Socialisten aller landen, verzet de bakens!

We schreven 2017 en de socialistische ideologie bleek uiteindelijk toch gestoeld op een foute aanname: Dat alle socialisten alle lasten en lusten eerlijk met iedereen willen delen.

Ja, dat wilden ‘socialisten’ wel, zolang ze zelf aan de verkeerde kant van de verdeling stonden. En ja, dat wilden ook wel sommigen die aan de goede kant van de verdeling stonden. Met name die laatsten geloofden oprecht in dat idee. Niet helemaal onlogisch dat juist uit die kring nogal wat socialistisch kader werd geworven. Het waren de ware gelovigen in het socialisme.

Tot ver in de twintigste eeuw was de groep die aan de verkeerde kant van de verdeling stond erg omvangrijk. Logisch dat in die tijd de socialistische partijen zo groot werden; er viel veel te halen. Ook al niet verwonderlijk is het dat socialisten daardoor gingen denken dat deze ideologie helemaal goed in elkaar stak. Maar helaas, van degenen die destijds stemden op socialistische partijen zijn er nogal wat die het roer hebben omgegooid. Waarom?

Stel je voor dat …

Nu volgt een gedachtenexperiment dat enig inlevingsvermogen vereist. Hoewel, wie de ontwikkelingen een beetje heeft gevolgd hoort er geen moeite mee te hebben. Klaar?

Stel je een land voor waar mensen eindelijk niet langer gebukt gingen onder uitbuiting door anderen. Er was een evenwicht bereikt en alle burgers deelden de lusten en lasten nu gelijk. Niks aan het handje, doel van de socialisten bereikt, iedereen tevreden, klaar. Echter, toen bleek er het idee in het socialistisch kader te hebben postgevat dat er ook nog anderen in de wereld waren die nog steeds aan de verkeerde kant van de verdeling vielen. En dat kader besloot dat socialisten ook voor die mensen moeten opkomen. Zo geschiedde. Een deel van de mensen uit dat buitenland werd zelfs hartelijk welkom geheten in deze geëgaliseerde samenleving. Dat ging zeker in het begin zo op het oog goed, maar er ontstond gaandeweg ook onbehagen bij zekere burgers. Eerst wisten die nog niet waar dat onbehagen vandaan kwam. Pas later werden ze er bewust van dat zij mede voor allerhande nieuwe kosten moesten opdraaien en dat hun eigen sociale en economische situatie er traag, maar gestaag, op achteruit ging. Die nieuwe kosten waren niet onlogisch, want ook die van buiten komende mensen moesten gehuisvest worden, te eten krijgen, geld krijgen om sociaal mee te doen, onderwijs krijgen, noem maar op. Het bleek zelfs te gaan om een flinke concurrentie op de arbeidsmarkt, met name aan de onderkant. Steeds meer mensen legden intuïtief een verband tussen het een en het ander en besloten niet langer op de socialistische partijen te stemmen. De meesten konden niet eens precies beredeneren hoe dat verband in elkaar stak. Het was meer hun intuïtie dàt er iets mis was met het socialisme of in elk geval met de wijze waarop dat socialisme werd gepraktiseerd door de socialistische partijen. Een deel meende dat het aan de praktisering lag en bleef zich nog wel socialist voelen, terwijl anderen echt afhaakten omdat zij meenden dat het aan de ideologie zelf lag. Die laatsten waren lang niet altijd goed te onderscheiden van die eersten, want het viel zeker in de eigen kringen niet mee om toe te geven dat je het socialisme de rug had toegekeerd. In elk geval stemden velen ‘deze keer’ op een niet puur socialistische partij, zogenaamd of hoegenaamd uit protest. Zogenaamd als ze er niet voor uit de kast durfden te komen, hoegenaamd als ze het zelfs voor zichzelf niet durfden toe te geven. ‘Deze keer’ werd bij de volgende verkiezingen ‘ook deze keer’ toen duidelijk werd dat aan de socialistische praktisering nog geen steek veranderd was. Ondertussen waren er ook de nodige intellectuelen opgestaan die het intuïtieve gevoel wisten te voorzien van redeneringen. Het onderbewuste gevoel werd meer en meer aangevuld door een bewuste en rationele rede. Ook waren er concurrerende politici opgestaan die een alternatief aanboden dat wèl inspeelde op hun onbehagen. Ten langen leste werd het een chronisch afhaken en overlopen naar die andere politici, want de socialistische kaders bleven doof en blind voor de kritiek van die intellectuelen en concurrerende politici.

