Wèg met het globale internet

Geloof en internetHet internet heet een verbetering te zijn, maar ik twijfel daar steeds meer aan. Onze hersenen heten een verbeterde uitvoering te zijn van de hersenen van andere dieren, maar ook daaraan twijfel ik tegenwoordig. Een superwezen mag weer een verbetering heten van ons en God zelfs een niet verder te verbeteren superwezen. Maar als mijn tegenwoordige twijfel over onze hersenen en het internet terecht is, dan is die twijfel al evenzeer van toepassing op superwezens en het superste wezen God. Dan zijn ook dat geen verbeteringen.

Bubbels

Kijk nou eens volkomen nuchter naar ons taalvermogen: We zijn in staat om een willekeurige zin te formuleren en er nog in te geloven ook. En we zijn in staat om alles wat daarmee strijdig is te beschouwen als nep of waan, om zo ons geloof in die ene zin te beschermen. Zo komen we allen in een eigen bubbel te leven en kunnen we maar niet begrijpen hoe het is in andere bubbels. En juist die combinatie van vermogen ergens in te geloven én onvermogen zich in te leven in andere bubbels leidt ertoe dat mensen lijnrecht tegenover elkaar kunnen komen te staan, er zelfs geen compromis kan worden uitgewerkt en in ultimo soms zelfs elkaar zullen trachten te verjagen of uit te roeien. En internet is dan géén verbetering, maar juist een verslechtering, want terwijl in vroegere tijden vrijwel alle leden van de horde, van het dorp, van de burcht, van de streek, het met elkaar eens waren en die ene enkeling die ertegenin redeneerde nergens gehoor kreeg en zodoende onschadelijk voor de eendracht bleef, zo is die enkeling dankzij het internet niet langer een enkeling, maar eentje van een horde van misschien wel honderd gelijkgestemden. Of zelfs eentje van een massa van anderhalf miljard die vroeger alleen buiten de eigen horde, het dorp, de burcht, de streek, woonde. Terwijl de enkeling in vroegere tijden van lieverlee hopelijk besloot te veronderstellen dat die tegendraadse mening dan wel onjuist zou zijn, zo voelt de hedendaagse enkeling zich niet meer ontmoedigd door dat alleen-staan. Integendeel, door te ontdekken dat er op de hele wereld maar liefst honderd, en misschien wel anderhalf miljard, andere gelijkgestemden zijn, weet de enkelingnon-conformist – of juist conformist, maar dan zich conformerend aan een groep die buiten de eigen gemeenschap ligt –  zich zeker van de zaak.

En zo komt het dat het internet is verworden tot dè uitbreiding van onze hersenen die niet leidt tot meer vrede, maar tot meer meningsverschil, woordenstrijd, ruzie en oorlog. En voor wie mocht denken dat dit zal overgaan na een periode van wennen aan het nieuwe van internet, is er slecht nieuws: Het gaat niet wennen. De enige oplossing is het weer afschaffen van internet en aanverwante communicatiemiddelen. Nou ja, heel misschien is er een andere aanpak die ietsje van de verslechtering teniet doet: restrictie.

Restrictie en censuur

Verwant aan restrictie is censuur. Men zou zelfs kunnen stellen dat restrictie niets anders dan censuur is. Censuur is echter de term die wordt gebruikt om aan te geven dat een restrictie onrechtvaardig is, dat er een eigenbelang van een machtige groep mee gediend is en dat er een gerechtvaardigd belang van vooralsnog onmachtige groepen mee wordt ontkend. Bij een restrictie die niet censuur is, zouden de factoren macht en eigenbelang geen rol spelen, maar zou het gaan om andere, ethisch verantwoorde, overwegingen. Overwegingen zoals het behouden van de openbare orde, het voorkomen van belediging, intimidatie, karaktermoord, echte moord en doodslag voortkomend uit haat. In de ogen van velen spelen macht en eigenbelang echter bij alle restricties een rol en moet daarom elke restrictie als censuur worden beschouwd. Ook om die gelijkstelling te kunnen onderbouwen, leggen deze mensen de vrijheid van meningsuiting uit als een absoluut principe bestaande uit slechts drie woorden, dus zonder enige randvoorwaardelijkheid. Alles moet gezegd en geschreven kunnen worden en elk communicatiemiddel moet daarvoor gebruikt kunnen worden. Om het hardst veroordelen deze mensen de censuur van landen als China. Min of meer toevallig hebben zij gelijk; er heerst daar inderdaad censuur, in elk geval gezien vanuit ons Westers perspectief. Pas wanneer ook heel veel Chinezen zèlf de overheidsrestricties zien als onrechtvaardig, dan is het ook volgens hen zelf censuur.

