Discriminatie

say no to racism

Wat is daar links toch in vredesnaam aan de hand…

U krijgt nieuwe buren. Het gaat om een Nigeriaans gezin. De vader is begin 20, de moeder eind 10. Er zijn reeds 3 kinderen: 4, 3 en 1,5 jaar. Het ziet ernaar uit dat het gezin nog lang niet af is. Dat wordt dus vanaf deze maand een kroostrijke buurt. U mag niet discrimineren, dat weet u. Dus… wat zegt u? Helemaal niets, behalve “Welkom in onze buurt”. Nou ja, in het Engels dan: “Welcome in our neighborhood”. Maar meent u het? Tuurlijk, want niets is vervelender dan je een racist voelen.

U krijgt een nieuwe collega. Het gaat om een 22-jarige Nederlander met Marokkaanse ouders. Hij heeft marketing of zoiets gestudeerd aan de Hogeschool. Zijn naam is onuitspreekbaar. Bij het voorstellen heeft hij het allen niet makkelijker gemaakt door te zeggen: “zeg maar Bas”. Nee, het zal en moet “El Bachir” zijn. En de manier van Lees verder

Advertenties

Het Europees Hof steunt bedrijf dat neutraliteit wil, maar gaat lang niet ver genoeg

DISCLAMIER – LET OP! DIT IS EEN ESSAY OMWILLE VAN DISCUSSIE!

Een bedrijf mag onder voorwaarden van een werknemer vragen geen hoofddoek te dragen, zo besliste het Europees Hof van Justitie afgelopen dinsdag.

De zaak was aangespannen door de Belgische moslima Samira Achbita. Zij werkte al een aantal jaar als receptioniste bij een bedrijf en begon toen opeens een hoofddoek te dragen. Omdat zij niet inging op aanwijzingen om de hoofddoek weer af te doen, werd zij ontslagen. Het bedrijf wilde niet dat het personeel ‘religieuze, politieke of filosofische tekenen’ zichtbaar uitdraagt.

albert_heijn

Klik op deze foto om te lezen hoe de Belgsiche regering halverwege 2016 over de door Samira aangespannen zaak dacht. De regering vond het een geval van directe discriminatie en zal nu dus wel ontevreden zijn met de uitspraak.

Wel stelde het Hof dat zo’n aanwijzing vereist dat de werknemer er vooraf mee heeft ingestemd, waarbij een mondelinge of terloopse instemming onvoldoende is. Dit impliceert dat een bedrijf op de proppen zal moeten komen met een te ondertekenen verklaring. Een bedrijfsreglement waarnaar wordt verwezen in het arbeidscontract is ook voldoende.

Deze uitspraak lijkt winst voor wie iets tegen bijvoorbeeld hoofddoeken op de werkvloer heeft, maar helaas mag de uitspraak niet op die manier worden uitgelegd. Het mag alleen als er door het bedrijf neutraliteit mee wordt beoogd en dat het dus ook geldt voor uitingen van andere religies en zelfs politieke standpunten, ideologieën of filosofieën. Daarmee is de uitspraak alsnog een waardeloze geworden in de ogen van degenen die hun werkvloer willen vrijwaren van specifieke personen die specifieke standpunten uitdragen.

Neutraliteit

Jeroen Temperman, hoofddocent internationaal publiekrecht aan de Erasmus Universiteit, vindt het een ‘verstrekkend arrest’. Hij wijst erop dat het Hof het neutraliteitsideaal van de staat toepast op bedrijven. “Dat de staat een neutraal en seculier imago nastreeft voor publieke functies zoals rechters valt te rechtvaardigen. Maar dat het Hof dit neutraliteitsideaal oprekt naar de private sector lijkt me onwenselijk. We leven in een pluralistische samenleving, waarin het logisch is dat een bedrijf de maatschappij weerspiegelt.” Dit lijkt me toch echt een denkfout van de beste man, universitair of niet, deskundige of niet. Wat is er logisch aan dat we de overheid verplichten neutraliteit na te leven en de bedrijven verplichten neutraliteit juist na te laten? De vraag stellen lijkt me hem beantwoorden. Als een bedrijf neutraliteit wenst uit te stralen, dan moet het bedrijf daartoe in staat worden gesteld. Als dat betekent dat sommige mensen zich daarna niet meer vrij voelen om er te solliciteren, is dat een probleem van die mensen, niet van het bedrijf.

Weren van zekere religies of ideologieën

Maar ik zou het verder willen doortrekken. Ik vind dat elk bedrijf, groot én klein, het recht heeft om een niet-neutraal personeelsbestand na te streven. Ik vind dat het een bedrijf, groot of klein, vrij staat om reeds in de personeelsadvertentie aan te geven dat het geen sollicitaties in behandeling neemt die getuigen van een zekere en openlijk uitgedragen religie of ideologie.

\Let op, ik pleit hier dus niet voor racisme of discriminatie inzake eigenschappen waaraan het individu niets kan doen. Huidskleur, afkomst, sekse en – wat mij betreft – seksuele geaardheid zijn zulke eigenschappen. De keuze voor een zekere religie of ideologie is wel vrijwillig gemaakt, al besef ik dat het moeilijk kan liggen als je in een zekere gemeenschap bent geboren en opgegroeid en de sociale druk in die gemeenschap zo enorm groot is dat het in de praktijk niet of amper lukt je te onttrekken aan de religie en/of ideologie van die gemeenschap. Kortom, er is een grijs gebied tussen voldongen en niet te veranderen eigenschappen enerzijds en vrijwillige keuzes anderzijds.

