Complotdenken, haat, propaganda, nepnieuws en desinformatie

Wat in dit filmpje wordt gesteld lijkt allemaal redelijk. Maar wie bepaalt of er echt sprake is van complotdenken, haat, propaganda, nepnieuws of desinformatie?

De Volkskrant heeft deze zaterdag een interview van Haro Kraak met Nikita Malik, een blijkbaar vermaard terrorismeonderzoeker uit London. Zij zegt zinnige dingen en toch had ik bij het lezen op de nodige momenten mijn bedenkingen. Wat is hier aan de hand?

Het zou natuurlijk kunnen zijn dat het niet meer dan normaal is dat een geïnterviewde én zinnige én onzinnige dingen zegt. Toch zoek ik liever een andere verklaring. Ik denk dat zij dingen zegt die in algemene zin zinnig zijn, maar dat ze in de gegeven voorbeelden geregeld de plank misslaat, naar mijn idee dus.

Malik – pas 31 jaar – ‘monitort de duistere hoeken van het internet, op zoek naar extremistisch materiaal‘, zo schrijft Haro Kraak. En ‘met haar bevindingen stapt ze naar overheden en techbedrijven zoals Facebook en YouTube en adviseert hen in de strijd tegen complotdenken, haat, propaganda, nepnieuws en desinformatie‘, zo schrijft Kraak verder. Uit het verdere artikel blijkt dat die overheden en bedrijven ook daadwerkelijk wat hebben gedaan met alle adviezen. Ik deel de mening dat die strijd gevoerd moet worden en zou dus blij moeten zijn met haar inspanningen en behaalde resultaten. Maar, zoals gezegd, de voorbeelden stemden me niet blij. Integendeel, er bekroop mij het gevoel dat we hier te maken hebben met een interviewer en geïnterviewde die partij zijn en dat zelf niet door hebben.

Wie denkt dat complotdenken, haat, propaganda, nepnieuws en desinformatie objectieve begrippen zijn, heeft het mis. Het is niet zo dat complotten in het geheel niet bestaan. Het is dus ook niet zo dat iedereen die ergens een complot meent te ontwaren dùs kwalijk denkt en dùs zo goed mogelijk genegeerd moet worden. Het is ook zeker niet zo dat degenen die van haten beschuldigd worden zich daarin wel kunnen vinden. Sterker, veelal voelen ze zich dan diep gekrenkt en totaal onbegrepen. Idem wanneer een organisatie of groepering wordt verdacht van het verspreiden van propaganda, nepnieuws of desinformatie. Zeker, het kàn zo zijn dat een organisatie of groepering welbewust nepnieuws verspreidt en desinformatie rondstrooit in het volle besef dàt het nepnieuws en desinformatie is. Maar wat nu als dat niet de opzet is?

Uit het artikel maak ik op dat YouTube de algoritmes de afgelopen jaren zo is gaan afstellen dat filmpjes met complotdenken, haat, propaganda, nepnieuws en desinformatie zo goed mogelijk worden verwijderd of anders in elk geval niet meer simpel gevonden kunnen worden. En bovendien, dat het algoritme in die gevallen niet langer ‘nog meer van datzelfde’ aanraadt; een algoritme dat er eerder voor zorgde dat het mensen met nog meer en nog extremistischer filmpjes in aanraking bracht.

Ik billijk deze aanpassing van het algoritme en ben er zeker blij mee dat het heeft geleid tot een soort van uitbanning van filmpjes van bijv. jihadisten. (Zulke filmpjes zijn nog niet helemaal weg, maar ze worden sneller verwijderd en voor zover ze mogen blijven staan minder makkelijk gevonden.) Toch vraag ik me in alle redelijkheid af of het niet ook heeft geleid (of zal leiden) tot uitbanning en verbanning van filmpjes die bij objectieve beschouwing géén complotdenken, haat, propaganda, nepnieuws of desinformatie zijn.

Wie gaat controleren of de nieuwe instellingen van het algoritme wel zo eerlijk zijn?

Voor wie denkt dat Immanuel Kant’s ethiek ons aller leidraad zou moeten zijn

Het is Hidde Fokkema van De Volkskrant die naar aanleiding van de coronacrisis een filosofe mocht interviewen over ‘de kwetsbaarheid van het bestaan‘. Beate Roessler is professor ethiek aan de UvA. Het interview bevat – voor mij – niet echt eye-openers. Wel is het afsluitende deel interessant genoeg om eens op te reflecteren. Mijn blauw overigens.

Roessler: “Wat ik mooi vind, is dat de meeste politici in Nederland nu kantiaans redeneren, namelijk: we moeten elk afzonderlijk leven respecteren en alles doen om dat te redden. Er zijn nauwelijks politici die het utilistische standpunt innemen en vooropstellen: wat is beter voor het grootste aantal mensen? Die komen dan vooral uit bij het op gang krijgen van de economie. Trump lijkt daartoe te neigen – hij zei dat je je moet afvragen of het middel niet erger is dan de kwaal. In Nederland hoor je dat geluid gelukkig niet. In de grond van ons hart zijn wij kantianen. Die moeten ook naar rechtvaardigheid kijken, omdat de existentiële kwetsbaarheid van de mens zich ook in een sociale context toont. Dat betekent respect voor ieder kwetsbaar individu, niet alleen goede ziekenhuizen en ic-bedden, maar ook meer geld voor de mensen die daar werken. Dat is de kantiaanse benadering, naast dat fundamentele punt: het is ethisch juist dat we nu niet naar buiten mogen, want dat kan een mensenleven redden.’