De principiële bepleiters van absolute vrijheid van meningsuiting kùnnen geen gelijk hebben, althans theoretisch. Immers, er zou dan geen openbare orde kunnen worden gehandhaafd en ook het voorkomen van belediging, intimidatie, karaktermoord, echte moord en doodslag voortvloeiend uit haat zou niet kunnen. Wij moeten ons ook daarom niet laten bedwelmen door de angst voor censuur. We doen er goed aan te beseffen dat het toepassen van restricties onontkoombaar is, willen we de vrede bewaren, op zijn minst binnen het Westen, binnen Europa, binnen Nederland. We moeten gaan staan voor ònze normen en waarden en proberen te borgen dat ons déél van het internet geen pleidooi voor standpunten bevat die onze normen en waarden compleet ondermijnen. Ja, dat betekent in de werkelijkheid het einde van de ongebreidelde vrijheid van meningsuiting. Maar nee, het betekent niet het einde van de gebreidelde vrijheid van meningsuiting. Ja, het betekent het einde van de universele – of beter: globalistische – revolutionaire ideologieën, van ideologieën die menen voor àlle mensen op de héle wereld geschikt te zijn, maar wel eerst een revolutie vereisen. Maar nee, het betekent niet per se het begin van censuur of zelfcensuur.

Zelfcensuur

Zelfcensuur is relatief. Liefhebbers van cabaret én de cabaretier zelf kunnen menen dat sprake is van zelfcensuur als de cabaretier een bepaalde visie niet – of niet langer – op de hak wil nemen. Maar wanneer we de geschiedenis van het toneel, het cabaret, de film én de journalistiek beschouwen, ontkomen we niet aan de constatering dat het bespotten altijd al slechts gericht was op personen of groepen die niet, of niet langer, bereid waren daarop te reageren met al of niet legale middelen als intimidatie, bedreiging, vervolging of nog erger. Dat wij hier in het Westen de indruk hebben gekregen dat onze cabaretiers als een soort dappere voorhoede allerhande kritieken mogelijk maakten door verwante zaken met humor op de hak te nemen, is in werkelijkheid een breed gedeelde waan. In werkelijkheid is hier in het Westen alleen dankzij onze ruime normen en waarden gewoon méér bespreekbaar. Maar niet àlles is bespreekbaar en dat is niet bij voorbaat verkeerd.

We dachten alle jaren dat het bespotten van Allah en moslims mogelijk was, want we bespotten immers ook allang God en christenen. Fout gedacht. Althans, dat bleek fout gedacht nàdat we in Europa miljoenen snel boos te krijgen moslims hadden binnengelaten. Als we ze niet hadden binnengelaten, dan hadden we hier met het bespotten van Allah en moslims rustig hebben kunnen doorgaan, al hadden we er wellicht geen behoefte aan gehad. Het bespotten van Allah en moslims zal pas weer min of meer veilig mogelijk zijn als eerst die miljoenen moslims weer in voldoende mate vertrokken zijn. En als het internet niet langer globaal is.

Advertenties

Ook zotte ideeën gedijen goed op het internet

Facebook, Twitter en vergelijkbare internetmedia worden door vrijwel iedereen als een aanwinst gezien, maar zijn ze dat wel echt? Voorstanders zeggen dat het voor iedereen nog nooit zo makkelijk is geweest aansluiting te vinden bij anderen met dezelfde hobby of visie. Tegenstanders zeggen dat het voor iedereen nog nooit zo makkelijk is geweest zich aan te sluiten bij anderen met dezelfde verknipte ideologie of kijk op de wereld. Ikzelf behoorde tot de voorstanders, maar ik ben aan het schuiven, geef ik toe. Niet dat ik er al uit ben, maar steeds duidelijker dringt het nadeel zich op in mijn gedachten.

