Over de doodstraf in Nederland en of iemand mag doden bij bedreiging

In Nederland is de doodstraf momenteel geen thema. Wat heet momenteel. Het is al decennialang geen thema. Wikipedia:

De doodstraf was in Nederland eeuwenlang de zwaarst mogelijke straf, maar is sinds 1870 afgeschaft (met uitzondering van oorlogsrecht). Uiteindelijk wordt in 1983 in de Grondwet bepaald: de doodstraf kan niet worden opgelegd (artikel 114). Sindsdien kent Nederland de doodstraf niet meer, zowel voor misdrijven die in vredestijd als in oorlogstijd zijn gepleegd.

De Nederlandse wet over de doodstraf

In 1870 vergde het evengoed nog 7 dagen debat, rond 1983 was het geen enkel probleem om tot die aanpassing van de wet te komen. Al vele jaren was er geen Nophanging_albert_wetterman_1837ederlander ter dood veroordeeld en het algemeen gevoelen was dat we de criminaliteit zelfs beter zouden kunnen indammen zònder de doodstraf. We waren immers onderhand echt wel een beschaafd volkje geworden en, mede onder invloed van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het erover eens dat ieder leven heilig is. Allen die dat laatste ook toen niet geloofden werden overtuigd met verhalen uit de V.S. over ter dood gebrachte veroordeelden die achteraf toch niet schuldig bleken te zijn. Of zij werden overtuigd door sociaal wetenschappers die aantoonden dat de doodstraf ook al niet het afschrikwekkende effect had dat voorstanders ervan schetsten. En zo waren er nog wat argumenten tegen de doodstraf die destijds in goede aarde vielen.

Argumenten vòòr de doodstraf

Ikzelf ben niet tegen de doodstraf. Wel zie ik slechts twee geldige argumenten voor mijn standpunt en dat is dan ook meteen bepalend voor wanneer de doodstraf, wat mij betreft, toegestaan is. Vergelding? Nee. Oog om oog, tand om tand? Nee. Afschrikking? Nee. De beste manier om definitief af te komen van pure moordenaars of anderszins zeer kwaadaardige lui? Ja. Breng deze personen ter dood en je hebt er geen last meer van. Stop ze daarentegen in de gevangenis en je moet een leven lang hen bewaken, eten geven en voor enig vermaak zorgen. Dat is kostbaar, maar dat is tot daaraantoe. Vooral is er het risico dat enkelen ontsnappen of binnen de gevangenis ellende aanrichten, bij medegevangenen of personeel.

Er is wat mij betreft nog één ander geldig argument. Daarover schreef ik eerder. Als voorbeeld nam ik de doodstraf die Saddam Hoessein kreeg. In Irak waren er niet veel die zich principieel daartegen uitspraken, maar in het Westen waren er des te meer. Amnesty International liep daarbij voorop. Wat deze anti-doodstraf fundamentalisten echter niet wilden beseffen was dat het onrechtvaardig zou zijn geweest als Saddam Hoessein’s leven was gespaard. Het zou onrechtvaardig zijn geweest naar alle soldaten toe die uit zijn naam Irak verdedigden en daarbij het leven lieten. Maar ook zou het onrechtvaardig zijn geweest naar de omgekomen soldaten aan Amerikaanse en Britse kant. Waarom? Wie als dictator de lakens uitdeelt en daarbij hoog en droog in zijn presidentieel paleis blijft zitten – en dus niet op het slagveld te vinden is – en bij verlies wordt gevangen genomen, mag in principe verwachten dat hem hetzelfde lot te wachten staat als een deel van zijn soldaten overkwam. De moraal hier is: Wie niet principieel tegen elk oorlogsgeweld is, met de daarbij te verwachten doden, kan ook niet principieel tegen de doodstraf voor de dictator zijn. Het zou wat zijn zeg: De soldaten sterven en de dictator ontloopt dat lot, louter omdat hij niet op het slagveld meevocht? Zo’n dubbele moraal is onrechtvaardig.