Zeker voor de eigenaar van een klein bedrijf kan het heel moeilijk liggen om personeel te hebben dat een religie of ideologie uitdraagt waar die eigenaar juist van gruwelt.

Berufsverbote

Ik besef dat dit kan neerkomen op Berufsverboten op microschaal en dat het zich ook kan keren tegen bijvoorbeeld mijzelf; mijn werkgever zou kunnen betogen dat het van mij af wil vanwege mijn politieke voorkeur.

Om het weren van mensen niet al te gemakkelijk te maken, moeten er wel aanvullende regels zijn. Ten eerste moet het gaan om openlijke uitingen van zo’n religie of ideologie. Hierboven onderstreepte ik die voorwaarde al, door het te hebben over ‘openlijk uitdragen’. Ten tweede moet er toch wel enige relatie bestaan met de aard van de werkzaamheden. De werkgever zal dus wel degelijk moeten beargumenteren wat er dan wel zo problematisch aan dat openlijk uitdragen is. De huidige wet biedt al enige ruimte om bij het werven van personeel te ‘discrimineren’. Maar in tegenstelling tot wat de wet nu op dat punt aan mogelijkheden biedt, vind ik ook het argument dat het de eendracht onder het personeel raakt een geldige.

Judenrein

Dit alles gezegd hebbende wil ik ook de kanttekening plaatsen dat bedrijven, groot én klein, er dan wel open over moeten zijn en niet slechts naar wie er expliciet een vraag over stelt. Stel je hebt een banketbakkerszaak en je wilt echt geen hoofddoekjes bij je personeel zien, dan verwacht ik wel dat dit openlijk wordt toegegeven. Nu zal menigeen meteen het schrikbeeld voor zich zien opdoemen van winkels die “Judenrein” op een bordje hadden. Bedenk echter dat je er ten eerste niets aan kan doen jood te zijn, dus dat zoiets verboden is en blijft, en dat het ten tweede alleen mag gaan om het openlijk uitdragen. Dus als er al een bordje is, dan zal daar hooguit mogen staan dat er met het joodse personeel is afgesproken dat er geen keppeltjes worden gedragen. Wat ideologie betreft is een openlijke verklaring iets lastiger. Er is immers een wet op de privacy. Het lijkt me niet logisch dat er bordjes verschijnen met de tekst dat het pvv-personeel in de winkel niet zal praten over politieke onderwerpen. En tenslotte kan een restrictief personeelsbeleid zich ook juist keren tégen het bedrijf, groot of klein. Ondernemers zijn uiteraard gebrand op klanten en zullen zich wel twee keer bedenken alvorens te kiezen voor een restrictief personeelsbeleid.

Niet mee eens? Reageer maar. Juist wel mee eens? Betuig maar je steun. Gaat het je nog lang niet ver genoeg? Schrijf maar op in je reactie.

Volgens Baudet zijn alle mensen fundamenteel gelijkwaardig – Ik durf dat te betwijfelen

Opheffer-23-2014_schoonheid

Uit de verkiezingscampagne van het Forum voor Democratie van Thierry Baudet c.s.:

“Alle mensen zijn fundamenteel gelijkwaardig, ongeacht geslacht, ras of seksuele gerichtheid.”

Dat lijkt me allereerst een pleonasme. Immers, als alle mensen gelijkwaardig zijn, dan doet het er ook niet meer toe daar nog een ‘ongeacht’  aan vast te plakken. Waarom wordt dat dan toch gedaan? Of zijn volgens Baudet c.s. mensen niet gelijkwaardig als het om enig ander kenmerk gaat, zoals etnische afkomst of bezit of lengte of intelligentie of aantrekkelijkheid of …, zeg het maar.

En wat te denken van ‘fundamenteel’? Wat betekent het dat mensen ‘fundamenteel gelijkwaardig’ zijn? Wat bedoelen ze hier met dat bijwoord? Is het een synoniem voor ‘bij geboorte’ of ‘uit principe’ of ‘in principe’ of ‘in wezen’ of …, zeg het maar.

Misschien hadden ze beter kunnen schrijven: “Alle mensen zijn gelijkwaardig.” Of zouden ze dat dan toch weer te kort door de bocht vinden?

Het is overigens nogal een politiek correct standpunt om alle mensen gelijkwaardig te vinden. Bijna iedereen zal instemmend knikken, maar ik weet niet of ik met dat standpunt nou zo blij ben. Het is namelijk nogal een standpunt dat goede analyses en oplossingen flink in de weg kan staan. Een analyse kan ertoe leiden dat men eigenlijk vindt dat anderen vijanden zijn die bestreden moeten worden. Maar mag je zoiets wel vinden van Baudet? Ook sluit het standpunt niet goed aan bij hoe de mens gedurende de afgelopen 20 duizend jaar, en nog eerder, heeft gedacht. Voor de natuurmens gold èn geldt nu eenmaal dat het hemd nader is dan de rok en dat sommigen aantrekkelijker worden gevonden dan anderen, al zijn er de nodige krachten geweest die ons deze natuurhouding hebben proberen af te leren, die ons hebben proberen te ‘beschaven’.