De ethiek wint het dus van de economie?

Ja. Al zeggen utilisten dat hun benadering, het vooropstellen van de samenleving en niet het individu, ook een ethische is.’

Maar kan die stemming ook omslaan: zouden de kantianen het op enig moment kunnen afleggen tegen de utilisten?

‘Natuurlijk moet de economie geleidelijk weer meer aandacht krijgen dan nu al het geval is. Maar ik denk niet dat er bij ons ooit een democratische meerderheid zal zijn voor een beleid dat zegt: het middel is nu erger geworden dan de kwaal, jammer van eventuele doden, laten we maar naar buiten gaan.’

Ik moest terugdenken aan de film “I am Mother”, een science fiction film van het betere soort. In die film zit een scene van zo’n twee minuten (vanaf 9:50 minuten) die ik beschouw als iconisch. Immanuel Kant wordt er expliciet in genoemd en de latere kritiek op Kant wordt uitstekend tot uitdrukking gebracht. Die kritiek wordt toegeschreven aan de ‘utilitaristen’, een aparte stroming in de filosofie. Maar let op, wie op internet op zoek gaat naar de kernwaarden van dat utilitarisme kan bedrogen uitkomen. Veelal worden die kernwaarden te simplistisch weergegeven. Eigenlijk wordt juist dàt in die twee minuten zo duidelijk en mooi aangetoond.

Als je het interview hierboven moet geloven is Kant een soort van ijkpunt van ons hedendaags ethisch denken. Zeker, hij is een belangrijk filosoof geweest. Wie filosofie studeert of er interesse in heeft, begint bij de Griekse filosofie om dan via anderen én Kant richting de meer hedendaagse filosofen te gaan. Kant’s formuleringen van het ethisch juiste kunnen niet overgeslagen worden, wil je goed kunnen meepraten in het ethiekdebat. Maar zijn ethiek is geen eindpunt gebleken; latere filosofen hadden kritiek op hem, en terecht.

Veelal wordt Nietzche genoemd als de tegenpool van Kant, maar in de film zelf wordt Auguste Comte genoemd. Dat is ook logischer. Nietzche is niet verbonden met het utilitarisme, Comte wel. Deze had namelijk invloed op John Stuart Mill, die veel voor het utilitarisme betekend heeft. Het gaat te ver om hier de ethiek van al deze filosofen uit te leggen; Wikipedia is daarvoor veel geschikter. Wel wil ik hier die twee minuten uit de doeken doen. Het is niet echt een spoiler, want het zit erg aan het begin van de film en zou je vooral moeten prikkelen om de film (op Netflix) zelf te gaan kijken.

In ‘I am Mother’ wordt een jong meisje (Daughter) opgevoed door een robot (Mother) in een compleet afgesloten bunker. De mensheid is namelijk bij een apocalyps uitgeroeid en Mother heeft de taak om een nieuwe generatie mensen te laten ontstaan uit 63.000 embryo’s. Daughter is daarvan de eerste. Bedoeling is dat de ethiek van die nieuwe mens helemaal goed moet gaan worden om zo’n apocalyps voortaan te voorkomen. Dàt is de opdracht die de robot heeft gekregen van haar scheppers. Daughter krijgt ter voorbereiding op een volgend tentamen een keuze voorgelegd. Er zijn vijf mensen die ieder snel behoefte hebben aan een nieuw orgaan; een hart, een long, een nier, noem maar op. Een zesde persoon wordt binnengebracht in het ziekenhuis na een ongeluk. Die persoon leeft nog wel. De vraag aan Daughter, die de rol van dokter krijgt, is of ze bereid is die ene persoon op te offeren zodat de anderen een orgaan kunnen krijgen. Daughter twijfelt aanvankelijk, en na aandringen zegt ze dat ze voor een goede keuze toch echt eerst meer moet weten over die zes mensen. Want het zou zomaar kunnen dat de vijf die een orgaan nodig hebben haar niet aanstaan wat hun ideeën over het leven betreft. En bovendien, stel ze zou zelf die zesde persoon zijn, dan zou ze – als ze in leven zou blijven – later nog veel meer levens kunnen redden. Ze is immers dokter. Mother confronteert haar met wat ze vorige maand op min of meer dezelfde vraag gezegd had. Waarop Daughter zegt: “Toen had ik alleen nog Kant gelezen”. Ofwel, ze heeft deze maand gelezen over Comte en denkt er nu toch anders over. Of Mother tevreden is over haar antwoord? Kijk de film, zou ik zeggen.