Wat het volk ervan vindt

In Nederland is 42 procent niet principieel tegen de doodstraf. Dat is niet niks, al zullen er binnen die groep diverse kampen bestaan, afhankelijk van de aangevoerde argumenten. Toch is het in de politiek een taboe. Elke politieke partij die er een thema van probeert te maken, kan rekenen op felle tegenstand. Ook buiten de politiek is het een dingetje. Misschien geldt het volgende niet binnen èlke subcultuur, maar mijn indruk is dat in discussies verreweg de meeste aanwezigen zich fel en principieel tegenstander van de doodstraf verklaren. (Misschien houden voorstanders op zo’n moment wijselijk hun mond?) Heerlijk, dan zijn de aanwezigen het in elk geval dààrover met elkaar eens en dat schept een band.

Doden bij bedreiging

Maar ja, diezelfde mensen kan je het een stuk moeilijker maken door de discussie iets te verplaatsen. Wat zou je doen als iemand met een bijl je vriend dreigt om te brengen en jij hebt, stomtoevallig natuurlijk, een mitrailleur in je hand. Schiet je? De argumenten variëren dan van “nou, dat hangt van een aantal andere zaken af” via “vast wel, maar dat is omdat Waarom Reinier Boere niet vervolgd wordtbernie-disproportionateik dan emotioneel en bang ben” tot “meteen natuurlijk”. Uiteindelijk blijkt iedereen wel ergens een grens te hebben. Tot die grens zullen ze niet bereid zijn echt te doden, voorbij die grens zullen zij ook doden. En dit alles wordt dan verklaard bij vol bewustzijn, op een rustig moment, na de tijd te hebben gekregen er goed over na te denken. Kortom, niemand is tot in het oneindige tegen doden. Uit principe tegen doden zijn is dus heel erg relatief.

Proportionaliteit

Da’s, wat mij betreft, maar goed ook. Dan kunnen we het daarover tenminste allemaal met elkaar eens zijn. Maar in de praktijk speelt altijd een heel ander probleem: de proportionaliteit. Dan vinden opeens allemaal mensen dat iemand disproportioneel handelde. Dan werd de vriend weliswaar bedreigd met een bijl, maar om dan meteen de aanvaller dood te schieten, nog wel met 10 kogels en terwijl je vriend zelf die ander eerder financieel had bedrogen … Nee, dat begrijpen een hoop mensen dan niet. En het gekke is dat de persoon zelf het achteraf vaak ook niet begrijpt.

Wat is dat toch met die proportionaliteit? Ik zal het even uitleggen.

Wie zich bedreigd voelt zal een inschatting maken van de ernst ervan en de reactie daarop afstemmen. Sommige bedreigingen bieden echter geen echte bedenktijd. Er moet dan direct worden gehandeld. De meeste mensen zijn onervaren met zulke bedreigingen en voelen zich dan overmeesterd door hen vooralsnog onbekende emoties en spanningen die het rationeel handelen danig in de weg zitten. Sterker, juist die emoties dienen het instinctieve ‘willen overleven’, wat het ook zal kosten. Als de situatie als levensbedreigend wordt ervaren, zal er worden gekozen voor snel vluchten of voor willen uitschakelen van de aanvaller. Misschien is iemand al voldoende uitgeschakeld als deze bewusteloos wordt geslagen. Maar wie niet zo snel weet hoeveel kracht voldoende is om iemand bewusteloos te slaan, zal dan wellicht zo hard mogelijk doorbeuken. Of het kogelmagazijn wordt helemaal leeg geschoten, want stel je voor dat je de aanvaller slechts lichtjes verwondt en je alsnog de pineut bent. En ja, aan doorbeuken en leegschieten kan de aanvaller doodgaan. Tot zover de doortastende verdediger. Maar wat nu als je zo’n softie bent die uit ten diepste gevoeld principe tegen doden is? In televisieseries worden we geregeld geconfronteerd met zo iemand. Afgelopen week nog op tv: een vrouw had de mogelijkheid om te schieten op degene die haar vriend met een mes ging doodsteken. De film vertraagde de milliseconden tot seconden, de twijfel – zichtbaar gemaakt met de ogen en de mond van de vrouw – werd uitgebreid getoond en ondertussen zat ik me op de bank op te winden: “schiet dan mens, schiet dan, treuzel niet, SCHIET, NU!”. Zou het zo verfilmd worden omdat velen echt zo zijn? Of willen de elites bij de film dàt we zo zijn, dat we altijd eerst heel goed nadenken voordat we zo’n rigoureus en verstrekkend besluit nemen, helemaal in navolging van de heiligverklaring van ieders leven?