===

Het probleem van de niet bestaande fundamentele gelijkwaardigheid is een belangrijk onderwerp van het boek Sociaal Humanisme. Er is ook een brochure “Kan een samenleving zonder religie?” verkrijgbaar met de eerste vier hoofdstukken. (Victor Onrust)

Contractsocialisme – De redding voor de PvdA?

asscher de patriot

Lodewijk Asscher zet zich in dit filmpje nog af tegen nationalisten als Wilders, maar zou zijn partij een grotere dienst bewijzen door dat niet te doen.

Contractsocialisme, de term klinkt in elk geval als een klok. Wat houdt het in? Het idee achter de term ‘contractsocialisme’ is dat de socialisten van een groep een contract onderschrijven dat een aantal zaken socialistisch regelt. Laten we twee woorden uit die zin eens nader toelichten, groep en contract.

Groep

Voor Internationale Socialisten gaat het uit diep principe erom dat het socialisme overal op de wereld verwezenlijkt wordt; met minder nemen zij eigenlijk geen genoegen. Internationale Socialisten zijn nooit tot de verwezenlijking van deze utopie toegekomen en zullen dat ook nooit gaan verwezenlijken. Zij weten dat en desondanks geven zij zich niet gewonnen; zij zijn dus zeer principieel en radicaal. Iets minder principiële socialisten lieten zich niet weerhouden de ideologie op kleinere schaal te bepleiten. (Okay, laten we veronderstellen dat er ook socialisten zijn die uit principe niet geloven in een wereldwijde verwezenlijking.) Verwezenlijking lukte geregeld wel binnen een staat, al was dat veelal pas na een gewelddadige revolutie, en zelfs ontstonden er verbanden tussen staten. We zouden dat nationaalsocialisme kunnen noemen, ware het niet dat die term besmet is geraakt. Erger zelfs, socialisme koppelen aan nationalisme wordt door menig socialist verafschuwd, waarschijnlijk vooral vanwege wat er gebeurd is onder het Duits nationaalsocialisme. (Deze afschuw lijkt weinig rationeel, want in theorie kan verwezenlijking van socialisme binnen een staat ook geweldloos en democratisch gebeuren.) Waar socialisten er niet in slaagden de hele staat naar de ideologie in te richten, werden pogingen ondernomen een kleinere groep te formeren of binnen een land, stad of dorp de politieke macht minstens tijdelijk naar zich toe te trekken via democratische verkiezingen, om in die tijd zoveel mogelijk van de ideologie te realiseren.

Contract

Het gaat niet om een contract met afspraken waar handtekeningen onder staan. Hier wordt gerefereerd aan het ‘sociaal contract’ dat door de nodige filosofen als concept is geënt. Bij een sociaal contract gaat het in eerste instantie om een impliciet en hypothetisch contract. We geven ermee bepaalde vrijheden op en kennen bepaalde rechten toe aan de gemeenschap, teneinde de voordelen van het samenleven te bevorderen. Niet alleen socialisten kennen zo’n contract, maar ook bijvoorbeeld liberalen. Het concept staat in feite los van de ideologie. Wel is het een kenmerk dat elke samenleving schetst.

Met name de definitie van ‘de groep’ stelt in staat om over vormen van socialisme te spreken zonder dat men meteen beschuldigd wordt van racisme, fascisme, nazisme of discriminatie. Het idee is dat het een groep vrij staat om zich onderling solidair te betuigen en zich niet verplicht te voelen die solidariteit ook te betuigen naar de mensen die niet van zins zijn het contract mede aan te gaan. In de praktijk betekent dit al snel dat de leden van een groep een geavanceerd stelsel van sociale voorzieningen hebben afgesproken en dat anderen geen vanzelfsprekend recht hebben om van de voordelen van dat stelsel mee te profiteren. In feite wordt hiermee gezegd dat contractsocialisten zich niet verplicht voelen op te komen voor de rechten van wie dan ook, wel voor de rechten van de groepsleden. Hiermee is niet gezegd dat ze nooit voor niet-groepsleden zullen opkomen, maar als dat gebeurt zal dat zijn op basis van humanitaire overwegingen én zelfgekozen bereidheid, dus niet vanuit een onherroepelijke, opgelegde plicht. Waarschijnlijk zal een contractsocialist snel geneigd zijn hulp te verstrekken aan leden uit een andere vergelijkbare groep en daarentegen amper hulp willen bieden aan groepen die gekant zijn tegen socialistische ideeën of ideeën die eraan verwant zijn, zoals democratie.

Discriminatie

Dit model legitimeert discriminatie, of eigenlijk, het veroordeelt niet àlle vormen van discriminatie. Daarmee is het in de ogen van een deel van de mensen een onethische ideologie. Ik vermoed dat het vooral die mensen tegenstaat die zelf niet zo sterk zijn in het onderscheiden van vormen van discriminatie. Die mensen hebben behoefte aan een overduidelijke, goed zichtbare grens. Zij veroordelen àlle discriminatie, simpelweg omdat ze het vermogen missen de ernst van een discriminatie af te zetten tegen de argumenten van degenen die discrimineren. Zij lijken niet in staat nuances te onderscheiden. Laten we die mensen daarom zwartwit-zieners noemen.

Niemand noemt het discriminatie als een jonge vrouw en man met elkaar gaan trouwen. Toch hebben zij daarmee elkaar uitgekozen en dus anderen juist afgewezen. Dit is een voorbeeld van een situatie die feitelijk wel discriminatie is, maar toch niet zo genoemd wordt. Zelfs de zwartwit-zieners hebben daarmee geen moeite, wat erop duidt dat er een cultureel aspect meespeelt. Blijkbaar is ons ingeprent dat bepaalde zaken niets met discriminatie te maken hebben en zijn we daarin gaan geloven, ondanks dat het wel degelijk gaat om onderscheid maken.