En hier nòg meer over het …. je weet wel

Al op diverse plekken in De Volkskrant kwam ik het advies tegen om niet al het nieuws over het … je weet wel … tot je te nemen, bijv. door je te beperken tot slechts twee keer per dag erover lezen. Dit dan om er niet helemaal gek van te worden. Er is echter een probleem: Wie slechts ‘met mate consumeert’ (VK, maandag, pag.14) loopt een heleboel informatie mis. En bij die informatie zit vast ook heel veel relevante informatie. Kortom, zo iemand raakt onvoldoende geïnformeerd en dat kan in dit geval zomaar dodelijk uitpakken, hetzij voor die persoon zelf dan wel voor anderen. Een ander probleem: De Volkskrant zelf staat echt boordevol met al die informatie. Afgelopen zaterdag was alleen al elk artikel van de Zaterdag-bijlage zeker de moeite van het lezen waard. Maar ik was er wel bijna twee dagen zoet mee. Nou heb ik daarmee geen moeite, maar hoe moet dat nou met al die mensen die volgens psychologen van die ‘informatie-overdaad’ helemaal gek worden? Moet de krant voor hen misschien maar een heel dunne krant van een pagina of drie op de markt brengen?


Peter Giesen bereidt ons voor op strategisch stemmen

Kijk, dàt was nou echt extreem-rechts.

De Volkskrant, bijlage Zaterdag, pagina 19, artikel ‘Blijft het midden overeind?’, door Peter Giesen. Lees even mee, al is het een vrij fors citaat (mijn vet):

… Dat past in een historische trend, gesignaleerd door drie Duitse economen die verkiezingsuitslagen tussen 1870 en 2014 hebben geanalyseerd. Als een crisis een recessie inluidt, neemt de steun voor de flanken alsnog toe. Vooral extreemrechts profiteert, aldus de historici.
‘Als het acute gevaar is geweken, begint het zwartepieten. De flanken zijn sterk in het aanwijzen van zondebokken. De banken, migranten, de Europese Unie’, zegt De Vries. Het verhaal van de coronacrisis past goed in het discours van partijen als Forum voor Democratie, het Rassemblement National van Marine Le Pen of de Lega van Matteo Salvini. Het gevaar komt van buiten, in een wereld van open grenzen, miskend door een politieke elite die weigert de grenzen te sluiten om de bevolking te beschermen. Corona kan uitgroeien tot een krachtig symbool tegen globalisering: na migranten brachten open grenzen ons ziekte en dood.
‘Het is natuurlijk mogelijk dat de flanken alsnog profiteren. In Nederland staan PVV en Forum nu op 20 procent. Dat kan groeien tot 25 tot 30 procent. Maar uit al onze cijfers blijkt dat het vertrouwen in Baudet of Wilders als premier heel laag is, behalve bij hun eigen aanhang. Kiezers van andere partijen hebben een enorme antipathie tegen deze politici. Als een van hen kans maakt om premier te worden, zullen veel mensen strategisch stemmen om dat te verhinderen‘, relativeert Peter Kanne.

Zo gaat dat dus. Peter Giesen gebruikt zijn journalistieke macht om ‘de Volkskrantlezers’ alvast voor te bereiden op het moment dat toch maar beter wel een strategische stem kan worden uitgebracht; en dat alles om te verhinderen dat extreem-rechts aan de macht komt. Dat is vanuit mijn optiek een verhulde vorm van polariseren.

Op zich ben ik het eens met iedereen die vindt dat we moeten voorkomen dat extreem-rechts aan de macht komt. Maar de PVV en FvD zijn niet extreem-rechts. Toch blijft de redactie van de Volkskrant dat hardnekkig uitdragen en daarin schuilt hem het polariseren. Zouden kranten als deze ophouden de PVV en FvD te framen als extreem-rechts, dan zou die “enorme antipathie” snel wegebben en daarmee ook die kans op dat “strategisch stemmen”.

Peter Giesen zaait haat, uit naam van de hele Volkskrant-redactie.

Over 100 jaar staat 2020 in de geschiedenisboeken genoteerd als belangrijk moment van omwenteling

Thuiswerken – Nu doen we het nog met een laptopje en misschien een beeldscherm van een centimeter of 40.

Nou ja, deze voorspelling zou weleens ernaast kunnen zitten, want het is maar de vraag of er dan nog geschiedenis-BOEKEN zijn. Maar dat er een belangrijke omwenteling gaande is, staat voor mij nu wel vast. Het wordt nà deze crisis nooit meer zoals ervòòr. De globalisering van de afgelopen 100 jaar loopt op zijn einde. Globalisering betekent dat het wereldwijd gaan van alle handel en wandel toeneemt. Die toename is per direct reeds omgeslagen in een afname. Na deze crisis zullen er vast mensen zijn – ook invloedrijke mensen – die zullen pleiten voor het weer laten toenemen – minstens naar het oude niveau – van de wereldwijde handel en wandel, maar er zullen andere – ook invloedrijke – mensen zijn die ertegenin zullen gaan. Niet dat die mensen àlle wereldwijde handel en wandel zullen willen verbieden. Zij zullen er paal en perk aan willen stellen. Paal en perk. Dan hebben we het over de herintroductie van grenzen; landsgrenzen, maar ook grenzen aan wat zoal wereldwijd mag. Dan hebben we het ook over het paal en perk stellen aan liberalisme. De Vrije Markt zal verder gereguleerd worden tot een ‘vrije markt’ bij naam, maar niet langer bij principe of (politieke of filosofische) ideologie. Al die grenzen zullen pas weer geslecht worden wanneer de tijd is aangebroken dat we nieuwe, zich razendsnel verspreidende, iedereen bedreigende en levensgevaarlijke virussen te snel af zullen zijn, dus nog voordat ze veel slachtoffers hebben kunnen maken.

