stelde ik ooit voor om die mensen in de gelegenheid te stellen bij de overheid een werknaam aan te vragen en de originele naam te laten registreren als de naam-van-origine. Die naam van origine kan dan worden gebruikt in de privésfeer, terwijl de werknaam bedoeld is in de werksfeer. Misschien kan JK dit idee overnemen?! Of nee, ik vermoed dat hij het respectloos vindt, geheel conform het oude, linkse dogma dat we iedereen het volste recht moeten gunnen om de eigen culturele geschiedenis te blijven eren en te nemen als basis voor de eigen identiteit. Tsja, neem nou de joden als voorbeeld. Die mochten toch ook hun joodse gewoonten, rituelen, kledij en taal blijven gebruiken? Nee dus. De Amsterdamse joden werd op den duur wel degelijk te verstaan gegeven zich in de dagelijkse praktijk idem te kleden als de rest van Amsterdam, nu echt serieus werk te maken van het alleengebruik van de Nederlandse taal en de rituelen te beperken tot in en rond de synagoge. En zoals ik al schreef, zij pasten massaal hun namen aan. Dat alles gebeurde in de 17e en 18e eeuw, de tijd die bij ons te boek staat als het begin van de overal beroemde Hollandse tolerantie.

We zouden ons serieus moeten verdiepen in het verschil tussen tolerantie toen en nu, want we zijn nogal doorgeschoten, zo voorspel ik. We zijn sinds de jaren zestig op de verkeerde manier tolerant; we zijn toegeeflijk, gemakzuchtig en meegaand geworden, mede uit mentale luiheid. Het ging niet meer om tolereren onder voorwaarden, maar om onvoorwaardelijk toestaan, wellicht mede vanuit een misplaatst idee over onvervreemdbare mensenrechten.

quote“U kiest de verkeerde vijand” heb ik wel eens tegen Wilders gezegd. Wanneer hij de Islam de bron van alle kwaad noemt, maakt hij daarmee van alle moslims vijanden. Daarmee sluit hij direct alle moslims uit. Pag. 22

Het is niet goed of het deugt niet. Als Wilders het had over moslims werd hem verweten dat hij mensen wegzette. Hij begreep die kritiek wel een beetje en was het er ook wel een beetje mee eens. Dus besloot hij beter op zijn woorden te letten en nog slechts te spreken over ‘de Islam’ en ‘die religie’. Maar voor JK maakt dat niet uit. Die neemt de vrijheid om zulke uitspraken te ‘vertalen’ zodat er toch weer ‘de moslims’ staat.

Verder begrijpt JK maar niet dat Wilders het honderduit meent en dat Wilders weleens het gelijk honderd procent aan zijn zijde kan hebben. Nou ja, het is natuurlijk niet de bron van àlle kwaad. Maar het idee dat de Islam een voorname bron van veel kwaad is, wordt door behoorlijk wat intellectuelen onderschreven. Wilders is op de hoogte van die intellectuelen en er zijn verschillende die hem geregeld ‘bijpraten’. Mensen vinden vaak dat Wilders enorm overdrijft, maar het zou zomaar kunnen dat diezelfde mensen enorm onderdrijven. Wie zal het zeggen…

Hoe het ook zit met de Islam, Wilders heeft telkens weer kenbaar gemaakt dat hij niet alle moslims ziet als vijanden. Hij constateert dat heel veel moslims een zeer geringe kennis van de fundamenten van hun religie hebben en denken dat de Islam een vredelievende godsdienst is. Maar hij constateert ook dat diezelfde moslims in toenemende mate onder druk komen te staan van andere moslims die eisen dat ze de fundamentele vorm van de Islam gaan belijden; een druk die wel degelijk effectief blijkt te zijn. Hij wil die moslims juist behoeden en beschermen; een taak waarvan je alleen maar kan hopen dat het haalbaar is. In elk geval ziet Wilders niet alle moslims als de vijand.

quoteVoor politici, die van de PVV en de VVD voorop, is de inzet in het debat over [nationale] identiteit vooral een electorale strategie. Uit electoraal opportunisme wordt met stevige uitspraken over moslims, vluchtelingen en migranten ingespeeld op het gevoel dat onze nationale identiteit wordt aangetast. “Handelaren in angst” noemde Geert Mak zulke politici eens. Pag. 24
Het is een electorale strategie die groepen tegen elkaar uitspeelt en de samenleving verdeelt in plaats van verbindt. Pag. 24

Een electorale strategie en electoraal opportunisme… Elke keer weer dat dit frame wordt toegepast wordt me meteen duidelijk uit welke hoek de wind komt. De beschuldiging – meestal wordt er ook gesproken over populisme – wordt gemaakt door mensen die echt geen snars begrijpen van die denkwereld. Ofwel, er blijkt een totaal gebrek aan inlevingsvermogen uit. Stel je voor, zeg, dat die tegenstander ècht meent wat ‘ie zegt! Nee, dat kan niet waar zijn, dat moet wel een populistische poging zijn om stemmen te winnen, meer niet.