Er zijn andere situaties die minder ‘vanzelfsprekend’ (ofwel ingeprent) zijn. Een jonge ondernemer heeft personeel nodig en heeft een paar vrienden met wie hij goed overweg kan. Hij besluit ze een baan aan te bieden. Ook deze situatie zal aan de ‘aandacht’ van menig zwartwit-ziener ontsnappen. Maar het kan ook gebeuren dat de ondernemer wordt verweten vriendjes voor te trekken. Iets ernstiger, maar nog steeds niet voor iedereen onoverkomelijk, wordt het als een ondernemer aangeeft dat de functie een representatieve vrouw vereist. Dan naderen we al rap de gevarenzone. Want wat ervan te vinden als de ondernemer bovendien slechts een blanke representatieve vrouw wenst? Als hij het kan beargumenteren met een legitieme reden, zal het nog worden getolereerd. Gaan we verder: De ondernemer wil slechts atheïsten als collega’s. Als het gaat om een baan bij een humanistische instelling is het nog steeds okay, volgens ons wetboek. Maar wat nu als het gaat om een zeer klein bedrijf en de eigenaar vindt de islam een verderfelijke ideologie. Mag hij dan in de wervingsadvertentie zetten dat moslims niet kunnen solliciteren? Ons wetboek verbiedt dat, zelfs als de ondernemer hartgrondig van mening is dat hij alleen op die wijze vette ruzies tijdens het werk kan voorkomen. Teruggaand naar het contractsocialisme, daar zou het een socialistisch bedrijf wellicht toegestaan worden om ‘antisocialisten’ als personeel te weigeren. Is dat de donkere kant van deze vorm van socialisme?

Menigeen zal nu met walging in de stem roepen dat zoiets de terugkeer betekent naar oude tijden waar katholieken bij katholieken kochten en protestanten bij protestanten, ook al woonden ze in dezelfde wijk. Is die walging terecht?

Homogeen

Hoe het ook zij, in de praktijk lijkt de kans op socialisme groter naarmate de groep homogener is. Dan gaat het natuurlijk eerst en vooral over breed gedeelde normen, waarden, gewoonten en tradities. Zeker vroeger zagen we dat die homogeniteit er dan ook in etnische zin was. In de tegenwoordige tijd, door alle migratie, is van etnische homogeniteit niet meer overal sprake. In theorie hoeft een toegenomen etnische heterogeniteit de homogeniteit inzake de normen, waarden, gewoonten en tradities niet te treffen, maar in de praktijk blijkt dat toch wel degelijk het geval te zijn geweest. Onlogisch is dat niet. Immers, etnische migratiestromen leiden òòk tot een heterogener stelsel van normen, waarden, gewoonten en tradities, zeker op de kortere termijn. Daarom durf ik de voorspelling aan dat socialistisch ideeëngoed meer kans maakt naarmate de groep etnisch homogener is. Er is een daarbij horende voorspelling, dan wel verklaring achteraf: In een etnisch heterogene, zeg maar rustig multiculturele, samenleving die in een eerder stadium sterk socialistische trekken had, verliezen de mensen gaandeweg hun geloof in het socialisme. Maar van alle vormen van socialisme zal contractsocialisme dan nog het langst weten stand te houden of zelfs kunnen groeien. Mensen zullen een terugtrekkende beweging maken, dus zich meer op de eigen groep willen focussen en de saamhorigheid daarbinnen willen opbouwen.

Contractsocialisme

Contractsocialisme zal er vast voor zorgen dat het socialistisch ideeëngoed blijft bestaan. Echter, mede gezien alle migratie lopen de weidsere vormen van socialisme gevaar te gaan verdwijnen, namelijk indien we de koppeling tussen enerzijds socialisme en anderzijds nationalisme – of noem het patriottisme of vaderlandsliefde – principieel afwijzen. Het merendeel van de hedendaagse socialistische politici – denk aan de PvdA, maar ook aan Groenlinks en SP – wijst deze koppeling af en ondermijnt zo de toekomst van het eigen socialistisch ideeëngoed! Het leidt logischerwijs tot nòg minder zetels; dat ze even beseffen daaraan zèlf schuld te hebben. Ik begrijp volkomen dat ze het woord nationaalsocialisme niet uit hun mond kunnen krijgen, want mij lukt dat ook niet. Ik stel voor dat we de koppeling tussen socialisme en nationalisme voortaan met de term contractsocialisme gaan benoemen, waar het immers een subvorm van is. Zeker, contractsocialisme kàn een donkere vorm aannemen. Maar daar zijn we zelf bij en daar gaan we gewoon voor waken.

Artikel 137c spreekt Wilders juist vrij!

Wilders is toch veroordeeld en dat had nooit mogen gebeuren. Oneens? Lees dan toch vooral eens dit betoog.

Sint Maarten en Aruba hebben sinds 2012 een nieuw Wetboek van Strafrecht. Ons artikel 137c is hun artikel 2:60. Opvallend is dat daarin expliciet nationaliteit wordt genoemd.