Er is geen kijk op de wereld of er is wel een groep mensen die een facebookpagina eraan wijdt of erover twittert. Zo’n kijk wordt dan uitgedragen door desnoods slechts honderd mensen, maar voor die honderd mensen voelt het alsof ze het grootste gelijk van de wereld hebben. Immers, er zijn maar liefst minimaal 99 anderen die deze kijk ook hebben, dus er moet wel minstens een kern van waarheid in schuilen. Zo redeneert de mens nu eenmaal. Er wordt wel gesproken over het internet als echokamer, een kamer waar ieders woorden alleen maar echoënd versterkt worden door de woorden van de anderen. Het uitgedragene zou natuurlijk waar kùnnen zijn. Dan hebben we te maken met een avantgarde, een groepje dat zijn tijd dus vooruit is. Dan is het alleen nog afwachten of deze kleine groep er gezamenlijk in kan slagen het heersende paradigma te laten wijken voor hun kijk, hun paradigma. Maar als hun kijk gewoon verknipt is, ook al zijn ze er alle honderd van overtuigd dat deze geheel klopt, dan hebben we te maken met zotten die hun bloeitijd hopelijk nooit zullen meemaken. Op die zotten wil ik me nu concentreren.

Even een vergelijking maken tussen de wereld van 1000 jaar geleden en van het hedendaagse internet. Destijds woonde een zot op het platteland of in een dorpje of stadje en was hij de enige of een van de zeer weinigen met een bepaald zot idee. Niemand anders in de directe, fysieke omgeving nam hem serieus en contact met anderen verderweg was er amper of niet. Mochten ook diverse andere gebieden of landen zo’n zot in het midden hebben, dan was de kans minimaal dat ze onderling contact kregen en zich zo in hun idee gesterkt voelden worden. Want laat duidelijk zijn dat je gelijkgestemden nodig hebt om je gesterkt te voelen in je idee. Zo werkt de natuur nou eenmaal. In het gunstigste geval kwam de zot zelf uiteindelijk tot de ontdekking dat zijn idee zot was. In het ongunstigste geval werd de zot een buitengeslotene of kluizenaar. In alle gevallen waren er geen consequenties die op alle mensen hun weerslag hadden, tenzij het de koning was.

Tegenwoordig is er geen idee of je vindt via internet wel gelijkgestemden. Ik zeg hier niet dat die ideeën tegenwoordig veel meer kans maken om hun weerslag te hebben op de massa. Nee, het nare gevolg is vooral dat die gelijkgestemden aan elkaar genoeg hebben om in hun idee te volharden en dat we daardoor opgezadeld zitten met een wereld waarin honderden, zo niet duizenden, zo niet miljoenen zotte ideeën maar voort blijven sudderen. Dat zou geen probleem voor de massa hoeven zijn, ware het niet dat met name de professionele media – kranten, radio, televisie, tijdschriften – er een gewoonte van zijn gaan maken willekeurige zotte ideeën even voor ieders voetlicht te brengen als tegenhanger van een ander idee. Dan zien we bijvoorbeeld bij Pauw iemand zitten als opponent van een andere gast, om het debat over een thema ‘interessant’ te maken, want als er één ding is wat mensen aantrekt, dan is het wel een ruzie-achtige sfeer. Zo kon het gebeuren dat Quincy Gario (zie foto) een echt serieus podium kreeg om een zot standpunt over Zwarte Piet uit te dragen. Als dat podium op TV nou één keer was geweest, tot daaraan toe, maar hij mocht keer op keer terugkomen. In het dorp van weleer zou hij nooit serieus zijn genomen. Of waarschijnlijker, hij zou in dat dorp nooit tot die radicale mening zijn gekomen. Want laat één ding duidelijk zijn: Radicale ideeën komen nooit ineens bij iemand op. Het zijn altijd anderen die al ‘verder’ zijn die je een bemoedigend compliment geven en je in de loop van de tijd radicaliseren door hun nog verdergaande ideeën te vertellen. Bijvoorbeeld, in zijn boek ‘Ongeloofwaardig’ laat Dennis Honing duidelijk zien hoe hij en anderen elkaar juist via internet leerden kennen en elkaar radicaliseerden.