Rigoureus uit onervarenheid

Ik denk dat ‘eerst goed nadenken’ in de nodige gevallen gewoon niet tot de opties behoort; direct handelen is dan de enige optie. En ik denk dat het direct genomen besluit veelal eerder rigoureus zal zijn dan voorzichtig. Het gevolg laat zich raden: De aangevallene, of degene die het opnam voor een aangevallene, wordt achteraf minstens publiekelijk veroordeeld voor het rigoureuze ingrijpen. Dat is natuurlijk makkelijke praat van die omgeving. Te makkelijk. Ik pleit voor een beter begrip van het psychologische proces waar iemand op het moment suprême doorheen gaat.

Advertenties

Inburgeren is, als het GOED is, een ENORME opgave

huphollandhupIn De Volkskrant van deze zaterdag staat een interview met Han Entzinger over de huidige vorm van de inburgeringsverplichting die door De Algemene Rekenkamer als een mislukking wordt beschouwd. Entzinger is een van de grondleggers van het hele idee, al geldt dat niet voor de huidige vorm die in 2013 ontstond (Wet Inburgering 2013). Zijn bemoeienissen gaan terug naar de vorige eeuw. Entzinger stond toen voor ogen dat inburgering een opstapje was in de nieuwe samenleving. Nu bekritiseert hij de huidige praktijk door te stellen dat het verworden is tot een afschrikkingsmiddel. Hij lijkt het te wijten aan het feit dat de overheid een en ander ging overlaten aan private bedrijfjes,, terwijl het volgens hem typisch een taak voor de overheid is. Er zijn nu zes afzonderlijke inburgeringstoetsen: luisteren, spreken, lezen, schrijven en kennis van de maatschappij en van de arbeidsmarkt. Ook moet de inburgeraar zelf de kosten opbrengen, al is er bij slagen sprake van een tegemoetkoming en kan het geld geleend worden. Al met al blijkt de cursus voor tweederde van de migranten een te grote opgave; zij slagen niet of haken voortijdig af. Vandaar zijn conclusie dat het tot een horde is verworden, in plaats van een hulpmiddel. Ook was het nooit zijn bedoeling dat de ‘inspanningsverplichting’ zou uitmonden in harde sancties bij niet slagen. De inburgering zou in Entzingers ogen zijn verworden tot een ‘assimilatiebeleid’:

“Je moet worden zoals wij. Veel mensen hadden een gevoel van onbehagen bij de snel veranderende maatschappij. Sommige bewindslieden hebben dat toen letterlijk gezegd: je moet Nederlandse vrienden hebben, Nederlandse partners, op straat Nederlands spreken.”

Het beleid werd dat er boetes konden volgen, dat een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd zou kunnen worden geweigerd en dat er zelfs uitzetting kon volgen. Weliswaar werden deze sancties nooit echt toegepast. Dat zou ook ondemocratisch zijn geweest, volgens Entzinger:

“Je kunt nieuwkomers niet dwingen te assimileren. Tenminste, niet in een democratie. Dat lukt alleen met de knoet.”

Ook was Entzinger niet blij met de examenvragen over ‘gewenst gedrag’ in sociale situaties. Het zijn volgens hem vragen waarop geen feitelijk juist antwoord bestaat.

“In vergelijking met andere landen heeft de Nederlandse inburgering dat sterk, vragen over gedragsregels en allerlei normatieve dingen. Terwijl de antwoorden nogal afhangen van de sociale kring waarin je verkeert. Je ziet dat die vragen bedacht zijn door mensen met een middle class-perspectief, met een zeker nostalgisch verlangen naar een onbenoemd verleden. Het is raar dat het recht om hier te mogen blijven daarvan afhangt. Temeer omdat het merendeel van de inburgeraars veel meer met andere migranten in aanraking komt dan met autochtone Nederlanders voor wie dit de normen zijn.”

Entzinger wil weer terug naar de beperkte opzet zoals hij die ooit bepleitte. En de overheid zou weer de regie in handen moeten nemen. En we moeten ervoor zorgen dat migranten zich volwaardig gaan voelen.