Art. 2:60 (Sint Maarten en Aruba) Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of door middel van een afbeelding of van gegevens uit geautomatiseerde werken, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, kleur, taal, nationale of maatschappelijke afkomst, of lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap of geslacht dan wel hetero- of homoseksuele gerichtheid, of het behoren tot een nationale minderheid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie. (zie alhier, mijn vet)

“Zie je nou wel!”, zou menigeen nu kunnen roepen, “tuurlijk moet ook nationale afkomst een grond zijn”. Maar die mensen zouden dan ook meteen moeten erkennen dat nationale afkomst niet als ras kan worden beschouwd, immers ze zijn in dat artikel als aparte kenmerken benoemd. En in ons artikel 137c staat nationale afkomst dus niet, waarvan akte. Artikel 2:60 bevat nog meer leuke dingen. Wat te denken van nationale minderheid? En taal?

Overigens, maar niet onbelangrijk, blijkt artikel 2:60 te zijn afgeleid van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948. Daarin luidt artikel 2:

UVRM 1948: Een ieder heeft aanspraak op alle rechten en vrijheden, in deze Verklaring opgesomd, zonder enig onderscheid van welke aard ook, zoals ras, kleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status. Verder zal geen onderscheid worden gemaakt naar de politieke, juridische of internationale status van het land of gebied, waartoe iemand behoort, onverschillig of het een onafhankelijk, trust-, of niet-zelfbesturend gebied betreft, dan wel of er een andere beperking van de soevereiniteit bestaat. (zie voetnoot op pagina 32 alhier, mijn vet)

Het is nu de vraag waarom ons artikel 137c die specificiteit niet bevat. Kijken we naar de geschiedenis van 137c, dan zien we dat er in een eerdere versie alleen maar sprake was van ‘groep’.

Art. 137c Sr (oud): “Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk in beleedigenden vorm uitlaat over eene groep van de bevolking of over eene ten deele tot de bevolking behoorende groep van personen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (zie voetnoot op pagina 105 alhier, mijn vet)

Dat was volgens critici onvoldoende specifiek, ofwel te ruim, want zelfs een politieke groepering die zich beledigd voelde kon er al mee naar de rechter stappen. Ander nadeel was dat het alleen gold voor duidelijk beledigende taal, zoals mensen parasieten noemen. Netjes geformuleerde taal, hoe discriminatoir ook, viel er niet onder. Er kwam een vernieuwing in 1971.

Artikel 137c (1971): Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of hun levensovertuiging, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van [tienduizend gulden]’ (zie pagina pagina 71 alhier, mijn vet)

Schijnbaar vond men verwijderen van ‘vorm’ voldoende om ook netjes verwoorde belediging te kunnen aanpakken; het artikel werd dus verruimd. Daar was overigens wel discussie over; er waren kamervragen, want sommige partijen wilden toch wèl de vorm-grond handhaven. De minister gaf aan hoe de nieuwe omschrijving moest worden uitgelegd. Lees dit citaat daarover, pagina 69:

Dit aspect van de voorgestelde wijziging kwam onder vuur te liggen van het toenmalige Tweede Kamerlid Roethof. Hij zag in de af te schaffen eis van een uitlating in ’beledigende vorm’ een zijns inziens terechte inperking van de strafbaarheid. De rechtszekerheid zou daarmee gebaat zijn. Nu bij de voorgestelde bepaling niet was voorzien in analoge toepassing van (het destijds nog voorgestelde) art. 266 lid 2 Sr, zag het Kamerlid in het voorgestelde art. 137c Sr een  bedreiging  van  de  vrijheid  van  meningsuiting.  De  regering  antwoordde  daarop  dat  de voorgestelde bepalingen niet dan met de grootste terughoudendheid zouden worden toegepast. Eerder al stelde de toenmalige  minister van justitie Polak dat de bewering dat het wetsontwerp ’elke  belediging  van  de  genoemde  groepen  zowel  naar  vorm  als  naar  inhoud  strafbaar  zou willen stellen, onjuist was’. Degenen die deze bewering voor waar hielden, ’verliezen uit het oog dat de ontworpen bepaling slechts straf stelt op (opzettelijke en openbare) belediging van die groepen wegens hun ras, godsdienst of levensovertuiging. Deze toevoeging limiteert niet alleen de beschermde groep, maar brengt tevens een aanzienlijke beperking aan de strafbaarheid van belediging van die groepen (…). Het voorgestelde art. 137c is slechts gericht tegen krenking op punten waarop niet meer kan worden beargumenteerd en tegen aantasting in hetgeen voor het menselijk bestaan van fundamentele waarde is’ (mijn vet)

De Kamer ging met die uitleg akkoord. Kijken we naar hoe er nu met Wilders’ uitlating door de rechters werd omgegaan, dan lijkt het mij een uitgemaakte zaak dat zij met de veroordeling de uitleg van die regering aan hun laars hebben gelapt. Er was gewoonweg géén sprake van ‘de grootst mogelijke terughoudendheid’, nog even helemaal los van de vraag of Marokkanen een apart ras zijn, dan wel een eigen godsdienst of levensovertuiging hebben.

Dan nu over de toegepaste beperking. Het te ruime ‘groep’ werd dus aanvankelijk (1971) vervangen door slechts een drietal specifieke kenmerken (ras, godsdienst, levensovertuiging). Maar waarom koos men toen niet al meteen voor aansluiting bij artikel 2 van het al twee decennia bestaande UVRM? Waarom volhardde men in slechts drie groepen? Kamerleden hadden bezwaar tegen die in hun ogen overmatige beperking.