Daarmee lieten al die voormalige ‘socialisten’ de socialistische kaders flink in de steek. Kaders die telkens weer verongelijkt riepen dat ze het verhaal blijkbaar nòg beter moesten uitleggen en dat ze zouden gaan zoeken naar nieuwe manieren om tegenover elkaar staande bevolkingsgroepen toch weer te verbinden.

De blik moet anders gericht worden

Dat ‘stel je een land voor’ had eigenlijk wel weg gekund, toch? Iedereen met een realistische kijk snapt dat dit gedachtenexperiment de werkelijkheid anno 2017 redelijk beschrijft. Die kaderleden zijn echt blind en doof gebleken. Ze hadden allang kunnen zien dat de egalisering zo’n beetje op orde was. Er was nog slechts op punten winst te boeken. Vanaf dat moment hadden de socialisten vooral moeten bestendigen. Bestendigen is het ervoor waken dat er niet opnieuw onterechte ongelijkheid ontstaat. En de blik had daarbij naar de eigen bevolking gericht moeten zijn. Voor zover de blik op de grenzen gericht was, had men moeten opletten of er bedreigingen aan de poort verschenen. Van veel ‘progressieve acties’ had men moeten erkennen dat ze voor de tegenwoordige tijd te radicaal zijn en dat mensen er niet langer warm voor lopen.

Socialisten moeten ophouden voor iedereen in de hele wereld te willen opkomen. Socialisten moeten de groepen waarvoor ze opkomen zeer duidelijk definiëren. En die groepen moeten altijd beperkt en overzienbaar zijn, uit eindige aantallen bestaan. Gestelde doelen, ook langetermijndoelen, moeten haalbaar en betaalbaar zijn. En er moet worden gewerkt vanuit het besef dat ook hùn kiezers eerst en vooral het eigen belang veilig gesteld willen zien.

De wereld is niet van iedereen

Dè denkfout van hedendaagse kaderleden van socialistische partijen is dat deze ideologie geschikt zou zijn voor de hele wereld. Nee dus. Wie dat toch blijft denken, maakt zich ook nog eens schuldig aan moreel imperialisme. De wereld is niet van iedereen.

Volkeren moeten zelf kunnen bepalen hoe ze hun samenleving willen vormgeven. Laat alle landen zorgen voor de eigen bevolking en laat landen onderling met elkaar concurreren. Weliswaar op eerlijke gronden, maar zonder elkaar iets gratis te geven op basis van vermeende (bijv. historische) rechten. Hooguit kunnen we internationaal helpen als gunst, nooit vanwege een vermeend recht. Zien we dingen in andere landen gebeuren waar we zo het onze van denken? We kunnen kritiek leveren, maar moeten blijven beseffen dat verandering eerst en vooral vanuit die bevolking zelf moet komen. Zien we onderdrukking? Wordt er een beroep op ons gedaan door onderdrukten? We kunnen hulp overwegen, maar moeten ervoor zorgen dat die hulp de eigen samenleving niet aantast en moeten het alleen maar incidenteel en als gunst verlenen. Helpen mag dus nooit vanzelfsprekend en chronisch worden. En we moeten nooit accepteren dat de hulpvragers hulp claimen als een recht. Zijn er vluchtelingen vanwege oorlog? Bied als land, liefst in samenwerking met andere landen, de helpende hand door tijdelijk lokale opvang te regelen of desnoods tijdelijke opvang in een apart gebied in eigen land, met bed, bad, brood en wat onderwijs voor de kinderen, maar houd het sober.

Arme landen

Het ene land heeft meer rijkdom in de grond zitten, het andere land heeft een technologische voorsprong, enzovoort. Sommige landen hebben verdomd weinig. Maar als een land onvoldoende te bieden heeft aan zijn bevolking, dan moet die bevolking serieus overwegen zichzelf in te dammen, met geboortebeperkende programma’s dus. Idem moet een land zorgen voor zijn eigen gezondheidszorg. Medische hulp vanuit rijke landen mag niet losstaan van geboortebeperkende programma’s, juist om armoe van volgende generaties te voorkomen. Ook kan een land, zeker een arm land, niet volstaan met goede scholing. Echt werk op niveau is belangrijk. Onderwijs in een land zonder werkgelegenheid is vragen om problemen. Bij de jeugd zal het frustratie kweken, wat uiteindelijk leidt tot onvrede, opstand en oorlog. Dus onthoud, ook of juist voor arme landen geldt: Nòg belangrijker dan opleiding is werk. Véél belangrijker zelfs.