“Veel mensen met een migratieachtergrond hebben het idee dat zij niet voor volwaardig worden aangezien, ik hoor dat ook van studenten hier aan de universiteit. In feite gewoon Rotterdamse jongens en meisjes die ontzettend hun best doen, maar die toch het gevoel hebben dat ze niet zo meetellen als autochtone jongeren. Dat leidt tot frustratie, sommigen wenden zich af van de Nederlandse maatschappij. Dat is het sentiment waar Denk nu op drijft.”

Tot zover wat emeritus hoogleraar en voormalig lid van de WRR Han Entzinger ervan vindt. Nu wat ik ervan vind.

Je kunt nieuwkomers niet dwingen te assimileren. Tenminste, niet in een democratie. Dat lukt alleen met de knoet”, zo stelt Entzinger. Ik vind dat te kort door de bocht. Mogelijk heeft hij gelijk gezien de hedendaagse verhoudingen in het parlement, maar wat nu als de parlementaire verhoudingen veranderen en er democratisch wordt besloten dat er wel degelijk geassimileerd moet worden?!

Ook kan je je afvragen waar integreren eindigt en assimileren begint. Het lijken me punten op een ‘schaal van aanpassing’, meer niet. Aan het ene uiterste is iemand volledig onaangepast en aan het andere uiterste volledig aangepast. De inburgeraar zal ergens daartussenin eindigen, maar het gaat uiteindelijk om de onderwerpen. De huidskleur is geen onderwerp, alleen al omdat deze niet te veranderen is, en dat zal ook niemand verwachten. Koffiedrinken zou een onderwerp kunnen zijn, maar mocht dat het enige onderwerp zijn (naar het idee van de autochtonen), dan lijkt assimileren mij een kwestie van goed koffiedrinken oefenen, meer niet, en je bent er. Uiteraard gaat het niet alleen om koffiedrinken. Sterker, het gaat de autochtonen niet echt om koffiedrinken, al kan het helpen bij socializen. Het echte rijtje onderwerpen dat ertoe doet omvat taal en een beetje kennis van de wet en geschiedenis, maar vooral respect voor, en naleving van, de Nederlandse normen, waarden, gewoonten en tradities. Niet onbelangrijk punt is dat de autochtonen zich pas de laatste tijd goed bewust geworden zijn van die normen, waarden, gewoonten en tradities, daartoe gedwongen door de geregeld opgeworpen vraag wat die dan wel zijn en doordat anderen meenden ons te kunnen vertellen dat er geen echte Nederlandse identiteit is, denk aan Maxima. We kunnen het de immigranten niet kwalijk nemen dat we die lijst met onderwerpen niet goed op een rijtje hadden. Dat zullen we nu beter moeten gaan doen. Maar zijn we het wel voldoende eens over dat rijtje, over die criteria?

Entzinger stelt dat er geen objectieve criteria bestaan voor “gewenst gedrag”. In academische zin en gezien vanuit een kosmopolitisch perspectief heeft hij wellicht gelijk. Over bijna alle gedrag wordt wel ergens ter wereld net even anders gedacht en ook binnen Nederland bestaat over veel gedrag verschil van mening. Toch neemt dat niet weg dat er wel degelijk criteria gesteld kùnnen worden, zelfs over gedrag waar lang niet alle Nederlanders het over eens zijn. Entzinger stoort zich vooral aan het middle-class perspectief dat uit de examenvragen bleek. Ik ken die vragen niet, maar wil hier toch pleiten voor het toepassen van een perspectief. Het gaat dan om het uitdragen van een stelsel van normen, waarden, gewoonten en tradities waarmee de inburgeraar een goede start in onze samenleving kan maken. Dus al komt het vaak genoeg voor dat een paar Hollandse jongens hebben besloten elke donderdagavond met elkaar te gaan darten zonder de meiden erbij, migrantenjongens moet toch worden uitgelegd dat het abnormaal is dat in een café vrouwen worden geweerd. En al kan het best zo zijn dat de hulpbehoevende meneer Van Dongelen het op zijn 43e onprettig vindt te worden gewassen door een willekeurige vrouw en dat hij daarin tegemoet wordt getreden, evengoed zal een migrant met drie kleine kinderen die geen vrouw meer heeft en huishoudhulp aangeboden krijgt, moeten accepteren dat het een vrouwelijke hulp wordt, ook al staat zijn geloof dat naar zijn zeggen niet toe.