Let wel, deze afname van de wereldwijde handel en wandel betekent niet dat we stoppen met alle wereldwijde handel. Wat we zullen zien, is dat die handel strenger zal worden gecontroleerd en ook minder zal worden. Wat we ook zullen gaan zien is dat het internationale toerisme sterk zal afnemen. Het zal niet nul worden, maar er zal bij landsgrenzen strenger worden gecontroleerd, wat velen zal ontmoedigen. Beide effecten betekenen dat vliegmaatschappijen hun gloriejaren wat omvang betreft reeds achter de rug hebben en zullen gaan interen. Zij zullen overleven, maar het zal gaan om veel kleinere maatschappijen, of om veel minder maatschappijen. Producten zullen in veel mindere mate uit verre exotische oorden worden ingevlogen of naar verre oorden worden uitgevlogen; de lokale economie wordt dus belangrijker en de export minder omvangrijk.

Dat het coronavirus losbarstte in het jaar 2020 en niet in bijvoorbeeld 2000, was nog een geluk bij een ongeluk. De omwenteling zou tot voor kort mogelijk geen kans hebben gemaakt, omdat het pas sinds zeer recent mogelijk is dat mensen massaal thuis werken. Afgezien van beroepen die perse aan een specifieke plaats gebonden zijn, geldt voor ontzettend veel mensen dat zij tot hun eigen verrassing prima in staat bleken om veel van het werk vanuit huis voort te zetten. Alle managers die tot nu toe nog ervan uitgingen dat je als manager toch maar het beste je ondergeschikten op kantoor kan hebben, zodat je ze goed in de gaten kan houden, met als smoes dat het voor al het overleg zo bij elkaar op het kantoor toch het beste is, worden nu gedwongen tot breken met die ‘visie’. En zij zien tot hun schrik dat al hun medewerkers verdomd goed inspelen op thuiswerken. En vooral, de video-conference programma’s blijken echt volwassen te zijn geworden. Wie zijn aandelen de afgelopen dagen heeft gedumpt, kan wellicht nu snel aandelen van zulke leveranciers kopen, al is het gelukkig niet zo dat er één of twee aanbieders de wereldmarkt kunnen gaan veroveren. Elk bedrijf kan nu al kiezen uit een veelheid aan aanbieders en zal in de toekomst ook rustig kunnen switchen naar nieuwe, nog betere aanbieders. Video-conferencing zal ertoe leiden dat ook zakenlieden nog maar amper noodzaak zullen voelen om vanmorgen in het vliegtuig naar New York te stappen om vanavond weer terug te vliegen. Dat is misschien jammer voor de vliegmaatschappijen, maar natuurlijk wel veel beter voor de wereld, en dan heb ik het niet alleen over het beheersbaar houden van virussen, maar ook – of vooral – over het positieve effect op het milieu en klimaat.

Momenteel gaat nog elk nieuwsbericht over het coronavirus, maar over een tijdje komen er vele pleidooien – van columnisten, wetenschappers en politici – waarin wordt gesteld dat de crisismaatregelen zo’n frappant positief effect hadden op de kwaliteit van het milieu en dat we die effecten vanaf nu moeten gaan consolideren of zelfs versterken. De beurskoersen van traditionele bedrijven zijn momenteel ingestort, maar daarmee is natuurlijk een enorme hoeveelheid geld in kas geraakt en beleggers zullen dat geld toch weer willen omzetten in aandelen. De beurs zal dùs weer opkrabbelen. Ja, er zullen bepaalde bedrijven een flinke veer gaan laten – zoals vliegmaatschappijen – maar er zullen andere zijn die gaan profiteren. Sommige daarvan zijn anno 2020 nog niet eens opgericht of worden dat in de loop van dit jaar. Het komt goed. Of eigenlijk, het wordt allemaal beter.

Een laatste woord: Dit is een crisis die wereldwijd wordt gevoeld en die ons juist daardoor samenbindt. We zien ook in religieus geleide landen dat hun religieuze leiders tòch luisteren naar de adviezen van wetenschappers, in plaats van de neus te steken in hun heilige boeken. Het zou weleens het begin kunnen inluiden van het einde van de strijd tussen religieuzen en seculieren. De goden hebben de ellende niet kunnen voorkomen en daarmee is een slag toegebracht aan alle gelovigen die menen dat hun god almachtig is. Hooguit zijn er nog de gelovigen die zeggen dat hun god deze ellende juist heeft willen toebrengen, als straf of als sturing van de mensheid naar een betere wereld. Hoe het ook zij, er wordt vanaf nu beter geluisterd naar de wetenschappelijk geschoolden en dat is hoopgevend.

Met dank aan het coronavirus, mondiaal gaan we heel veel omwentelen!

Misschien gaan ‘we’ wat de gezondheid betreft er alleen maar op vooruit

Ze is slechts verkouden, maar besmettelijk is het wel.