Zeker, ook vóór het internet waren er al bewegingen van gelijkgestemden. Waar het mij om gaat is dat tegenwoordig niet alleen breder gedragen, echte, niet-zotte, meningen tot groeperingen leiden, maar dat werkelijk elke mening een groep veroorzaakt, eentje die desnoods wereldwijd samengesteld is om toch maar enige omvang te bereiken.

Ik zou willen dat de media eens wat meer gingen letten op dat draagvlak. Ik zeg niet dat ze nog slechts moeten putten uit breed gedragen meningen. Ik zeg dat ze zich niet moeten inlaten met meningen die eigenlijk te zot voor woorden zijn. Zotten moeten ze niet promoten door hen uit te nodigen.

Wanneer is een mening te zot voor woorden? Vaak is dat af te meten aan de initiële, duidelijk hoorbare hoon onder het volk. Sommige watchers hebben een goede neus daarvoor, zodat je niet altijd hoeft te wachten met dat oordeel tot de reacties achteraf zijn gemeten. Menigeen zal nu denken dat iets voor velen een zot idee zal zijn en voor anderen juist niet. Of dat ‘het volk’ feitelijk nogal reactionair is dat alleen zal verbeteren als het wordt geconfronteerd met de ideeën van een elite. Mensen die dat laatste vinden, zijn ook vaak voorstander van politici die zich niets willen aantrekken van ‘de meerderheid’ en hun visioen hoe dan ook willen doordrukken. Dat zijn politici die bijvoorbeeld een Europese Federatie als visioen hebben – bijvoorbeeld omdat ze ervan overtuigd zijn dat alleen zo de vrede op dit continent kan worden gegarandeerd – en dat via een verholen strategie willen realiseren, juist omdat ze weten dat een meerderheid tegen is. Ikzelf hecht tegenwoordig wel degelijk aan de mening van de meerderheid onder het volk, maar dan vooral aan de niet-gemanipuleerde, intuïtieve mening. Wat een burger stemt is over het algemeen juist het gevolg van manipulatie. Dan is de burger verteld dat hij vooral op de PvdA moet stemmen om de politiek van de VVD te voorkomen. Vervolgens komt die kiezer erachter dat juist de PvdA gaat samenwerken met de VVD. Hij is dan dus gemanipuleerd. De intuïtieve mening is de amper doordachte mening – zeg maar de onderbuik – zoals die bijvoorbeeld tot uiting komt in de enquêtes van STAND.NL. Mensen lezen daar de stellling en geven hun antwoord in een flits; ik in elk geval wel. Uit de uitslag blijkt telkens weer hoe eendrachtig er wordt gedacht over mensen als Quinsy Gario. Wat mij betreft mag Jeroen Pauw echt wel wat meer zijn oor te luisteren leggen op de buik van die burgers, met name van de intuïtieve meerderheid.

Zou het betekenen dat ook ik eigenlijk een dorpsgek, een zotte, ben? Er waren jaren dat ik dacht er min of meer alleen voor te staan. Maar juist door dat internet kwam ik erachter dat er genoeg anderen zijn die idem denken. Zijn het er slechts honderd? Nou nee, in de loop van de tijd is me duidelijk geworden dat ik eerder tot die intuïtieve meerderheid behoor. Alleen, in mijn eigen omgeving is die meerderheid een minderheid, zo bleek me. Zo beschouwd moet ik zelf blij zijn met internet.

En IS? Ja, dat zijn natuurlijk wel zotten, al zijn er nogal wat van, en zij zouden elkaar echt nooit in die mate hebben gevonden zonder het internet. Het is wel zeker dat het terrorisme van IS zonder internet niet zou hebben bestaan in deze omvang. Mocht er een zot op het idee komen om internet dus maar weer af te schaffen, juist vanwege de kwalijke ontwikkelingen die het mogelijk maakte, dan ga ik me, denk ik, toch maar aansluiten. Wat zou jij doen?

Lees ook: Internet als echokamer en Facebook is een echokamer – 08 mei 2015

Speculeren, software en internet – een zeer gevaarlijke cocktail

Inzake de financiële crisis heb ik de afgelopen dagen heel wat commentaren gelezen van deskundigen die mij wel wilden vertellen wat er feitelijk mis is met ons financieel systeem. Het waren bijna zonder uitzondering inzichtgevende commentaren. Of ze het bij het rechte eind hadden is natuurlijk nog maar de vraag. de commentatoren geloven natuurlijk wel zèlf in hun verhaal. Mogelijk hebben meerderen een beetje gelijk en spelen meerdere factoren een rol.