Entzinger vindt ook het verplichte karakter maar niks. Ik vind daarentegen dat elke inburgeraar persoonlijk begeleid moet worden en dat de begeleider gedrag zelfs kan opdragen. Ook is het zaak dat begeleiders niet al te gemakkelijk omgaan met de lijst van normen, waarden, gewoonten en tradities. Immers, elke afwijking die de begeleider de inburgeraar gunt, zal tot integratieproblemen kunnen gaan leiden. Wat dat betreft is een zesje of zeventje onvoldoende. Er zal echt volledig moeten worden meegewerkt en geaccepteerd. De inburgeraar zal zich volledig gewonnen moeten geven. En ja, dat betekent een echt enorme opgave. Het zal iedereen duidelijk zijn dat het ontzettend moeilijk is om uit de eigen cultuur over te stappen op een andere cultuur, zeker als die conflicterend is. Dat kan eigenlijk alleen maar met persoonlijke begeleiding en ongelooflijk veel bereidheid. Teveel gevraagd? Ik vind van niet.

Ruben Mersch heeft bijna altijd gelijk

Ruben Mersch - Waarom iedereen altijd gelijk heeftDe Vlaming Ruben Mersch schreef het boek ‘Waarom iedereen altijd gelijk heeft’. Die titel beviel mij wel en deze week heb ik het helemaal uitgelezen; vandaar dat ik wat minder blogde (hoewel ik dan weer wel in de brievenrubriek van De Volkskrant verscheen). Mersch heeft echt zijn best gedaan zichzelf èn de lezer goed zicht te geven op wat er zoal gebeurt wanneer mensen elkaar proberen te overtuigen. Daarbij gaat het dan niet alleen over een ander wel of niet van een feit weten te overtuigen, maar ook – of vooral – over moreel overtuigen. Dus over de vraag of we de ander kunnen overtuigen van de juistheid van ons morele standpunt en de onjuistheid van een conflicterend moreel standpunt. Uitgangspunt is zijn waarneming dat standpunten van opponenten na een debat veelal eerder blijken te zijn verhard dan dat er toenadering plaatsvond. Mersch gaat voor de verklaring vooral langs bij psychologen, biologen en neurowetenschappers.

Bij die laatste vindt hij aanwijzingen – of zeg maar: met fMRI-scans geleverde bewijzen – dat er een centrum in de hersenen is dat van cruciale invloed is: de ventro-mediale prefrontale cortex, ook wel afgekort tot VMPFC. Dit centraal gelegen gebied is evolutionair heel veel ouder dan de gebieden die we associëren met rationeel denken, maar spelen een grotere rol bij het bepalen van onze standpunten dan onze ‘ratio’. Mersch populariseert misschien net even teveel door aan dat gebied te refereren als ‘de onderbuik’ (immers, waarom zou je nog refereren aan iets in de buik als je de echte locatie al gevonden hebt). Ik begrijp het echter wel; het is het gebied dat verantwoordelijk lijkt voor onze uitspraken die anderen nogal eens benoemen als onderbuikgezwets. Toch, ook al heeft hij het over onze onderbuik, hij bedoelt er niet mee dat we de oordelen van dit gebied moeten onderdrukken met onze ratio. Mersch wil dat we ons eerst en vooral gaan realiseren dat het gebied bestaat en waarom het tot op de dag van vandaag  zo’n cruciale rol vervult in ons oordelen.