Er wordt in de media nog steeds geen aandacht aan besteed, toch kan het mensen hoop op de langere termijn geven: De vele maatregelen zullen er niet alleen voor zorgen dat de verspreiding van het coronavirus wordt gereguleerd, het zal er ook voor zorgen dat veel andere besmettelijke virussen en bacteriën een halt wordt toegeroepen. Dat laatste zal de totale gezondheid van de bevolking ten gunste komen en daarmee een positief effect op de levensverwachting hebben.

Verder, het zal zeker zo zijn dat er dit jaar honderden of zelfs duizenden zullen doodgaan aan het coronavirus, maar daarmee zijn diezelfde mensen gevrijwaard van een stervensproces door een andere doodsoorzaak. De frequentie van die andere doodsoorzaken zal dus afnemen. Interessant zal zijn om daarvan het effect op de levensverwachting, kwaliteit van leven en kosten voor de maatschappij in kaart te brengen. Ook wetenswaardig: Hoe zwaar is het stervensproces door dit virus in vergelijking met wat de al zwakke patiënten anders was overkomen.

Dus, misschien gaan ‘we’ wat de gezondheid betreft er alleen maar op vooruit. Maar ja, wie is ‘we’. In deze analyse is dat ‘de bevolking’ en niet het individu dat de pech heeft door het virus getroffen te worden en daardoor vele kwaliteitsjaren misloopt.

Of gaan ‘we’ er door deze aanpak van de crisis toch vooral op achteruit?

Vooral in de loop van de afgelopen twintigste eeuw hebben we een ethische ‘filosofie’ geïnternaliseerd die erop neerkomt dat ‘ieder mens het hoogste recht op een mooi leven heeft’. We zijn allen ieder mensenleven gaan beschouwen als het hoogste goed en alle maatschappelijke instituties horen erop gericht te zijn ieders kwaliteit van leven zo goed mogelijk te dienen. Terwijl die instituties er in eerdere eeuwen vooral waren om de status quo van ‘het rijk’ in stand te houden. We accepteren niet meer wat alle eeuwen en millennia voor de bevolking een voldongen feit was: Dat rampspoed nu eenmaal plaatsvond en dat de dood daardoor op een onverwacht moment zomaar kon toeslaan; dat de mensen daarom niet gefocust waren op luxe bezit en afvinken van bucket lists; dat het zaak was om zo snel mogelijk te zorgen voor veel en succesvol nageslacht; dat men vreemdelingen buitensloot, die immers besmettelijke ziekten meebrachten; dat men troost vond in de bewering dat de dood niet het echte einde is; dat het beroep van soldaat minder tegenstond, waardoor bijvoorbeeld grenzen goed verdedigd werden.

De impact van het coronavirus is vooral zo heftig omdat we zijn gaan denken dat we de natuur in al zijn facetten kunnen beheersen. Er zijn genoeg succesvolle voorbeelden van, maar we zijn toch teveel erin gaan geloven. De huidige aanpak zou ook kunnen leiden tot een zwakkere mensheid dan wanneer we het virus vrijelijk zijn gang zouden laten gaan. Maar ja, wie geeft er tegenwoordig nog om ‘de bevolking’ boven de ene mens.

Stel jezelf de vraag: Ben ik bereid te sterven voor een sterkere bevolking? Wat je ook vindt, het is een vraag waarover mensen in vroegere eeuwen minder diep hoefden na te denken.

Zullen alle maatregelen in voldoende mate helpen?

De paar besluitnemers van het RIVM (ik denk hooguit drie personen) hebben weliswaar ingestemd met het dringende advies van de federatie die zo’n 22.000 medisch specialisten vertegenwoordigt om de scholen toch maar per direct te sluiten, maar de motivering van het RIVM was niet echt in overeenstemming met wat die federatie had gesteld. Die federatie baseert zich op onderzoeken die stellen dat niet-zieke kinderen evengoed wèl het virus kunnen overdragen, mochten ze dat toch bij zich dragen. Het RIVM gelooft daarin nog steeds niet; hun motivering was er eentje van meer praktische aard: Vele burgers zijn toch wel bevreesd voor besmetting via de school en er zouden nu opeens ook al vrij veel leerkrachten thuis moeten blijven vanwege verschijnselen, of die nou wel of niet door dit virus zijn veroorzaakt.

De mensen van het RIVM doen hun best om “met 50 procent van de kennis, 100 procent van de besluiten te nemen”. Ze geven dus, bij monde van Rutte, zelf toe dat hun besluiten ten dele gebaseerd zijn op aannamen. Snappen we allemaal heel goed. Toch ware het beter als het RIVM expliciet zou zeggen dat het hele idee, dat ook niet-zieke, maar wel besmette, kinderen toch het virus kunnen overdragen, een theorie is die deze weken uitgebreid getest moet gaan worden en dat het zolang inderdaad beter is om ervan uit te gaan dat dit idee klopt.

Idem moet er serieus vanuit gegaan worden dat dit alles ook zal gelden voor niet-zieke, maar wel besmette, jongeren van, laten we zeggen, 16-35 jaar. Dat zijn bij uitstek de jaren dat er veel sociaal contact is. Vooral deze generatie zoekt van nature elkaar graag op in café’s, bij popconcerten, voetbalwedstrijden en andere evenementen. En ze hebben daarbij veel lichamelijk contact. Daarom is de maatregel terecht, om café’s en restaurants te sluiten en evenementen af te gelasten. Nu nog even ervoor zorgen dat juist deze – nogmaals: zich niet ziek voelende – jongeren snappen wat hun rol de komende tijd moet zijn: afstand houden.