De bakens moeten worden verzet

Socialisten zullen de bakens moeten verzetten. Een van die bakens is het idee dat het haalbaar is een wereld te scheppen waar iedereen gelijke kansen en rechten heeft. Gelijke kansen en rechten zijn hooguit mogelijk binnen zekere grenzen. Hopelijk is het een kwestie van een iets andere interpretatie van socilalisme, maar mocht dit aanpassing van de ideologie zelf vereisen, dan moet dat maar. Socialisten aller landen, verzet die bakens!

Advertenties

Contractsocialisme – De redding voor de PvdA?

asscher de patriot

Lodewijk Asscher zet zich in dit filmpje nog af tegen nationalisten als Wilders, maar zou zijn partij een grotere dienst bewijzen door dat niet te doen.

Contractsocialisme, de term klinkt in elk geval als een klok. Wat houdt het in? Het idee achter de term ‘contractsocialisme’ is dat de socialisten van een groep een contract onderschrijven dat een aantal zaken socialistisch regelt. Laten we twee woorden uit die zin eens nader toelichten, groep en contract.

Groep

Voor Internationale Socialisten gaat het uit diep principe erom dat het socialisme overal op de wereld verwezenlijkt wordt; met minder nemen zij eigenlijk geen genoegen. Internationale Socialisten zijn nooit tot de verwezenlijking van deze utopie toegekomen en zullen dat ook nooit gaan verwezenlijken. Zij weten dat en desondanks geven zij zich niet gewonnen; zij zijn dus zeer principieel en radicaal. Iets minder principiële socialisten lieten zich niet weerhouden de ideologie op kleinere schaal te bepleiten. (Okay, laten we veronderstellen dat er ook socialisten zijn die uit principe niet geloven in een wereldwijde verwezenlijking.) Verwezenlijking lukte geregeld wel binnen een staat, al was dat veelal pas na een gewelddadige revolutie, en zelfs ontstonden er verbanden tussen staten. We zouden dat nationaalsocialisme kunnen noemen, ware het niet dat die term besmet is geraakt. Erger zelfs, socialisme koppelen aan nationalisme wordt door menig socialist verafschuwd, waarschijnlijk vooral vanwege wat er gebeurd is onder het Duits nationaalsocialisme. (Deze afschuw lijkt weinig rationeel, want in theorie kan verwezenlijking van socialisme binnen een staat ook geweldloos en democratisch gebeuren.) Waar socialisten er niet in slaagden de hele staat naar de ideologie in te richten, werden pogingen ondernomen een kleinere groep te formeren of binnen een land, stad of dorp de politieke macht minstens tijdelijk naar zich toe te trekken via democratische verkiezingen, om in die tijd zoveel mogelijk van de ideologie te realiseren.

Contract

Het gaat niet om een contract met afspraken waar handtekeningen onder staan. Hier wordt gerefereerd aan het ‘sociaal contract’ dat door de nodige filosofen als concept is geënt. Bij een sociaal contract gaat het in eerste instantie om een impliciet en hypothetisch contract. We geven ermee bepaalde vrijheden op en kennen bepaalde rechten toe aan de gemeenschap, teneinde de voordelen van het samenleven te bevorderen. Niet alleen socialisten kennen zo’n contract, maar ook bijvoorbeeld liberalen. Het concept staat in feite los van de ideologie. Wel is het een kenmerk dat elke samenleving schetst.

Met name de definitie van ‘de groep’ stelt in staat om over vormen van socialisme te spreken zonder dat men meteen beschuldigd wordt van racisme, fascisme, nazisme of discriminatie. Het idee is dat het een groep vrij staat om zich onderling solidair te betuigen en zich niet verplicht te voelen die solidariteit ook te betuigen naar de mensen die niet van zins zijn het contract mede aan te gaan. In de praktijk betekent dit al snel dat de leden van een groep een geavanceerd stelsel van sociale voorzieningen hebben afgesproken en dat anderen geen vanzelfsprekend recht hebben om van de voordelen van dat stelsel mee te profiteren. In feite wordt hiermee gezegd dat contractsocialisten zich niet verplicht voelen op te komen voor de rechten van wie dan ook, wel voor de rechten van de groepsleden. Hiermee is niet gezegd dat ze nooit voor niet-groepsleden zullen opkomen, maar als dat gebeurt zal dat zijn op basis van humanitaire overwegingen én zelfgekozen bereidheid, dus niet vanuit een onherroepelijke, opgelegde plicht. Waarschijnlijk zal een contractsocialist snel geneigd zijn hulp te verstrekken aan leden uit een andere vergelijkbare groep en daarentegen amper hulp willen bieden aan groepen die gekant zijn tegen socialistische ideeën of ideeën die eraan verwant zijn, zoals democratie.