Geert Mak kreeg destijds allen die mensen als Wilders steunen over zich heen. Men herkende zich volstrekt niet in het beeld als zouden ze angst willen aanjagen. Men wilde slechts waarschuwen voor bepaalde gevaren, net zoals je wel vaker in het verleden mensen had die waarschuwden voor gevaarlijke ontwikkelingen. Een uitspraak van mij is: “Het is 1938!”. Men kijkt me dan ongelovig en glazig aan, zo van, die is niet goed snik geworden. Men pikt mijn noodkreet niet op. Heb ik ongelijk en is het overdrijving? Hadden ze in 1938 ongelijk en was het overdrijving?

Zijn het de ‘waarschuwers’ die de samenleving verdelen? Of moeten we helaas constateren dat een flink deel van de mensen zich doof en blind toont voor de waarschuwingen en bovendien heeft besloten die schreeuwers te gaan wegzetten als angst- en haatzaaiers? Als het tweede waar is, dan zijn die mensen juist degenen die de samenleving verdelen.

quote… als ik af en toe de reaguurders lees op de site van De Telegraaf of Geenstijl, kan ik ook somber worden. Het cynisme en de verongelijktheid druipen ervan af. Het internet is een plek geworden waar mensen anoniem kunnen schelden en waar alle grenzen van het normale contact tussen mensen te gemakkelijk worden overschreden. Pag. 25-26

Ook ik lees die sites en ik deel de kijk van JK in het geheel niet. Zeker, er zijn erbij die groffe woorden gebruiken. Maar er zijn wel degelijk moderatoren die dan ingrijpen. Wat er rest, kan bij typen als JK blijkbaar nog steeds niet door de beugel, maar bij typen zoals ik wel degelijk. Er zitten heel veel deskundige mensen bij de reaguurders (een naar woord waarmee ze helemaal geen moeite hebben) en de informatie die ze in hun kleine reacties geven is mij geregeld zeer van nut. Ze vertolken standpunten die je in de reguliere media niet aantreft, vertellen de bijbehorende argumenten en feiten en verwijzen naar hun bronnen. Ik zou wensen dat de reguliere media mij zo goed voorlichtten. Steeds vaker laat ik de krant de krant, ik kijk niet meer dagelijks naar Pauw en het NOS-journaal interesseert me niet echt meer.

JK c.s. zouden er goed aan doen, in het kader van je proberen in te leven, met meer goede wil de reacties op de sites van De Telegraaf, Geenstijl, Joost Niemöller en TPO tot zich te nemen. Kunnen ze echt veel van leren!

quote… debatten zijn onmogelijk als we elkaar alleen maar als vijanden zien. Wij zijn wellicht politieke tegenstanders, maar we mogen elkaar niet tot vijanden reduceren. Pag. 30-31

Kijk, daar ben ik het echt volkomen mee eens. Toch heeft JK het niet voor elkaar gekregen Wilders in zijn boek neer te zetten als een geachte politieke tegenstander. Integendeel, telkens weer bekroop me het gevoel dat hij in hem zijn vijand ziet.

Toevallig keek ik deze week weer eens naar Pauw (ik zapte er per ongeluk langs, sorry) en daar zaten JK, Maurice de Hond, Jort Kelder en nog wat anderen. Ter sprake kwam of Groenlinks bereid was om met de PVV te gaan regeren. Geen sprake van, zo bleek uit JK’s antwoord. Nu snap ik best dat je daarmee nog niet erkend hebt dat je Wilders ziet als vijand. Maar toch, de afkeer zat diep, zoveel werd wel duidelijk. Terecht werd door Jort Kelder opgemerkt dat zo’n standpunt de PVV alleen maar meer stemmen gaat opleveren, net zoals Trump meer stemmen kreeg met elke vuige uithaal van Hillary of een ander persoon uit het politieke establishment. De ‘vijanden’ van Wilders hebben het gewoon niet door hoe dat tegenwoordig werkt. Over inlevingsvermogen gesproken…

Hoe zit het met de empathie van Jesse Klaver?

aap met geliefde

“Oei, als dat maar goed blijft gaan”, bedenken sommigen zich. Inderdaad, anderen bedenken zich dat volstrekt niet. Die zeggen meteen “Oh, wat schattig”.