Met een beroep op de vrijheid van meningsuiting legde de regering dit bezwaar naast zich neer. In de memorie van antwoord staat het als volgt: “Het strafrecht (…) kan slechts in geringe mate bijdragen tot het oplossen van maatschappelijke spanningen. Toepassing ervan kan zelfs leiden tot verscherping van het conflict. Voorts is de vrijheid van meningsuiting in het geding. Elke onnodige beperking daarvan is te verwerpen. (…) Aan een limitatieve opsomming (van ras, godsdienst of levensovertuiging; ovj’s) zouden wij willen vasthouden.” (pagina 106-107 alhier, mijn vet)

Ah, de destijdse regering had een punt, denk ik dan. Zij voorzagen eerder verscherping van conflicten dan voorkoming van achterstelling. (De achterliggende bedoeling van het artikel was geworden om olievlekwerking van een belediging te voorkomen, dus om vòòr te zijn dat méér mensen negatief over groepen gingen denken en dan hen gingen discrimineren, bijvoorbeeld op de arbeidsmarkt.) Een latere regering vond de lijst toch wel net even te beperkt. In 1992 werden enkele groepen expliciet toegevoegd, maar ‘nationaliteit’ kwam er ook toen niet bij, waarvan akte.

Artikel 137c (1992/nieuw) Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie. (zie pagina 101 alhier)

Zou het kunnen zijn dat met name de rechterlijke macht over die inperking de pee in had? Hadden officieren van justitie en rechters toch zo hun eigen idee over te beschermen groepen? Hebben zij sindsdien misschien willens en wetens allerhande groepen met veel gekunstel willen laten vallen onder het begrip Wilders in verweer tegen zijn vervolging‘ras’ teneinde toch te kunnen komen tot een veroordeling? Ach, de vraag stellen is de vraag beantwoorden.

Er wordt door het OM en de rechters in dit proces gesteld dat zij conform artikel 137c moeten handelen en dat critici van de uitspraak dan maar moeten pogen om de wet te laten veranderen. Dat lijkt mij toch echt de boel omdraaien. Het is juist aan degenen die willen dat valse kritiek op, of belediging van nationaliteit een vervolgingsgrond moet kunnen zijn om te trachten de wet te veranderen. Juist op basis van de huidige wet moet Wilders in hoger beroep absoluut worden vrijgesproken!

Zwarte Piet en de ronde pannenkoek

pannenkoekZowel radicale voor- als tegenstanders van een zwarte Zwarte Piet menen de betere, of eigenlijk de beste, argumenten aan hun zijde te hebben. Dan heb je nog de mensen die niet als radicaal in dit dispuut zitten. Hebben deze mensen eigenlijk de betere argumenten? Zijn deze mensen de genuanceerd denkenden? Eens even kijken hoe dat zit met de diverse posities. We zouden ons kunnen beperken tot de volgende drie:

  1. De radicale voorstanders van een zwarte Zwarte Piet
  2. De mensen die een mening ertussenin hebben
  3. De radicale tegenstanders van een zwarte Zwarte Piet

Maar dan komen we niet ver. Het zou de meningen teveel op drie hopen gooien. We zouden dan mensen op één hoop gooien die onderling te zeer van elkaar verschillen.

Eerst over de radicale voor- en tegenstanders. Vraag voorstanders naar het waarom van hun standpunt en het antwoord van een deel van hen zal neerkomen op zoiets als “gewoon, ze moeten met hun poten van ons sinterklaasfeest afblijven”. Dat lijkt ongenuanceerd, maar we zijn nou eenmaal niet allemaal begiftigd met een sterk vermogen om de ‘juiste’, de ook de intellectueel aansprekende, de helderste, woorden te vinden. Vragen we het een voorstander die wèl sterk is met woorden en bovendien veel heeft geleerd over het onderwerp, dan zal deze iets vergelijkbaars zeggen, maar dan met mooie en heldere zinnen vol met argumenten en feiten. Idem zal vast gelden voor de tegenstanders, al vind ikzelf hun argumenten veel minder van kwaliteit.

Interessanter voor dit betoog zijn de mensen die ertussenin zitten. In die verzameling zitten ook degenen die niet eens weten waarover je het hebt, dus die moeten we eigenlijk als aparte categorie beschouwen. Dan heb je degenen die het allemaal niet de moeite waard vinden. Hun uitspraak is vaak dat we ons druk maken om niks en dat er wel belangrijker zaken in de wereld zijn. De argumenten van voor- en tegenstanders worden door hen amper overwogen, maar als ze er al iets mee doen, dan is dat vooral met de bedoeling niemand in de familie-, kennissen-, werk- en/of vriendenkring tegen het hoofd te stoten. In de media genoemde argumenten zijn door hen slechts terloops, zonder echte aandacht, gelezen en in het hoofd opgeslagen. Vooral de koppen van artikelen zijn onthouden. Was de krant of de tv voornamelijk voor- of tegenstander, dan leidde dat bij deze mensen tot een overeenkomende mening. (Gezien de partijdigheid van onze media heeft dat bij hen tot nogal wat ‘begrip’ voor de tegenstanders van de zwarte Zwarte Piet geleid.) En dan zijn er nog de mensen in het midden die wel degelijk hebben getracht recht te doen aan de argumentatie van beide kampen. Toch kunnen dat er niet zoveel zijn, want uit de aanvankelijke poel van zulke mensen zullen velen uiteindelijk zijn opgeschoven richting een radicaal kamp. Maar goed, het kàn inderdaad zo zijn dat de nodige mensen willens en wetens ertussenin zijn blijven zitten, terwijl ze toch alle argumenten gewikt en gewogen hebben. Zijn zij dan de ware genuanceerde mensen? Ik durf het te betwijfelen.