Ik zou zeggen, lees het boek en je zal het je voortaan realiseren. Als het goed is zal je die VMPFC en zijn morele oordeelsvermogen gaan appreciëren. Daarmee bedoel ik niet te zeggen dat we onze rationaliteit moeten laten varen en nog slechts op onze onderbuik moeten afgaan. Wel bedoel ik ermee dat we de ratio niet de alleenmacht over ons oordeel moeten geven. Een van de belangrijkste drijfveren van de VMPFC blijkt het creëren van een moraal die de eigen ‘stam’ voortrekt en zo haar kans op overleven vergroot. Het idee dat de wereld van iedereen is, dat iedereen gelijk is en dat we allemaal dezelfde rechten hebben, is in essentie slechts een rationeel idee. Wie dat volledig rationele idee radicaal toepast gaat compleet voorbij aan de drijfveren van de eigen VMPFC, die er immers op uit is de eigen soort voor te trekken. Wat we meer dan geregeld zien is dat er een diepe kloof is tussen hen die de VMPFC laten prevaleren en hen die de ratio laten overheersen. Om diverse redenen, die Mersch haarfijn uitlegt, zijn beide kampen ook niet echt in staat zich te verplaatsen in de gedachtengang van het andere kamp. Veel van die redenen hebben alles te maken met die VMPFC waarvan we de rol en eigenlijke bedoeling slechts op onbewust of hooguit onderbewust niveau beleven. Zo ligt het ten grondslag aan ons blijkbare conformeren (toegeven aan sociale druk uit de omgeving) ook als die irrationeel lijkt, aan de niet meer uit te wissen inprenting van goed en kwaad, juist en onjuist, normaal en abnormaal in onze vroegste jeugd, aan onze emoties bij vermeende onrechtvaardigheid, aan onze wraakgevoelens en ons gevoel van mededogen. Empathie speelt daarbij uiteraard een centrale rol, maar dan vooraleerst empathie voor de eigen stam. Het lijkt ook welhaast zeker dat zelfs ons DNA reeds een blauwdruk bevat van goed en kwaad, juist en fout en doen en laten. Andere redenen hebben te maken met de vele valkuilen waar we intuinen bij het rationeel redeneren. Dat blijkt namelijk verre van gemakkelijk te zijn. Ook in de wetenschap lukt het slechts zelden om iedere deskundige tot identieke gedachten te brengen.

Al lezende zag het er heel lang naar uit dat de conclusie van Mersch zou worden dat zekere diepe kloven tussen opponenten niet te dichten zijn. Pas aan het eind van het boek nam het een wending die erop neerkomt dat het, volgens Mersch, met de juiste debattechnieken toch mogelijk is om ook de moeilijke opponenten iets jouw richting op te krijgen of zelf iets de richting van die opponenten op te schuiven. Bayesiaans redeneren moet daarbij behulpzaam zijn. Dat is niet iets wat je nog moet leren, want je doet het al. Wel zou je het beter moeten onderkennen en appreciëren.

Heb ik geen kritiek op het boek? Mersch heeft goed zijn best gedaan om met echte en actuele praktijkvoorbeelden de kloof tussen groepen te illustreren en gaf er daarbij blijk van de argumenten aan beide zijden te doorgronden. Soms kiest hij partij, maar altijd doet hij dat openlijk en vooral om te laten zien dat ook hij niet ontsnapt aan de invloed van zijn VMPFC, zijn ratio, zijn jeugdinvloeden en de sociale druk uit zijn omgeving. Ik neem het hem niet kwalijk, ook niet als hij op aangesneden onderwerpen mijn opponent werd. En ja, er waren diverse momenten in zijn boek dat ik andere conclusies trok dan hij deed, bijvoorbeeld als hij een onderzoeksresultaat zus interpreteerde en ik een niet door hem geziene interpretatie zag. Maar er waren vele andere momenten dat hij conclusies trok die ik knap gevonden vond. Tenslotte, ik had dit boek niet kunnen schrijven; hij wel: chapeau.

Dan toch één kritiek, maar dan vooral om te prikkelen. Op een van de allerlaatste bladzijden haalt Mersch Thomas Jefferson erbij.

“Ondanks het feit dat Thomas Jefferson in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring schreef dat alle mensen gelijk geschapen zijn, vond hij het niet nodig om zijn eigen slaven – hij had er een stuk of zestig – te bevrijden. Mensen hebben nu eenmaal een enorm talent voor zelfrechtvaardiging.”

Voor Mersch lijkt het duidelijk dat Jefferson inconsequent handelde; zijn moraal vertaalde hij niet in erbij passend gedrag. Maar zou het kunnen zijn dat hij Jefferson’s woorden anders heeft uitgelegd dan Jefferson ze feitelijk bedoelde? Misschien bedoelde Jefferson niet zozeer ieder mens op aarde, maar had hij het alleen over de mensen in de eigen ‘stam’. En dan was zijn handelen naar huidige maatstaven wel moreel onjuist, maar niet in tegenspraak met zijn destijdse eigen moraal.