Discriminatie

Dit model legitimeert discriminatie, of eigenlijk, het veroordeelt niet àlle vormen van discriminatie. Daarmee is het in de ogen van een deel van de mensen een onethische ideologie. Ik vermoed dat het vooral die mensen tegenstaat die zelf niet zo sterk zijn in het onderscheiden van vormen van discriminatie. Die mensen hebben behoefte aan een overduidelijke, goed zichtbare grens. Zij veroordelen àlle discriminatie, simpelweg omdat ze het vermogen missen de ernst van een discriminatie af te zetten tegen de argumenten van degenen die discrimineren. Zij lijken niet in staat nuances te onderscheiden. Laten we die mensen daarom zwartwit-zieners noemen.

Niemand noemt het discriminatie als een jonge vrouw en man met elkaar gaan trouwen. Toch hebben zij daarmee elkaar uitgekozen en dus anderen juist afgewezen. Dit is een voorbeeld van een situatie die feitelijk wel discriminatie is, maar toch niet zo genoemd wordt. Zelfs de zwartwit-zieners hebben daarmee geen moeite, wat erop duidt dat er een cultureel aspect meespeelt. Blijkbaar is ons ingeprent dat bepaalde zaken niets met discriminatie te maken hebben en zijn we daarin gaan geloven, ondanks dat het wel degelijk gaat om onderscheid maken.

Er zijn andere situaties die minder ‘vanzelfsprekend’ (ofwel ingeprent) zijn. Een jonge ondernemer heeft personeel nodig en heeft een paar vrienden met wie hij goed overweg kan. Hij besluit ze een baan aan te bieden. Ook deze situatie zal aan de ‘aandacht’ van menig zwartwit-ziener ontsnappen. Maar het kan ook gebeuren dat de ondernemer wordt verweten vriendjes voor te trekken. Iets ernstiger, maar nog steeds niet voor iedereen onoverkomelijk, wordt het als een ondernemer aangeeft dat de functie een representatieve vrouw vereist. Dan naderen we al rap de gevarenzone. Want wat ervan te vinden als de ondernemer bovendien slechts een blanke representatieve vrouw wenst? Als hij het kan beargumenteren met een legitieme reden, zal het nog worden getolereerd. Gaan we verder: De ondernemer wil slechts atheïsten als collega’s. Als het gaat om een baan bij een humanistische instelling is het nog steeds okay, volgens ons wetboek. Maar wat nu als het gaat om een zeer klein bedrijf en de eigenaar vindt de islam een verderfelijke ideologie. Mag hij dan in de wervingsadvertentie zetten dat moslims niet kunnen solliciteren? Ons wetboek verbiedt dat, zelfs als de ondernemer hartgrondig van mening is dat hij alleen op die wijze vette ruzies tijdens het werk kan voorkomen. Teruggaand naar het contractsocialisme, daar zou het een socialistisch bedrijf wellicht toegestaan worden om ‘antisocialisten’ als personeel te weigeren. Is dat de donkere kant van deze vorm van socialisme?

Menigeen zal nu met walging in de stem roepen dat zoiets de terugkeer betekent naar oude tijden waar katholieken bij katholieken kochten en protestanten bij protestanten, ook al woonden ze in dezelfde wijk. Is die walging terecht?