Dertig jaar jong, de leeftijd waarop nog maar een paar eeuwen geleden de nodige filosofen hun beroemde boeken schreven. Het kàn dus wel, een boek schrijven op die leeftijd, en zo deed Jesse Klaver. Terugdenkend aan mezelf op die leeftijd, denk ik dat ik het niet zo had gekund. Het mag gerust knap worden genoemd. Toch zijn er twee argumenten waarom het enerzijds toch ook weer niet zo heel knap is en anderzijds ook weer niet zo filosofisch doorwrocht als eigenlijk moet, wil je de geschiedenis helpen schrijven anno 2016.

Jesse Klaver – ik stel JK voor – is geholpen door een heel team op allerlei facetten. Zijn team heeft ervoor gezorgd dat ‘De empathische samenleving’ (want zo heet het hier besproken boek) niet tezeer afwijkt van het partijprogram van Groenlinks. Maar ook dat het goed leest, dat het alle tegenwoordige hete hangijzers bespreekt, dat er consistentie in zit (wat iets anders is dan dat het waar is), dat er enkele filosofen worden geciteerd en dat de genoemde feiten eerst gecontroleerd zijn.

En dat het niet zo doorwrocht is, zal hopelijk ook JK zelf ontdekken ergens in de toekomst, met het groeien van de ervaring, de wijsheid en het inzicht. Over inzicht gesproken, inzicht hangt natuurlijk nauw samen met empathie, een van de hoofdthema’s van het boek. Helemaal terecht legt JK de vinger op een zere plek. Het ontbreekt inderdaad heel veel mensen aan empathie. Hij en ik zijn het op dat punt dus eens. Toch verschillen we zeer sterk in de benoeming van wie er dan toch zo empathiegebrekkig zijn. JK is net als alle andere Groenlinksen progressief ingesteld en dat houdt in dat hij heel veel zaken ziet waar we met zijn allen echt aan moeten werken, om het onrecht dat nu nog wordt aangedaan weg te nemen. Hij neemt waar dat er bij “rechtse” – hij heeft het over nieuwrechtse – mensen een groot gebrek aan inlevingsvermogen is waar het gaat om het trieste lot van bijvoorbeeld vluchtelingen. Vandaar dat hij een soort van beroep doet op die groep om toch vooral te pogen meer empathie op te brengen. Ik schrijf bewust ‘een soort van’, want nergens doet hij dat expliciet en dat is eigenlijk wel frappant. Nergens richt hij het woord tot alleen maar die groep. Overal heeft hij het over ‘wij’, zoals “we moeten openstaan voor de frustraties van de ander…”.  Maar ook heeft hij het heel veel over ‘wij’ omdat hij verbondenheid zoekt, zoals “Mijn Nederland is een land dat ‘het wij’ groot maakt, dat insluit, niet uitsluit, dat tegenstellingen met humor en inlevingsvermogen tegemoet treedt, dat samen vreugde en verdriet deelt.” (pag. 93) Het is een manier van praten die in de allereerste plaats allen aanspreekt die niet houden van diepgaande verdeeldheid. En gelijktijdig vertelt hij dan even hoe al die tot de wij-groep behorende mensen moeten denken. Ze moeten namelijk insluiten en vooral niet uitsluiten. Dat vormt voor hem dan meteen een mooie basis om allen van die wij-groep uit te sluiten die niet-insluiten-en-wel-uitsluiten, althans naar het oordeel van de elite van de wij-groep. En dan beginnen ‘wij’ maar meteen met de exponent van de uitsluiters: Wilders.