Hillary: “Ik ben de laatste tussen jullie en de apocalyps”

Ongepolijste Trump

Trump – Ongepolijst, ongemanierd, het zal wel. Zou jij kans hebben gemaakt als presidentskandidaat, gezien de absurde normen van de Amerikaanse media?

Vandaag in de Volkskrant een vertaling van het artikel van Mark Leibovich met Hillary Clinton voor de New York Times. Het wordt gebracht als een ‘in gesprek’, maar het is verre van een interview, gezien de weinige quotes van Hillary en de vele volzinnen van Leibovich zelf. Het is een slap, maar tekenend artikel dat eigenlijk maar één doel dient: propaganda voor deze presidentskandidate. Na lezing moest ik constateren dat hèt onderwerp dat ook in de VS een enorme kloof heeft veroorzaakt niet genoemd wordt. Haar slogan is ‘Stronger Together’. Nou, dan moet je vooral zo doorgaan, maar niet heus. Vier jaar geleden meenden in ons land de PvdA en VVD bruggen te gaan slaan. Het zijn natuurlijk valse leuzen als je je tegelijkertijd zo fel afzet tegen de lezing van je politieke tegenstanders van het wereldgebeuren.

Het artikel eindigt met haar al vaker gedane uitspraak: “Ik ben de laatste tussen jullie en de apocalyps”. Voor degenen die niet weten wat ze daarmee bedoelt: Zij denkt dat Trump’s campagne is gestoeld op bangmakerij voor de apocalyps en laat met die woorden blijken dat de stemmers vooral haar moet kiezen, zodat Trump niet zijn in haar ogen desastreuze kijk op de wereld kan vertalen in presidentieel beleid. Dat is toch wel een merkwaardige redenering van haar, zo niet een flinke denkfout.

Ten eerste, nergens heeft Trump ooit het woord apocalyps gebruikt. Ten tweede, juist hij zou er als president voor zorgen dat de hedendaagse heftige conflicten niet maar blijven voortsudderen door eindelijk fundamentele maatregelen te gaan nemen.Het gaat natuurijk om de clash tussen het Westen en de Islam, een waarheid die Hillary en de haren tot op de dag van vandaag niet uit hun mond kunnen krijgen. Nee, er moet vooral met gezalfde woorden over die religie worden gesproken, want anders loopt het echt uit de hand, zo menen Hillary en met haar al die andere ‘gematigden’, ook hier in ons land. Wie daarover even doordenkt, zou toch moeten bedenken dat er eigenlijk een enorme angst uit spreekt. Waarschijnlijk kennen deze ‘gematigden’ veel meer angst voor de Islam dan de openlijke islamcritici. Wellicht is dat ook de reden dat juist deze ‘gematigden’ telkens weer roepen dat die critici angst zaaien; het komt dan weer keihard bij henzelf binnen.

Probleem is dat deze ‘gematigden’ juist door die afweerreactie totaal ongeschikt zijn om de werkelijke problemen tussen het Westen en de Islam aan te pakken. Voor de stemmers in de VS zal de keus bij de verkiezingen heel simpel zijn: Of je kiest voor de wegkijkende politiek van de oude stempel en de echte problemen worden alleen maar nog groter, of je kiest toch voor de ongepolijste Donald Trump in de hoop dat hij na vier jaar een veel betere president blijkt te zijn geweest dan voorspeld werd, vooral omdat hij inderdaad de echte problemen met echte oplossingen te lijf ging.

Gay Canal Parade – Mooi? Afstootwekkend?

gayprideOver ruim een week is wederom de Gay Canal Parade. Daarom iets meer aandacht de komende tijd voor dat onderwerp. Een aftrap met het plaatje van de twee roze uitgedoste mannen lijkt me op zijn plaats. Het is gepikt van de website van de organisatie. Vind je het mooi? Zo ja, wat zegt dat dan over jou? Of vind je het juist afstootwekkend? Ook dan, wat zegt dat over jou? Wat het over je zegt als je het mooi vindt, weet ik even niet. Wel weet ik dat je niet bij voorbaat een homohater bent als je het afstootwekkend vindt. Er zijn nogal wat mensen die de mening zijn toegedaan dat homofilie gewoon getolereerd moet worden en tegelijkertijd de vorm van homofilie die de foto uitstraalt om redenen afwijzen of in elk geval “maar niks” vinden. Mogelijk vinden die mensen ook de vrouwelijke vorm ervan – denk aan Braziliaanse schoonheden op het festival van Rio – of zelfs elke opzichtige uiting van seks afkeurenswaardig of gewoon “maar niks”. Maar toegegeven, er zijn ook mensen die de vorm alleen bij mannen maar niks vinden en dan vooral omdat het de rol van de man in de maatschappij ondermijnt. Is dat misschien dan toch homofobie? Ik durf dat nog steeds te betwijfelen.