Homogeen

Hoe het ook zij, in de praktijk lijkt de kans op socialisme groter naarmate de groep homogener is. Dan gaat het natuurlijk eerst en vooral over breed gedeelde normen, waarden, gewoonten en tradities. Zeker vroeger zagen we dat die homogeniteit er dan ook in etnische zin was. In de tegenwoordige tijd, door alle migratie, is van etnische homogeniteit niet meer overal sprake. In theorie hoeft een toegenomen etnische heterogeniteit de homogeniteit inzake de normen, waarden, gewoonten en tradities niet te treffen, maar in de praktijk blijkt dat toch wel degelijk het geval te zijn geweest. Onlogisch is dat niet. Immers, etnische migratiestromen leiden òòk tot een heterogener stelsel van normen, waarden, gewoonten en tradities, zeker op de kortere termijn. Daarom durf ik de voorspelling aan dat socialistisch ideeëngoed meer kans maakt naarmate de groep etnisch homogener is. Er is een daarbij horende voorspelling, dan wel verklaring achteraf: In een etnisch heterogene, zeg maar rustig multiculturele, samenleving die in een eerder stadium sterk socialistische trekken had, verliezen de mensen gaandeweg hun geloof in het socialisme. Maar van alle vormen van socialisme zal contractsocialisme dan nog het langst weten stand te houden of zelfs kunnen groeien. Mensen zullen een terugtrekkende beweging maken, dus zich meer op de eigen groep willen focussen en de saamhorigheid daarbinnen willen opbouwen.

Contractsocialisme

Contractsocialisme zal er vast voor zorgen dat het socialistisch ideeëngoed blijft bestaan. Echter, mede gezien alle migratie lopen de weidsere vormen van socialisme gevaar te gaan verdwijnen, namelijk indien we de koppeling tussen enerzijds socialisme en anderzijds nationalisme – of noem het patriottisme of vaderlandsliefde – principieel afwijzen. Het merendeel van de hedendaagse socialistische politici – denk aan de PvdA, maar ook aan Groenlinks en SP – wijst deze koppeling af en ondermijnt zo de toekomst van het eigen socialistisch ideeëngoed! Het leidt logischerwijs tot nòg minder zetels; dat ze even beseffen daaraan zèlf schuld te hebben. Ik begrijp volkomen dat ze het woord nationaalsocialisme niet uit hun mond kunnen krijgen, want mij lukt dat ook niet. Ik stel voor dat we de koppeling tussen socialisme en nationalisme voortaan met de term contractsocialisme gaan benoemen, waar het immers een subvorm van is. Zeker, contractsocialisme kàn een donkere vorm aannemen. Maar daar zijn we zelf bij en daar gaan we gewoon voor waken.

Over socialisten die maar al te graag de wet voorschrijven

137389

Voor boetes hebben we best wel begrip, maar ze staan wel op gespannen voet met het vrijheidsideaal.

Het blog van Jan Stemerdink wordt graag door me gelezen. Jan doet altijd zijn best zijn gevoel te onderbouwen met cijfermateriaal. En als dat cijfermateriaal er niet mee overeenstemt, dan stelt hij zijn gevoel bij. Vandaag ging Jan op zoek naar een antwoord op de volgende vraag: Is het populisme fascistisch? Een klein citaat prikkelde mij:

“Toen werd de dictatuur officieel gevestigd, nu is de dictatuur meer onderhuids.”

Het gaat om zijn waarneming dat in ons land de vrijheid van meningsuiting eigenlijk relatief is, omdat je flink kan worden afgestraft als je buiten de politiek correcte paden treedt. Ik bewandelde in mijn hoofd een iets ander pad en moest denken aan een aantal science fiction films waarin mensen denken in vrijheid te leven en waar dan langzamerhand de waarheid wordt onthuld: de waarheid dat ze alle tijd werden gemanipuleerd. Nou denk ik niet dat zoiets in onze werkelijkheid het geval is. Wel denk ik steeds sterker dat het met onze vrijheid in het algemeen (dus niet alleen met de vrijheid van meningsuiting) best tegenvalt. Èn ik denk dat socialisten in essentie daarvoor eindverantwoordelijk gesteld moeten worden.

Nederlandse socialisten lazen de afgelopen 50 jaar andere landen heel vaak de les en ze dachten zelf te leven in hèt voorbeeld van een vrij land; een land waarin vooral zij en hun voorlopers die vrijheid met bloed, zweet en tranen hadden afgedwongen, zo meenden zij. Maar werd ons land wel zo vrij als zij claimden? Wie goed observeert moet erkennen dat er in ons land buitengewoon veel is voorgeschreven. Vrijheid geldt eigenlijk alleen voor degenen die alle voorschriften helemaal zien zitten. Voor de anderen is het vooral schipperen.