Gek is dat toch… Gek, al dat praten over wij en ondertussen keihard een cordon sanitaire leggen – een wij versus zij vormen – om allen waarvan wordt gedacht dat ze willen uitsluiten…. Nu ben ik van mening dat niet elke poging om uit te sluiten even verfoeilijk is. Het zou dus kunnen kloppen dat JK en de zijnen terecht Wilders c.s. willen uitsluiten. En idem dito zou het ook kunnen dat Wilders c.s. terecht een groep willen uitsluiten. Om die reden zou ik nu op mijn oudere dag nooit meer schrijven wat ik op mijn dertigste wèl schreef: We mogen niemand uitsluiten! Tuurlijk mogen we individuen en zelfs groepen uitsluiten. Waar het om gaat is of dat uitsluiten moreel en ethisch verantwoord en het meest juiste om te doen is. Over die vragen moet het gaan in de debatten en in de Tweede Kamer. En daarvoor heb je absoluut mensen als Wilders nodig. In de rechtspraak hebben zowel de verdachte als het slachtoffer recht op een advocaat. In het debat moeten àlle argumenten tot hun recht kunnen komen. Alleen al de voorspellende ‘gave’ van Wilders mag zo langzamerhand toch wel een soort van bewijs van competentie worden genoemd. Elke vorm van uitsluiten van Wilders is om die en andere redenen moreel en ethisch onverantwoord en het meest foute wat je kan doen! Je hebt hem en de zijnen nodig om te komen tot antwoorden op prangende maatschappelijke problemen, ja zelfs om oorlog te voorkomen. Tot antwoorden waar een èchte meerderheid voor is en die het vertrouwen in de politiek van vele burgers weer wat doet toenemen.

Nu is het wel zo dat JK toegeeft dat Wilders er toch wel bijhoort: “Ik moet er niet aan denken dat Nederland uit alleen Klaver-Nederlanders zou bestaan. De Rutte-, Wilders- en Ozdil-Nederlanders doen er net zo toe. We wonen allemaal in hetzelfde land.” (pag. 93) Op vele andere plekken in het boekje komt Wilders er echter ‘niet goed’ vanaf, en dat is een eufemisme. Op zich is het normaal voor een politicus dat er wordt gewezen op de onderlinge verschillen. Ook is het normaal dat de politicus dat verhaal zo vormgeeft dat het eigen verhaal als beter overkomt. Maar hoever mag je daarin gaan? Mag je de ander onheus bejegenen? Rare vraag natuurlijk. Tuurlijk mag dat niet. Toch gebeurt het elke dag weer, althans naar het oordeel van Wilders c.s.. Die hebben het dan over gedemoniseerd worden. JK en de zijnen snappen daar niets van en gaan rustig door. Dan wordt er een beeld geschetst van de PVV als een totaal ondemocratische – ja zelfs dictatoriale – partij, met als argument dat er maar één lid is. Alsof in een democratie iedere politieke partij ook intern een ledendemocratie moet zijn, wat gewoon onwaar is. Het gaat er in een democratie om dat de burgers vrij zijn landelijk, provinciaal, gemeentelijk te kiezen. Iedereen is vrij om de PVV niet te kiezen; Wilders erkent dat recht honderduit en daarom is hij wèl een democraat. Zo simpel is het. Maar zo’n oersimpel verhaal kan je menig politiek betrokken Nederlander niet aan het verstand brengen. Laat ik nou denken dat dit een zeker gebrek aan inlevings- of in elk geval voorstellingsvermogen aan het daglicht brengt. Of zou het kwade wil van die mensen zijn…

JK zou nu vast willen antwoorden dat dit onheus bejegenen minstens wederzijds is en zelfs heftiger gebeurt aan de Wilders-zijde.  Zeker, het is wederzijds. Maar is het aan de Wilders-zijde echt heviger? Ik betwijfel dat. Neem nou Wilders’ uitspraak dat de Tweede Kamer een nepparlement was. Hij deed die uitspraak in de context van een debat over de asielopvang. Kamerleden applaudisseerden toen Pechtold gemeenten bedankte die asielzoekers opnamen. Volgens Wilders ging dat applaus in tegen de wil van miljoenen Nederlanders en hij vond het een nepparlement. Merkwaardig genoeg werd dat opgevat als een veroordeling van het hele parlementaire systeem en werd gemeend dat Wilders dus helemaal geen democraat was, maar eerder een potentiële dictator. Terwijl Wilders eigenlijk zei: Kom op, mede-politici, laten we hier nou eens onze taak op een professionele wijze vervullen. We zijn een parlement dat rekening hoort te houden met de stemverhoudingen, niet alleen in het parlement zelf, maar ook in het land, geen kinderspeeltuin waar we net doen alsof, en ook geen voor-wat-hoort-wat handjeklap markt, en ook geen de-meerderheid-kan-me-de-pot-op bedrijf. Ofwel, hij pleitte voor een serieuzere opvatting van de taak. Zo simpel is het. Maar zo’n oersimpele uitleg kan je menig politiek betrokken Nederlander niet aan het verstand brengen. Laat ik nou denken dat dit een zeker gebrek aan inlevings- of in elk geval voorstellingsvermogen aan het daglicht brengt. Of zou het kwade wil van die mensen zijn…