Als er bij het aanschouwen van de twee jongens één woord is dat bij mij naar boven komt drijven, dan is dat ‘hedonisme’, ofwel het zien van genot als hoogste doel in het leven. Nou goed, nog een woord dan: decadentie. Het tolereren van met name de hedonistische vorm van homofilie vraagt nogal wat van een maatschappij, c.q. beschaving. In menig land wordt deze vorm dan ook niet getolereerd; niet bij wet en niet door het volk. De mensen in die landen zouden niet weten hoe ze zulke tolerantie kunnen laten stroken met hun normen en waarden. Je kan dan denken aan behoorlijk religieuze mensen, die hedonisme zien als een vorm van kwaad waartegen ze zich verzetten moeten. Je kan ook denken aan volkeren die trots zijn op hun heldhaftige geschiedenis vol met stoere, èchte, mannen. Maar je kan ook denken aan mensen die een vorm van socialisme aanhangen die vooral is gestoeld op gemeenschapszin. Mocht de voorhoede van de homobeweging werkelijk menen dat zulke gay parades bijdragen aan hun emancipatie, dan moet ik ze teleurstellen; in zulke landen, en bij zulke groepen, neemt de weerzin alleen maar toe. En ik denk dat je de mensen in die landen of groepen niet zomaar een sticker met “homofoob” mag opplakken. Een minder opvallende vorm van homofilie zou namelijk zomaar wel op steun, of in elk geval tolerantie, kunnen rekenen.

Ook in ons land zijn er genoeg mensen die de hedonistische vorm slechts met tegenzin tolereren. Ik behoor tot de groep die een mengvorm van socialisme, liberalisme en democratie aanhangt waarvoor geldt dat gemeenschapszin weliswaar noodzakelijk is, maar dat deze zijn doel voorbijschiet als er niet eveneens individuele vrijheid bestaat. Ergo, van mij mogen mensen ook een beetje hedonisme betonen, ofwel: genieten van het leven. Homofilie die het gevolg is van het slechts kunnen genieten van seks bij mensen van het eigen geslacht heeft zodoende mijn zegen, want anders zou ik iemand dwingen tot een leven zonder enig seksueel genieten. Toch behoor ik tot de groep die de hierboven betoonde vorm van hedonisme slechts met tegenzin tolereert; het is namelijk meer dan ‘een beetje hedonisme’. De beide jongens vind ik afstootwekkend. Ze zijn in mijn ogen decadente kinderen. Kinderen omdat ik ze onvolwassenheid vind uitstralen. Decadent omdat ik moreel verval eruit lees. Hun lach vind ik gemaakt, zo van “zie mij eens mooi zijn”. Verder kan ik het niet laten te vermoeden dat ze zich vooral in de homoscene ophouden omdat het daar zo makkelijk is heel veel en heel vaak seks te kunnen hebben. Mannen hebben (door de hormonen) nu eenmaal vaker zin in seks dan vrouwen, dus er is in de homoscene altijd wel wat te doen op dat gebied. Waren vrouwen even happig gebleken, dan was menig homo nooit homo geworden, zo vermoed ik. Het westerse percentage homofilie zou dus weleens veel hoger kunnen zijn dan het percentage in andere culturen. Niet omdat homofilie in die andere culturen wordt onderdrukt, maar omdat homofilie hier wordt bevorderd juist door onze tolerante houding, zelfs tolerant voor de hedonistische vorm.

De Gay Canal Parade wordt voor mij dus wederom een irritant gebeuren. Maar wel moet ISIS er met zijn poten vanaf blijven. En dat geldt ook voor elke Marokkaanse snotneus.