Socialisten streden tégen armoede en uitbuiting en vòòr gelijkheid en vrijheid, Het meeste daarvan is ze aardig gelukt, maar ze zijn wèl de top gebleken in het voorschrijven van gedrags- en andere regels. Dat komt omdat ze ervan overtuigd waren dat met name uitbuiting slechts te bestrijden was door vrijheid te ‘reguleren’ met verplichtingen. Ze wilden gelijke rechten voor iedereen en daar hoorden dus ook verplichtingen bij. Ze deden eigenlijk zelden of nooit slechts een beroep op ons gevoel voor rechtvaardigheid. Dat zal te maken hebben met de vele keren dat de uitbuiters de arbeiders naar hun idee bedrogen hadden. Altijd, zo meenden ze, moest het ‘juiste gedrag’ ook wettelijk geregeld worden. En ze ontdekten dat je mensen efficiënt kan aansturen met boetes en belastingen. Zelfs armoedebestrijding (via financiële nivellering) bleek ermee mogelijk. Het van overheidswege willen voorschrijven van regels voor van alles en nog wat, kan rustig een attitude van socialisten worden genoemd.

Waar socialisten de macht wisten te grijpen, is het flink uit de hand gelopen met deze attitude. Daar kan rustig worden gesproken over de vestiging van een dictatuur. Maar hoe zit het met landen, zoals Nederland, waar socialisten niet de macht wisten te grijpen en verplicht werden om samen te werken met andersdenkenden? Het beste alternatief vonden ze de sociaaldemocratische opstelling (al zullen ze zelf zeggen dat het niet het beste alternatief was, maar de beste opstelling). Hoe het ook zij, democratie werd omhelsd, maar eigenlijk alleen als middel, dus niet als doel (al zal ook dat wel weer tegengesproken worden). In elk geval was ook in onze contreien de attitude zeer sterk, al was deze – letterlijk – minder opvallend dan in dictaturen als de USSR, Cuba en China.

Hier te lande ging het dus niet om dictatoriale neigingen, maar wel om de neiging om te dicteren: Wij, socialisten van dit land, schrijven u, uitbuiters in dit land, voortaan voor hoe u zich hebt te gedragen. En omdat we niet willen worden beschuldigd van klassejustitie, schrijven we hetzelfde ook voor aan alle anderen.

Autoritair was het dus ook. Betweterig ook. Wantrouwend ook. Fatsoen had er ook mee te maken. Conformeren aan de samen vastgelegde regels was dan de enige juiste keus in een socialistisch of sociaal-democratisch land en opstandigheid de enige juiste keus in de overige landen en ten aanzien van alles wat in eigen land nog niet samen was geregeld. De socialist zei eigenlijk twee keer ‘moeten’: Mensen moeten zich houden aan dat wat we samen hebben geregeld en we moeten blijven strijden voor nieuwe regels inzake dat wat we nog niet samen hebben geregeld. Dat tweede moeten was in feite de bijdrage van de progressieven. Die namen geen genoegen met wat al bereikt was. Tot op de dag van vandaag zijn er progressieven en tot op de dag van vandaag zorgen zij voor de ene na de andere nieuwe wetsregel die de vrijheid weer verder inperkt.

Een van overheidswege voorgeschreven regel is al snel een inperking van de vrijheid, vanuit het idee dat iets wèl mag als het niet door de wet wordt verboden. Geen mens zal op een zekere inperking tegen zijn. Maar hoever mag je daarin gaan? Wat is het moment dat het begint te wringen en dat iemand gaat menen in een onvrij land te leven? Dat zijn vragen waarop niet alle mensen dezelfde antwoorden geven. Voor heel veel van de al bestaande regels zijn socialisten hoofdverantwoordelijk geweest en ook anno 2016 zijn er socialisten die er geen moeite mee hebben de overheid nòg meer regels te laten voorschrijven. Met name liberalen hebben de nodige antipathie ontwikkeld tegen socialisten. Volgens socialisten werd die antipathie verklaard door het feit dat onderdrukkers juist onder de liberalen veelvuldig voorkwamen. Maar er zijn onder de liberalen ook velen die niet zozeer uit egoïstische motieven liberaal zijn, maar omdat ze de ideologie zelve een mooie vinden. En juist die mensen denken na over elke inperking van vrijheid en veroordelen zo’n inperking als ze het noodzakelijke ervan niet inzien.

Laat het zo zijn dat socialisten betere sensoren hebben voor uitbuiting, liberalen hebben weer veel betere sensoren voor aantasting van de vrijheid. Wie zowel uitbuiting als aantasting van de vrijheid wil herkennen, zal zich zowel de kern van socialisme als van liberalisme moeten eigen maken.

Wie zichzelf slechts socialist of sociaaldemocraat wil noemen, is helaas een blijvend gevaar voor de vrijheid.