We gaan ver terug in de tijd. Veruit de meeste mensen waren er toen heilig van overtuigd dat de aarde plat is. Daarvoor droegen zij ook argumenten aan. Een enkeling wist zeker dat de aarde rond is. Ook deze droeg daarvoor argumenten aan. (‘Heilig van overtuigd’ en ‘zeker weten’ mag je vertalen met: radicaal van mening.) En toen had je daar opeens degene die alle argumenten van beide kampen tot zich nam en genuanceerd vermoedde dat de aarde wellicht rond is als een pannenkoek. Leuk grapje natuurlijk, maar hopelijk vat je mijn bedoeling, namelijk aantonen dat de middenpositie lang niet altijd de juiste positie is. De waarheid ligt dus lang niet altijd in het midden. Nee, de kans is flink dat die waarheid ergens in een van beide kampen ligt.

We zien trouwens in een conflict vaak dat beide kampen zich druk maken over verschillende dingen, zonder dat door te hebben, en daarom feitelijk langs elkaar heen praten. In zulke gevallen kunnen bemiddelaars wel degelijk een nuttige rol vervullen door beide kampen ertoe te bewegen zich in te leven in die andere partij. Zo is inzake het zwartepietendispuut de argumentatie over de slavenhandel aan het ene kamp niet besteed. Die vinden dat argument veel te ver gezocht. Een bemiddelaar zou ervoor kunnen pleiten dat voorstanders toch wèl nadenken over dat argument, maar zou daarvoor niet mogen pleiten zonder tegenstanders te vragen na te denken over het tegenargument dat het te ver gezocht is. Alleen dan mag een bemiddelaar zich een bemiddelaar noemen. Een bemiddelaar mag ook niet zover gaan dat van beide partijen wordt geëist dat ze het radicale standpunt vervolgens bijstellen. Immers, de waarheid ligt misschien toch meer in het ene kamp dan in het andere en je mag mensen er niet toe verplichten de waarheid geweld aan te doen.

Dat laatste schrijvende bedenk ik me dat mensen daar helaas maar al te vaak wèl toe verplicht worden, op straffe van ontslag of uitstoting. De sociale druk vanuit de omgeving-die-ertoe-doet leidt dan tot hoge stress en is bijna iedereen al snel teveel. Ik wil mensen die vervolgens zwichten hier niet als lafaards afbranden, maar laat één ding duidelijk zijn: Het zijn dan wel irrationele redenen, en zeker géén genuanceerde redenen, die iemands standpunt hebben meebepaald.

Is iedereen welkom in ons huis?

Op een satirische website met een serieuze ondertoon begon gister een blog alsvolgt:

Nederland is een huis en de bewoners geven een feestje. Iedereen is uitgenodigd en geniet bij binnenkomst automatisch dezelfde, gedeelde en gelijkwaardige grondrechten. Dat is de beste manier om het gezellig te houden. In de huisregels, die in het fundament van de woning gegoten zijn, staat bijvoorbeeld dat iedereen gelijke behandeling verdient. Zo niet, dan mag je jezelf daar vrijelijk tegen uitspreken, en dan wordt een oplossing gezocht waar iedereen zich in kan vinden. Ook hebben alle feestgangers het recht om van basale faciliteiten zoals het toilet gebruik te maken, want we schijten in Nederland niet waar ons bed en ons brood staat. Andere zaken, zoals respect en inspraak, zijn vrij om te verdienen voor iedereen van goede wil. Een voorwaarde daarvoor is bijvoorbeeld dat je hapjes en drankjes meebrengt naar het feest, om de proviandkast gevuld te houden. Bijna iedereen die capabel is, doet daaraan mee. Maar wat nou als je een nieuwe gast bent op het Nederlandse feestje, en je was nog niet bekend met deze participatieregel, wat dan? Geen nood! Nederland biedt een compromis: keukendienst, aan het gastfornuis. Daarmee draag je bij aan ieders welzijn, in ruil voor toegang tot de koelkast en de drank. Gerechten die je maakt, mogen zo divers zijn als je maar wil. Hollanders houden van lekker eten en hoewel ze de conservatieve hutspot nooit zullen afzweren, is de multiculinaire smeltkroes altijd het proberen waard. Het is tenslotte een feestje, en feestjes moeten niet saai worden. Bovendien zul je naast het opbouwen van rechten ook respect en mogelijk zelfs bewondering afdwingen voor je kookkunsten. De sfeer in Nederland? Gezéllig, want bijna iedereen – bewoner en gast – doet leuk mee.

Maar al die proviand en gezelligheid lokken steeds meer nieuwe gasten op het feestje binnen, die óók geen eten of drinken meebrengen. Maar gastvrij als we zijn, én met een blik op de huisregels, besluiten we coulant te zijn. […]

Ben je benieuwd hoe het verder gaat? Klik dan hier.

Wat mij aansprak was de metafoor van het huis waar de huisregels zijn gebeiteld in het fundament. Gelijke behandeling, gelijke grondrechten, noem maar op, het is er allemaal gedeclareerd en alle oorspronkelijke bewoners waren het er bij de oprichting van harte mee eens (denkt men).