Opvallend was dat degenen die zich vandaag – bij het voorlopig sluiten, om 6 uur – in de rij bij de coffeeshop voegden, de geadviseerde onderlinge afstand niet in acht namen. Ze stonden over het algemeen hutje mutje. Ook opvallend was dat kinderen op straat nog gewoon potjes voetbalden. Het is ook maar de vraag of zelfs dat moet worden afgeraden. Zolang die kinderen elkaar goed kennen en het gaat om zeer kleine groepjes, lijkt het okay. Er moet toch ergens een grens worden getrokken; we hoeven hopelijk niet allemaal wekenlang op onze eigen kamer te blijven.

We mogen hopen dat ook kappers, brillenwinkels en andere zaken waar sprake is van onvermijdelijk lichamelijk contact voorlopig de deuren sluiten.

Een in de media nog niet besproken thema is het winkelpersoneel en de caissières bij de supermarkt. De klant pakt producten en zet die vervolgens op de toonbank of lopende band. De winkelmedewerker pakt het stuk voor stuk op om te scannen en zet het even verderop weer neer. De klant doet het vervolgens in de boodschappentas. Zo kan het gebeuren dat uitgerekend de medewerker zelf besmet wordt en ook nog eens een tussenschakel wordt tussen een besmette klant en een nog niet besmette. Plastic handschoentjes zullen niet helpen, tenzij die na elke klant worden omgewisseld.

Over belangenorganisaties die de noodklok luiden

Belangenbehartiging. Iedere politieke partij kan je bezien als een belangenpartij, een partij die opkomt voor de belangen van een deel van de bevolking. Zo bezien is al hun nadruk op normen en waarden waar zij voor zeggen te staan een soort van wassen neus. Zulke nadruk dient, zo vindt de skepticus, geen ander doel dan hun eigen belangen een zo groot mogelijke kans geven. Of, nou ja, zo zegt een andere skepticus, het doel kan ook zijn dat de partij het eigen standpunt naar zichzelf toe goed wil praten, zodat er door de leden rustig geslapen wordt en ze niet het idee hebben egoïstisch bezig te zijn.

Maar je hebt ook belangenorganisaties. Dat zijn geen politieke partijen. Wel lobbyen een aantal zich een ongeluk bij politieke partijen. Verder geldt het bovenstaande ook voor deze organisaties. Of ben ik dan als zo’n skepticus?

De echte belangenorganisatie komt op voor de belangen van de leden. Denk aan vakbonden. Maar er zijn ook organisaties die niet bepaald de organisatieleden zelf ten goede komen. Dan is er sprake van een zeker altruïsme; ‘het goede doel’ wordt gediend. Zij verdedigen bijvoorbeeld de belangen van dieren, waarbij dan maar wordt aangenomen dat die dieren er echt blij mee zijn. Voor het gemak noemen we ook zulke organisaties belangenorganisaties.

Zulke organisaties doen er alles aan om ‘het publiek’ duidelijk te maken dat een en ander niet egoïstisch bedoeld is, maar dat het allemaal juist gaat om het geluk van ‘het volk’ of het recht van ‘de natuur’. Dat is nobel. Maar dat is alleen nobel, zegt de skepticus, als de claim helemaal klopt. Wat we in de praktijk eigenlijk altijd zien is dat er dan andere partijen of organisaties – of individuen, bijvoorbeeld op Twitter! – zijn die protesteren, omdat ze vinden dat de claim dat ‘het hele volk’ bij het ‘advies’ is gediend onwaar is, of omdat ze twijfelen aan het goede van ‘het goede doel’. Een enkele keer – en tegenwoordig is het veel vaker, want Twitter – kunnen zulke critici het niet laten om echt boos of echt cynisch te reageren. Zulke dwarsliggers kùnnen er natuurlijk ver naast zitten. Het kàn zo zijn dat ze dwarsliggen uit egoïsme, of dat het gewoon eeuwige negatievelingen zijn. Maar dat hoeft niet zo te zijn. Het kan net zo goed gaan om mensen die zien dat er aan een ingediend ‘advies’ fikse nadelen zitten; nadelen waarover blijkbaar niet is nagedacht door de indieners.

Hoe kom je erachter welk vlees je in de kuip hebt met die ‘critici’? Of nog beter, hoe zorg je ervoor dat je ‘advies’ geen al te boze of al te cynische of sarcastische reacties opwekt, en zeker niet in grote hoeveelheden?

Mij lijkt het dat je als belangenorganisatie het beste nog tijdens het opstellen van je adviesrapport een groep formeert die de opdracht heeft om kritiek te spuien. En zo’n groep kan je het beste opbouwen uit critici uit die zuilen waarvan je weet dat ze erop uit zullen zijn je advies onderuit te halen.