Van PSP naar Groenlinks naar PvdA naar …

In mijn jeugd stemde ik PSP. Later werd dat Groenlinks, simpelweg omdat de PSP daarin opging. Mijn opschuiven in het politieke spectrum begon pas begin jaren negentig toen ik voor het eerst op de PvdA stemde. Wat hield die opschuiving in? Zag ik het destijds verkeerd en zie ik pas tegenwoordig het licht? Zo simpel is het niet, zo denk ik nu. Nu denk ik dat het alles te maken heeft met iemands focus. Bij Groenlinks ligt de focus op de bedreigingen van het milieu, bij mij ligt de focus tegenwoordig op de bedreiging door de Islam. Die focus maakt van iemand een specialist. Dus ja, bij Groenlinks tref je dè milieuspecialisten aan en bovendien slaan die alarm over het milieu. Ik zal niet beweren dat ik destijds zo’n specialist was, maar wel las ik al het nieuws en de boeken erover. Verder kwam ik uit een rood nest waar socialisme de moreel juiste keuze was en liberalisme een synoniem van kapitalisme werd genoemd. In dat milieu werd ook kwaad gesproken over dictatuur en de democratie omarmd. Binnen het socialisme was het dus overduidelijk Lees verder

Hoe moslims redeneren – deel 4 – De politieke Islam

In dit vierde, en laatste, deel van het interview met Shahid Alam gaat het over de politieke Islam. De vragensteller informeert naar de invloed van de diverse scholen en de invloedrijke geleerden in de oudheid, maar ook naar de wisselwerking tussen de Islam en de diverse moderne bevrijdingsideologieën, zoals het Marxisme. Kernvraag is wat voor de groepsidentiteit belangrijker is, de politieke Islam of de religieuze Islam. Daarvan afgeleide vragen zijn: Is de religieuze boodschap eigenlijk een verpakking van kritiek op modern imperialisme? En is dit misschien waarom Islamitische groeperingen zoveel ideologische steun krijgen van linkse denkers in de Westerse wereld?

Alam stelt dat in het hedendaagse Westerse ‘discours’ over de Islam de politieke Islam wordt beschouwd als een 20e eeuws fenomeen waarbij scholen als het Wahabisme en de Egyptische Moslimbroederschap zouden zijn bepaald door ideologische ontwikkelingen (denk aan bijv. marxisme) in die eeuw. Alam beschouwt dit als een kortzichtige visie.

Allereerst valt mij op dat Alam het woord ‘discours’ (Nederlands: vertoog, Engels: discourse) gebruikt. Het is een woord dat hij wellicht gebruikt om aan te geven dat achter de woordkeuze van de spreker altijd een impliciet normen-en-waardenpatroon schuilgaat. Ik denk dat hij dat goed ziet. Ook relativeert hij de invloed van de 20e eeuwse ideologieën; de politieke kant van de Islam gaat volgens Alam terug tot de tweede Islamitische eeuw, toen er – alweer volgens Alam – gepoogd werd een meer egalitaire samenleving op te bouwen. Daarna volgden een paar eeuwen van vooral interne strijd. De Islam als bevrijdingsideologie kreeg weer grond toen er werd gepoogd Westers imperialisme te bestrijden, waarbij het in de Islamitische landen steeds echte religieuze leiders (sheiks, ulama’s) waren die het voornaamste verzet aanvoerden, dus niet door bijv. marxisme beïnvloede leiders. Ik denk dat Alam’s notie van kortzichtigheid de Westerse denkers betreft die dat puur Islamitische ontkennen. Het is natuurlijk zondermeer verleidelijk voor een pleitbezorger van, laten we zeggen, marxisme om te menen dat ook moslimrebellen door het marxisme zijn beïnvloed. Kortzichtig mag je dat zeker noemen, dus ik ga daarin mee met Alam.

Alam stelt vervolgens dat die puur Islamitische bewegingen er niet in slaagden om het ‘westerse imperialisme’ te verslaan:

“These movements failed to stem the tide of Western imperialism. The West conquered Islamic lands, overthrew the Islamic order, marginalized Islamic courts and educational systems, and created a new learned class, schooled in European languages and convinced of the superiority of Western values.”