Ikzelf kreeg op zeker moment het gevoel dat één combinatie van factoren over het hoofd wordt gezien. En bovendien denk ik dat die factoren cruciaal zijn in deze crisis. Bewijzen kan ik nog niks, maar het zou dom zijn van met name politici om daarom dan maar niks met het volgende idee te doen:

De huidige financiële crisis wordt vooral veroorzaakt door de hedendaagse generatie technische software in handen van financieel-specialisten die er afgeleide financiële producten mee ontwikkelen en technisch-beleggers die er via internet aandelen en daarvan afgeleide producten binnen seconden mee kopen en verkopen.

Bij elke reden of oorzaak die commentatoren geven zou men zich moeten afvragen of die nou zo nieuw is. Want als die niet nieuw is, waarom ontstond deze crisis dan niet eerder? Waarom vielen banken dan niet eerder als dominostenen om? Neem bijvoorbeeld de hoge beloningen voor managers, die zijn toch niet typisch voor dit decennium?! Het lijkt me niet aannemelijk dat die beloningen de crisis veroorzaken. Of neem het verstrekken van hypotheken aan risicovolle mensen. Ook dat verschijnsel is niet echt nieuw, want het gebeurt al vele decennia, zeker als we het woord ‘risicovolle’ vervangen door het woord ‘risicovollere’.

Wèl typisch nieuw is de software die tegenwoordig gebruikt wordt. Enerzijds hebben we de software gekregen waarmee voor een mens volslagen ondoorzichtige portefeuilles van verzekeringscontracten,aandelen, opties en andere financiële zaken kunnen worden gebouwd, die vervolgens op hun beurt kunnen worden verhandeld. Anderzijds hebben we nu de software die bij het technisch beleggen wordt gebruikt om binnen een paar seconden te kunnen reageren met aan- of verkopen op fluctuaties in de koersen.

Bij de door computers samengestelde portefeuilles zijn een aantal mogelijk te ingewikkeld geworden om door een simpel mens nog intuïtief te worden begrepen. Zelfs de accountant kan dan niet veel anders meer doen dan van lieverlee aannemen dat het vast wel allemaal klopt, want de PC zal toch niet liegen?! Door zulke samengestelde portefeuilles vrijwel ongelimiteerd toe te staan, kreeg de financieel expert het gevoel te kunnen kiezen voor afdekken van allerlei risico’s die vroeger niet afgedekt konden worden. Afdekken klinkt als uitsluiten en daardoor waanden de expert en zijn werkgever zich veiliger dan ze feitelijk waren. Risico’s uitsluiten klinkt geruststellend, maar het eind van dat liedje is toch dat de boel in het honderd loopt, simpelweg omdat risico’s in extenso niet uit te sluiten zijn. Risico’s zijn hooguit te verplaatsen of te spreiden. Aan het eind van de pijplijn zit toch een partij die het risico moet overnemen. En als ook die partij dat risico wil afdekken dan zal ook deze partij een pijp moeten zoeken waar aan het eind een partij zit die het risico moet willen lopen. Enzovoort. De moraal is dat risico niet uit te sluiten is. Deze is zoals gezegd hooguit te verplaatsen of te spreiden. Zolang de doelstelling van die software is dat er verplaatst of gespreid wordt, lijkt er niet zoveel aan de hand. Maar wanneer de gebruikers denken dat die software het risico uitsluit, dan is er een probleem dat de eerste jaren niet opvalt, maar op zeker moment als een boemerang in het gezicht terugkomt.