Ja, het zou zomaar kunnen dat de argumentatie van die groep zo heftig ingaat tegen het gewenste doel (het advies dat de organisatie wil geven), en dat de argumentatie van de kritische groep zo goed in elkaar steekt dat (een deel van) de opstellers hevig beginnen te twijfelen. Het lijkt mij dat er dan een herzien advies moet worden gezocht.

Argumenten van de kritische groep kunnen diverse vormen aannemen. Eén vorm betreft inhoudelijke vakkennis; er worden onderzoeksresultaten aangehaald die een heel ander beeld van de werkelijkheid suggereren. Een andere vorm focust op de kans dat een advies weerzin zal gaan opwekken bij een deel van ‘het volk’, ook al klopt het advies. Met beide aspecten moet de organisatie iets doen. Zo niet, dan is er feitelijk sprake van een bubbelorganisatie; een organisatie die denkt dat elk weldenkend mens, zo niet het hele volk, er net zo over denkt als alle medewerkers van de organisatie. Medewerkers die natuurlijk bij hun sollicitatie zijn getoetst op hun standpunten. Standpunten die afwijken van de missie van de organisatie leiden ertoe dat je niet wordt aangenomen. Zo werkt dat nou eenmaal.

Ik schrijf hier niet dat een belangenorganisatie het zo gewenste advies aan de maatschappij moet afzwakken naar een niveau dat het op niemand nog ook maar enige indruk maakt. Ik schrijf hier wel dat men zich moet realiseren dat er tegenkrachten kunnen zijn en dat die ervoor kunnen zorgen dat het zo goed bedoelde advies bij een niet onbelangrijk deel van ‘het volk’ eerder wrevel dan instemming oproept.

De belangenorganisatie kàn er natuurlijk voor kiezen bijna de helft van het volk volkomen te negeren, als het weet dat de politieke partijen met een krappe meerderheid naar hun hand gezet kunnen worden. Dat zou dan, gezien ons democratisch stelsel, zijn onder het motto dat ‘het doel die middelen heiligt’. Niet zelden zien we zulk, in een echte democratie onethisch, gedrag bij organisaties. Vrijwel altijd is hun verweer dat er nou eenmaal sprake is van een nood, zo van ‘nood breekt wet’. Als we nu niet drastische klimaat- en milieumaatregelen nemen, is het zo meteen echt te laat, zo gaat de redenering inzake het klimaat en milieu. Er wordt dan alarm geslagen en een apocalyptisch beeld van de nabije toekomst wordt geschetst.

Dat van de apocalyps zit trouwens diep in ons dna, zo lijkt het. In elk geval is de bijbel ervan vergeven. Zonder apocalyptische gevoelens zou er waarschijnlijk geen christelijke en joodse religie zijn, of enige andere religie. De apocalyps is door gelovigen alle eeuwen voorspeld, met als doel om het volk te laten handelen naar bepaalde regels; regels die de orde moesten handhaven, de macht bij de machthebbers moesten houden, maar ook de mensen moesten aansporen zich aan bepaalde hygiënische regels te houden. In de tegenwoordige tijd ligt het niet anders, ondanks dat we zijn aanbeland in een hoogwetenschappelijk tijdperk. Vroeger was het een profeet, nu wordt statistiek gebruikt om ons allen een apocalyps te voorspellen, of in elk geval een dystopie. Tenzij. Ja, tenzij we allen maar braaf gaan doen wat de alarmisten ons vertellen.

Het vervelende is dat de alarmisten gelijk zouden kùnnen hebben. We weten wel dat alle in het verleden verkondigde apocalypsen niet zijn uitgekomen, maar je weet niet hoe dat met de nieuwe voorspellingen uitpakt. En laten we wel zijn, er zijn in het verleden natuurlijk wel heel veel rampen over de mensen gekomen. Het huidige coronavirus is de laatste in een schier oneindige rij virussen die telkenmale weer de mensheid decimeerde. Ons lijkt zo’n lot een onverkwikkelijke ramp, voor onze voorouders was het telkens weer een feit waarmee het maar om te gaan had. Wat ze uiteindelijk ook telkens weer deden. Wij kunnen ons dat niet meer voorstellen, zelfs letterlijk. De bubbel van ons denken kan daar met de pet niet bij. Stel dat in ons land iedereen het virus oploopt en 5 procent overlijdt, dan is dat tegen de miljoen aan. Menigeen zou dat ervaren als een apocalyps. De natuur heeft daarover echter geen mening en de mensheid zou gewoon doorgaan met bestaan. Maar de klimaatalarmisten lijken ons te willen waarschuwen dat hun apocalyps een nog véél grotere omvang zal hebben. Mij lijkt dàt nou weer overdreven. Zelfs al zou de hele randstad overstromen (wat niet gaat gebeuren), dan nog is de mensheid, als mensheid, niet verloren. Voor individuen, families en zelfs hele gemeenschappen kan het dan afgelopen zijn, maar de geschiedenisboeken staan boordevol met zulke rampspoed. Rampspoed die nog nooit de hele mensheid uitroeide.