De latere bevrijdingsbewegingen waren anders; zij werden geleid door die nieuwe, feitelijk verwesterde klasse. Etnisch nationalisme won het van puur Islamitische drijfveren. Er kwamen zowaar nieuwe staten uit voort, veelal verbonden aan of de VS of de Sovjet Unie. Zogezegd waren deze staten nu bevrijd, maar evengoed brachten ze geen gevoel van zelfrespect en welvaart voor de burgers. Daar kwam nog bij dat de “radicale” (sic) Arabische staten werden vernederd of zelfs verslagen door het “koloniale” (sic) Israël. Iran werd na een kortstondige democratie teruggeworpen tot een “repressief’ (sic) koninkrijk.

“Decolonization, nationalism, Westernization, secularism, socialism, monarchical Islam, and vast oil reserves had done little to reverse the fragmentation, decline and humiliation of the Islamic world.”

Alam beziet de hedendaagse politieke Islam als in essentie een revolte tegen de voortdurende vernedering en marginalisering van de (pure) Islam. Het poogt terug te keren naar de ‘puurheid’ en ‘vitaliteit’ (“purity and vigor“) die de Islam van weleer kenmerkte. Het zet zich af tegen het soefisme en de ‘modernistische’ (sic) Islam, omdat binnen beiden wordt geprobeerd de Islam te verenigen met Westerse waarden. Het wil helemaal geen bemoeienis van het Westen met de Islamitische politiek. Het gelooft heftig in Islamitische oplossingen voor alle levensvraagstukken. Het acht de Islam hèt alternatief voor kapitalisme, consumentarisme (sic) en secularisme.

Dus ja, Alam vindt het logisch dat deze politieke Islam in het Westen de aandacht en zelfs sympathie kreeg binnen links, want het is anti-imperialistisch. Anderzijds, zo verraadt Alam, is datzelfde links weer wel bezorgd over een andere dimensie van de politieke Islam. Want zoveel is wel duidelijk: Deze Islam bestrijdt weliswaar het imperialisme en kapitalisme, maar het zal er nimmer socialisme voor in de plaats gaan stellen. Ik schrijf ‘verraadt’, want in het verdere interview wijst Alam verder niet op de ongerijmdheid van die sympathie. Alam volstaat verder met het uitspreken van zijn goedkeuring aan de moslims die de VS – toch zijn werkgever en gastland – en Israël te kijk willen zetten als imperialisten en kolonisatoren. Dat wijzen op die ongerijmdheid doe ik dan maar:

Eerstens, dit herinnert me eraan dat ik nog een boek thuis heb dat ik uit moet lezen. De titel is Nazi’s, communisten en Islamisten, van onderzoeksjournalist Emerson Vermaat. In dat boek uit 2008 schrijft Vermaat over de “opmerkelijke allianties tussen extremisten”, ofwel over de talloze samenwerkingsverbanden die er waren tussen groeperingen die essentiële onderlinge verschillen opzij wisten te zetten als er een gezamenlijke vijand kon worden bestreden. Nu is dat op zich geen gedrag dat alleen hen kenmerkt. Neem het samenwerkiingsverband dat zich momenteel bezighoudt met de bestrijding van de ‘Islamitische Staat’, daar zitten partijen bij die bij nadere analyse onmogelijk elkaars grote vriend genoemd kunnen worden.

Laat ik concluderen dat het met name linkse intellectuelen aanspreekt dat deze Islamisten hun best doen, en effectief lijken, in het ondermijnen van de imperialistische bedoelingen van de VS en ook in die van Israël, de nieuw opgekomen macht, nog wel middenin hèt kerngebied van de Islam. Helemaal los van de vraag of de analyse over imperialisme en nieuw-kolonialisme van links correct is, je vraagt je af hoe dom of blind je moet zijn om blij te zijn met die dode mus. Immers, je zou moeten weten dat er nooit iets van socialisme, of wat daarop lijkt, voor in de plaats gesteld zal worden! Ik heb eerbied voor een aantal kernwaarden van het linkse denken, met name voor het idee van het socialisme zolang dat maar niet de vrijheid van het individu in de weg staat. Sterker, ik voel me al sinds heugenis een pleitbezorger van dat idee en ik blijf daarvoor pleiten. Maar het zal bij mij nooit leiden tot ook maar enige sympathie voor de politieke Islam. Hun vermeende anti-imperialisme gaat niet gepaard met een roep om welke vorm van socialisme dan ook en daarom kan het onmogelijk een linkse ideologie genoemd worden. Ieder links denker die sympathie opbrengt voor Islamitische ‘bevrijdingsbewegingen’ snapt er de ballen van en brengt zijn eigen groepering (zeg maar links) in diskrediet.