Dit Europees Parlement moet worden afgeschaft

Maar liefst 766 politici zitten in het Europees Parlement, waarvan slechts 26 uit Nederland komen. Dat betekent dat Nederland elke keer bij het stemmen vrijwel niets in te brengen heeft. Daar komt bij dat die 26 Nederlandse politici niet bepaald samenwerken waardoor de Nederlandse stem nog meer verstrooid raakt.

Vandaag heb ik mijn stem uitgebracht, maar eigenlijk kan dit Europees Parlement beter helemaal opgeheven worden. Wel heb ik een alternatief in de aanbieding. In de eerste plaats kent het een veel kleiner parlement, van laten we zeggen 100 vertegenwoordigers, dat bestaat uit politici van werkelijk Europese politieke partijen. We stemmen dan niet op een Nederlandse kandidaat, maar op een Europese kandidaat. De Europese partijen zijn dan partijen die onafhankelijk zijn van welke landelijke politieke partij dan ook.

Ander essentieel onderdeel van mijn alternatief is dat de landen met elkaar heel strikte afspraken maken omtrent de bevoegdheden die deze landen voorlopig gunnen aan de EU en welke bevoegdheden men per se in eigen land wil houden. Uitgangspunt daarbij moet zijn dat een bevoegdheid niet wordt overgedragen als er binnenlands geen overduidelijke, zeer ruime meerderheid vòòr is en de tegenkrachten niet heel fel gekant zijn tegen de overdracht. Het kan er ook toe leiden dat sommige landen bepaalde bevoegdheden wel overdragen waar andere landen die in eigen hand houden. Kortom, een overdracht van een bevoegdheid moet niet leiden tot tweespalt binnen een land. En ‘voorlopig’ betekent dat alles erop voorbereid moet zijn dat een land op zeker moment zo’n bevoegdheid weer wil terugnemen. Zo’n zeker moment zal idealiter wel een vooraf afgesproken moment zijn, bijvoorbeeld na vijf jaar. Er wordt dan steeds verlengd en niets is definitief. Dat voorlopige impliceert ook dat een gemeenschappelijke munt niet slim is en maar beter achterwege kan blijven, c.q. teruggedraaid kan worden. Wel opent het de mogelijkheid dat ieder land enerzijds een eigen munt heeft, maar dat landen evengoed afspreken hun munten een afgesproken periode aan elkaar te koppelen. Een andere implicatie is dat een gezamenlijk leger hooguit symbolisch gezamenlijk is, dus niet waar het de keuze van bijvoorbeeld bases en wapens betreft. Weer een andere implicatie is dat een Europees ‘minister van intercontinentale zaken’ zich slechts mag uitlaten over zaken die binnen de gesanctioneerde bevoegdheden vallen en dat er bij gevoelige zaken slechts wordt gesproken na toestemming van landelijke ministers van ‘Europese zaken’. Er moet geen federatie ontstaan waarin landelijke regeringen amper nog wat in te brengen hebben. Een confederatie is bespreekbaar.

Beide onderdelen – een klein parlement op basis van Europese partijen en een strikte lijst van voorlopig overgehevelde bevoegdheden – zijn even noodzakelijk in dit alternatieve model, enerzijds om te vermijden dat landelijke partijen hun politici naar Straatsburg zenden om daar hun tijd vooral te verdoen met het beschermen van landelijke belangen en anderzijds om landelijke partijen te vrijwaren van de discussies over de voor het geheel van Europa belangrijke zaken. In dit model houden gemeentelijke partijen zich bezig met gemeentepolitiek, landelijke partijen met landelijke politiek en Europese partijen met Europa-brede politiek. Wel zijn gezamenlijke landelijke partijen in staat om de EU-deelname op punten op te zeggen. Dat zou trouwens ook wat zijn voor gemeenten, als het aan mij ligt. Een gemeente zegt dan tegen de Nederlandse overheid dat het een bepaald aspect zelf wel gaat oppakken. Tegenover het hedendaagse probleem dat er steeds meer macht naar het buitenland gaat stellen we dan een tegenstroom die steeds meer macht naar de eigen mini-regio haalt.

Wie doet er mee?