Zo kan ik nog wel even doorgaan met JK’s boek over de empathische – maar niet heus – samenleving. Dat ga ik het volgende blog doen. Dan zal ik diverse citaten uit het boekje geven met daarbij mijn commentaar. Commentaar waaruit zal blijken dat de standpunten van deze dertigjarige toch echt nog onvoldoende doorwrocht zijn en dat hij daarom geregeld foute keuzes maakt. Daar zal ik ook ter sprake brengen wat ik hier al eerder besprak.

De satire van Arjen Lubach was dit keer ronduit vals

Arjen Lubach heeft me afgelopen zondagavond zeer geërgerd, zodanig zelfs dat ik de televisie uitzette. Lubach ging gewoon te ver, veel te ver. De satire was me tè onevenwichtig. Belangrijker, de satire was ronduit vals, dus ver voorbij het punt dat ook degenen die het onderwerp van de satire zijn er nog wel, weliswaar besmuikt, om kunnen lachen.

Aanleiding was het besluit van RTL om Zwarte Piet in de ban te doen. In de satire werd ook het fragment van Halbe Zijlstra bij Pauw herhaald en herhaald en herhaald en herhaald, na eerst Halbe te hebben vergeleken met een ontroostbaar klein kindje. Het was kwetsende tv voor allen die zich boos maken over alle aanvallen op Zwarte Piet. De enigen die zullen hebben gelachen – nee, geschaterd – waren vast zij die de maatregel van RTL heel mooi vinden en beschouwen als een overwinning.

Normaal gesproken ben ik wel fan van Arjen Lubach. Hij lijkt een pleitbezorger van democratie en mensenrechten, zoals diezelfde avond tot uiting kwam in zijn satire op Saoedi-Arabië. Ook kan ik het billijken dat een satiricus een minderheidspositie kiest. Maar in de zwarte-piet discussie vergaloppeert Arjen Lubach zich. Hij lijkt niet te beseffen dat hij zo de zijde koos van ondemocratische drammers. Ondemocratisch omdat ze, tegen de uitdrukkelijke wil van meer dan 80 procent van het Nederlandse volk in, geen enkele moeite ermee hebben om Zwarte Piet om zeep te helpen.

Het programma ‘Zondag met Lubach’ is niet van de eerste tot de laatste letter het werk van Arjen zelf; er zit een heel team achter. Een redactie die normaal gesproken vrij veel energie stopt in het op een rijtje zetten van de feiten en argumenten alvorens er grappen over te gaan bedenken. Hun zwarte-piet dossier blijkt echter zeer krakkemikkig van samenstelling te zijn. Of als de pro-zwarte-piet feiten en argumenten er wèl in vermeld staan, dan wordt binnen die redactie daarover blijkbaar zeer lacherig gedaan. Het beeld doemt op van een paar mensen met heel veel gevoel voor humor. Maar helaas zijn die mensen bovendien behoorlijk zelfingenomen en missen ze vooralsnog de nodige wijsheid. Zij besteden wel – zeer politiek correct – lippendienst aan de democratie, maar weten nog niet wat democratie feitelijk inhoudt: Uiteindelijk toch respect tonen voor de wil van de meerderheid. Juist in een democratie zal menig satiricus ook of vooral kritiek op meerderheidsstandpunten hebben, maar een satiricus die bovendien geeft om democratie zal toch ook laten blijken dat de wil van de meerderheid wèl van belang is en respect verdient. Daarom zal de democratisch satiricus in zijn humor nooit zover gaan dat die meerderheid zich uitgelachen voelt. Lacht de satiricus de meerderheid toch uit, dan is het eerder een nihilist of een latente, wannabe dictator dan een democraat.

Dus, Arjen, zeg het maar. Wat wil je zijn, waar sta jij? Ga je door met schijt hebben aan de meerderheid?