Technisch beleggen is de tegenpool van fundamenteel beleggen. Bij fundamenteel beleggen kijkt de belegger naar het toekomstplan van een onderneming die om investeringsgeld verlegen zit. Als de belegger het gevoel heeft dat het bedrijf goede plannen heeft en daardoor in de toekomst meer waard zal zijn dan nu, dan kan die belegger besluiten om in te gaan op de vraag om in die onderneming te investeren. Kortom, de belegger besluit aandeelhouder te worden. De technisch belegger interesseert zich volstrekt niet voor dat inhoudelijke verhaal en volstaat met beoordelen van de koersontwikkeling. Op grond van die ontwikkeling kan de technisch belegger besluiten om nu aandelen te kopen en diezelfde aandelen een kwartier later weer te verkopen. De technisch belegger is een pure speculant, terwijl de fundamenteel belegger een investeerder is. De speculant heeft sinds een jaar of tien de beschikking over steeds krachtiger software. Bovendien is de technisch belegger dankzij internet tegenwoordig in staat om inderdaad binnen enkele seconden te reageren op koersontwikkelingen. Het heeft deze speculanten de afgelopen jaren in staat gesteld om substantiële winsten te genereren. Wist u dat 90 procent van de particuliere beleggers de afgelopen tien jaar op de beurs verlies heeft geleden? Dat percentage geldt niet voor de speculanten die met behulp van geavanceerde software de ontwikkelingen op de voet volgden. Het succesverhaal van het technisch beleggen kent echter een fatale keerzijde. Zolang er slechts enkelen zijn die rijk weten te worden van dit type beurshandel, wordt het destructieve effect niet opgemerkt en worden deze speculanten zelfs bewierookt en ons allen als voorbeeld gesteld. Echter, wanneer er velen zijn die op deze manier geld naar zich toe halen en zeker wanneer zij er bovendien in slagen om gigantische bedragen binnen te halen, dan verdwijnt er wezenlijk veel geld uit de echte economie en gaat zich dat zeer gevaarlijk wreken.

Er worden momenteel vele maatregelen genomen die beogen dat het financieel stelsel niet omvalt. Ik ben het er helemaal mee eens dat men maatregelen neemt om dat stelsel overeind te houden. Dat zal ook zeker kunnen lukken en daarvoor moet men eigenlijk te rade bij de sociaal-psychologie. De meeste individuen beseffen namelijk dat vertrouwen in het financiële stelsel veel meer oplevert dan wantrouwen.Ergo, eenieder heeft persoonlijk belang bij een bank waar het spaargeld gestald staat, ook al weten we donders goed dat de bank omvalt als weer met zijn allen massaal op afstappen om het geld op te halen. (Ziehier een paradox: Degenen die ‘net op tijd’ hun geld terugtrokken worden daarmee gecomplimenteerd en daarvoor bewonderd, maar degenen die blijven uitgaan van vertrouwen en daarom hun spaarrekening en aandelen nog steeds aanhouden zijn feitelijk de ware socialen waarop het hele systeem eigenlijk gebouwd is.)  Maar het hoeft niet te lukken. Immers,men moet wel eerst de juiste diagnose stellen alvorens de juiste maatregelen te kunnen treffen. Mijn verhaal volgend ligt het voor de hand het gebruik van software en internet door speculanten en financieel specialisten eens zeer kritisch tegen het licht te houden.

Wat voor maatregelen zijn mogelijk? Hier ben ik nog niet uit. Wel is de basisgedachte dat software voorlopig slechts onder voorwaarden mag worden gebruikt voor enerzjds het bouwen van financiële producten en anderzijds het handelen op de beurs. Een ander idee is dat gekochte aandelen voorlopig een zekere looptijd moeten hebben alvorens ze weer verkocht mogen worden. Men zou willen bewerkstelligen dat er alleen nog fundamenteel belegd mag worden. Speculatie op de beurs gebeurt ook alleen met vrij en anoniem verhandelbare aandelen. Misschien moet vrije, anonieme verhandeling onmogelijk worden. Hoe het ook zij, het gaat erom dat de huidige praktijk van het technisch beleggen wordt ontmoedigd, niet omdat technisch beleggen op zich het probleem is (want dan was deze crisis al vele decennia eerder opgetreden), maar omdat de combinatie van technisch beleggen, de hedendaagse software en het internet een te gevaarlijke cocktail blijkt op te leveren.