Het gaat een hele tijd goed, maar ten langen leste komt toch de klad erin. De in het steen gegoten regels blijken tot fikse problemen te leiden. De oorspronkelijke bewoners raken sterk verdeeld over die regels, want volgens sommigen van hen wordt er misbruik van gemaakt, wat anderen dan weer een schandelijke beschuldiging of zelfs discriminatie en racisme vinden.

Is de metafoor geldig? Of geeft deze een vertekend beeld van de werkelijkheid? Ikzelf vind dat de metafoor nogal geldig is. En voor de goede orde, in mijn huis staan die regels absoluut niet in het steen gebeiteld. In het jouwe wel?

Welk racisme wil Marcouch harder bestrijden?

Ahmed Marcouch pleit voor een hardere aanpak van racisme en discriminatie. Hij vindt dat dit tot nu toe niet bepaald doeltreffend is aangepakt.

Marcouch: “We mogen niet langer tolereren hoe mensen op straat of via de social media worden beschimpt om hun huidskleur, hun geloof of hun seksuele geaardheid. De PvdA wil dat het kabinet racisme en discriminatie gaat behandelen als high impact crimes. Dat betekent een hogere prioriteit, meer veroordelingen en een doeltreffendere aanpak door politie en justitie. Daar zal ik voor pleiten tijdens de begrotingsbehandeling van het ministerie van Veiligheid en Justitie.”

Momenteel lees ik het boek Haatspraak van Remco Ensel, onder andere medewerker van het NIOD. Daarin bespreekt hij tot in detail alle overduidelijke en minder duidelijke gevallen van racisme en antisemitisme in den Nederlanden in de afgelopen 50 jaren, en actueel tot begin deze zomer. Wie dat boek leest ontkomt niet aan het idee dat het allemaal helemaal niet meevalt, maar het zou kunnen dat elke opsomming achter elkaar van probleemgevallen iemand opzadelt met het idee dat het een en al kommer en kwel is. Ofwel, misschien ben ik de balans kwijt. Toch denk ik het niet; Ensel is niet het type publicist dat de overdrijving – door weglating van de overige gevallen – doelbewust inzet; integendeel, je moet moeite doen te achterhalen wat hij zelf over het hele onderwerp vindt. Waar je van een sterk betrokken Jood nog kan vermoeden dat deze al te snel zal spreken van antisemitisme, zie ik Ensel steeds zoeken naar de relativering en nuancering. Geregeld komt hij tot de uitspraak dat een bepaalde uiting hoogstwaarschijnlijk eerder ironie, provocatie, grappenmakerij of puberaal gedrag was, terwijl vrijwel elke columnist schande had gesproken over zo heftig antisemitisme.

Waarom nu noem ik Ensel’s boek tezamen met Marcouch’s pleidooi? Een van mijn drijfveren tot het lezen van Haatspraak was de vraag of het racisme en antisemitisme in Nedeland gaat over de gehele bevolking of over specifieke groepen erbinnen. Mijn gevoel zei me dat het vooral voorkomt bij allochtonen uit Islamitische landen en slechts beperkt bij autochtonen, al merkte ik wel een toegenomen weerzin onder autochtonen jegens Islamitische allochtonen en ook een vorm van antisemitisme – okay, van antizionisme, wat mij betreft erg zat – bij zekere linkse mensen, al of niet autochtoon. Na lezing van het boek (ik moet alleen nog het laatste hoofdstuk lezen) is mijn conclusie dat ik dat allemaal best goed zag.

Nu zou ik verwachten dat een politicus die racisme en discriminatie wil bestrijden deze realiteit ook durft te benoemen. Echter, bij Marcouch merk ik daarvan niets. In het hele stuk wordt het onderscheid tussen groepen niet gemaakt en daardoor lijkt het alsof racisme en discriminatie in ons land alom voorkomen, dus zowel onder allochtonen als onder autochtonen. Dat laatste probeert Marcouch zelfs te benadrukken door te schrijven:

“Als aangifte doen ook echt tot veroordeling leidt, zullen meer slachtoffers van discriminatie, zoals homo’s, joden en moslims, bereid zijn aangifte te doen.”

Dat ‘en moslims’ is duidelijk bedoeld om ook de autochtonen te betichten, zodat alle moslims hem maar niet zullen verwijten alleen op hen de pik in te hebben. Ik vermoed dat het niet nader benoemen van de echt ware racisten en antisemieten, én het toevoegen van ‘en moslims’, een zeer bewuste keuze is geweest. De tekst is vast onder de loep genomen door een interne werkgroep die erop heeft gehamerd dat duidelijk benoemen vooral niet moet worden gedaan, omdat de PvdA dan nòg minder op de steun van allochtone kiezers zal kunnen gaan rekenen. Bovendien zou het weleens de verdenking op zich kunnen laden dat de sociaaldemocraten zelf partij gekozen hebben tegen die groepen allochtonen.

Wat moet ik hiervan nou vinden… Eerlijk gezegd heb ik dan toch liever een Wilders die wèl het beestje bij zijn naam noemt. Daarin schuilt ook precies het bestaansrecht van de PVV; zonder die partij is er tot op de dag van vandaag helemaal niemand in de politiek die klare wijn schenkt. Met populisme heeft dat m.i. helemaal niets te maken. Sterker, wat Marcouch doet is eerder populisme, want het niet precies benoemen van dingen is juist gedaan om de potentiële allochtone stemmers niet af te schrikken.