Overigens is die cocktail in de huidige consternatie zelfs voor de speculanten niet meer winstgevend. De software heeft zo succesvol gefunctioneerd en het systeem dusdanig uitgemergeld dat er momenteel door de markt niet langer gereageerd wordt op een manier die door diezelfde software wordt begrepen. De modellen in de software werken niet meer naar behoren. Het lijkt me dat zelfs de speculanten zo langzamerhand ontvankelijk moeten raken voor het idee dat die software minimaal moet worden bijgesteld of dat andere, al of niet hier,voorgestelde maatregelen genomen moeten worden. Ook zij hebben immers belang bij een wel functionerend financieel systeem.

Eindelijk weer wat privacy op internet

Persoonsgegevens moeten zorgvuldig worden gebruikt, juíst op internet. Dat vind ik niet alleen, maar ook het College bescherming persoonsgegevens (CBP). Vandaag, 16 oktober 2007, zag het document Publicatie van persoonsgegevens op internet het licht. De komende weken is dat nog ter beoordeling. Over een week of wat komt het in de Staatscourant en dan is het een document waar we allen officieel niet meer omheen kunnen.

In eerdere blogs vertelde ik over de reactie van XS4ALL op mijn verzoek een bij hen ondergebracht weblog aan te pakken omdat er ongewenst over iemand wordt kwaadgesproken en die persoon niet alleen bij naam, maar ook met een e-mail adres te identificeren is. Met name protesteerde ik tegen het publiceren van het e-mail adres, ook al vanwege te verwachten spam. De juriste van XS4ALL reageerde met:

De betreffende informatie is naar de mening van ons niet onmiskenbaar onrechtmatig. Aan uw verzoek tot blokkering van bepaalde informatie zal om die reden niet worden voldaan.

Het vandaag gepubliceerde document lezende is het mijn overtuiging dat de juridische afdeling van XS4ALL er voortaan niet meer omheen zal kunnen om in zo’n geval wèl in te grijpen. In feite hadden ze dat drie maanden geleden ook al moeten doen, zo goed als zeker wetende dat het CBP bezig was de laatste hand te leggen aan de nieuwe verplichtende richtlijn.

Voor het weblog alhier zullen er ook consequenties zijn. Zo zal het voortaan waarschijnlijk verboden zijn om bij een reactie het ip-adres te vermelden, ook als het om een niet ingelogde persoon gaat. Redenering is dat het ip-adres toch een gegeven is dat kan bijdragen aan het achterhalen van iemands ware identiteit. Een mogelijke oplossing lijkt mij dat de Volkskrant het ip-adres vervangt door een ander nummer. Binnen het weblogsysteem blijft iemand dan herkenbaar als een en dezelfde persoon, terwijl er geen risico bestaat dat zo’n gegeven wordt gekoppeld aan andere gegevens op het internet.

Enkele andere consequenties:

Ikzelf beheer diverse websites en zal aan mijn rits e-mail adressen de variant privacy@domeinnaam.nl gaan toevoegen, want dat formaat wordt het populaire adres waaraan mensen klachten inzake privacy zullen gaan richten.

Er zullen aanpassingen gerealiseerd moeten gaan worden, zoals publicatie op de sites van privacy-verklaringen.

Ook zullen website- en weblogbeheerders zich vantevoren rekenschap moeten geven van de aard van de gegevens die ze willen publiceren. Het is veelal onvoldoende om maar af te wachten en pas te reageren als er actief wordt geklaagd.

Met name voor webloggers is van belang dat een onterechte beschuldiging, waarbij privé-gegevens iemand traceerbaar maken, niet kan worden rechtgezet door even later te vermelden dat de beschuldiging onjuist is. Een verzoek tot expliciete verwijdering van de beschuldiging moet gehonoreerd worden, zodat referenties, via zoekmachines, tot het verleden gaan behoren. Zelfs zal zo’n verwijdering zich moeten uitstrekken tot een verzoek aan zoekmachines om de opgeslagen verwijzingen, welke in cache staan, te verwijderen.

Wanneer iemand privé-gegevens verwijderd wil zien, kan dat verzoek ook aan de website-beheerder, zoals hier de Volkskrant, worden gericht. Deze móet ermee aan de slag en kan niet volstaan met het verweer dat de blogger zelf de aan te spreken persoon is.

De tijd dat we bij het publiceren van privé-gegevens op bijv. een weblog mochten afgaan op ons eigen gevoel voor rechtvaardiging is voorbij. Gelukkig, want dat gevoel was bij sommigen ver onderontwikkeld.