Ik begrijp dat fatalisme – fatalisme zo van: het zij dan maar zo dat heel Delft opeens onder water verdwijnt – niet tot een van onze kernwaarden moet gaan behoren. Dat gaat ook hevig in tegen wat de Nederlanders alle afgelopen eeuwen heeft gekenmerkt. Ik begrijp prima dat er gewaarschuwd moet worden, en dat we die waarschuwingen moeten omzetten in zeker beleid. Maar de kritiek van opponenten moet vooral niet genegeerd worden. Het advies van een belangenorganisatie hoeft waarschijnlijk niet tot in elk detail te worden gevolgd.

Dat alles gezegd hebbende, ik ben er zelf eentje uit de zuil die alarm sloeg (en slaat) over de Islam, over migratiestromen en over integratieproblemen. Ik bepleit heftig het grote belang van onze eigen normen en waarden, onze cultuur, tradities en vorm van democratie. Al het bovenstaande zou je ook op mij en mijn zuil kunnen toepassen. Toch is er een verschil. Nogal wat van alle hierboven bedoelde belangenorganisaties zitten in een netwerk waar zij beleidsmakers hevig kunnen beïnvloeden. Voor mij en mijn zuil geldt dat nog steeds niet. Ons alarm van de afgelopen, laten we zeggen, 20 jaar is aan de lopende band belachelijk gemaakt (met referenties aan nazisme, fascisme, racisme, noem maar op) door mainstream media, politieke partijen én de nodige belangenorganisaties. De critici van mijn zuil profileren zichzelf als links. Het heeft ertoe geleid dat in mijn zuil zwaar negatief wordt gedacht òver die media, politieke partijen en belangenorganisaties. En aan ‘links’ dus, terwijl veel van de mensen uit mijn zuil zelf een linkse geschiedenis hebben. En dàt leidde er weer toe dat ze nu bijzonder nukkig staan tegenover allerhande ‘adviezen’ die belangenorganisaties via rapporten ophoesten. Wil ‘links’ meer kans maken dat mensen uit mijn zuil hun alarm goedwillend lezen, dan zou ‘links’ er meer dan verstandig aan doen eens op te houden het alarm dat mijn zuil slaat belachelijk te maken.

Je zag mij diverse keren links tussen quotes zetten. Ik ben ervan overtuigd dat de ware linkse mens wel degelijk grote moeite heeft met Islam, migratie en integratieproblemen. Om onderscheid te kunnen maken, wordt daarom in mijn zuil ook wel gesproken over ‘de regressief linkse mens’. Het is een type mens dat zich links noemt, maar het niet echt is. De regressief linkse mens past bepaalde principes ronduit dogmatisch toe, zoals het idee dat àlle mensen gelijk moeten worden behandeld, dus ongeacht hun normenstelsel. Het leidt er bij hen toe dat ze zelfs partij kiezen voor mensen uit culturen die tegengesteld denken over vrouwen en homo’s, om maar eens twee voorbeelden te noemen. En ik hoef hopelijk niet uit te leggen waar ik precies op doel. Mijn alarm zou echt minstens even serieus moeten worden genomen als bijvoorbeeld het alarm dat deze week afging bij het WNF.

 

Vijftig jaar Palestina Komitee, vijftig jaar terrorisme ontkennen of goedpraten, en soms zelfs eraan meedoen

Merk op dat de Palestijn een geweer in de hand heeft. Dit was alle jaren het logo van het Palestina Komitee.
Klik op het plaatje voor het e-boek. Onderaan deze recensie is een link naar het papieren boek.

Meer dan lezenswaardig – laat ik met die aanbeveling maar beginnen – is het boek dat Kees Broer schreef over het in 1969 opgerichte Palestina Komitee. Menig jongere kent deze organisatie niet, maar elke boomer weet er wèl van. Hooguit zullen er boomers zijn die zich nu op het kalende hoofd krabben dat het Komitee nog steeds bestaat.

De organisatie werd ‘groot’ in het studentenmilieu van de jaren zestig. Het was één van diverse initiatieven door studenten die vonden dat het nu maar eens afgelopen moest zijn met al dat imperialisme van de koloniale grootmachten. Er ontstonden ‘landencomité’s’ die ieder een specifiek land als doel uitkozen. Denk aan Vietnam, Nicaragua en Zuid-Afrika. In de kern van de zaak ging het hen vooral om het ondersteunen van een marxistisch gedreven ‘vrijheidsstrijd’. Wanneer geconfronteerd met vragen over door ‘vrijheidsstrijders’ toegepast geweld, werd er standaard zo ongeveer gezegd dat het gerechtvaardigd is om als volk met geweld in opstand te komen tegen de onderdrukker. In het geval van het Palestina Komitee ging het om een groep die ervan uitging dat de Palestijnen een strijd voerden tegen de koloniale macht Israël. Dat uitgangspunt is altijd problematisch gebleken, al drong dat tot op de dag van vandaag niet door tot de harde kern van het comité.

De Palestijnse strijd is doordrenkt met geweld waar je ook als rechtgeaard socialist onmogelijk achter kunt staan: niet alleen het leveren van militaire strijd, maar vooral het plegen van aanslagen op zomaar wat burgers, zowel in Israël als in andere delen van de wereld; vliegtuigkapingen; bommen bij synagogen, in bussen, op pleinen; lukrake raketbeschietingen; noem maar op. Kees Broer heeft uitgezocht hoe de leden van het Palestina Komitee op die gebeurtenissen reageerden. Daarvoor heeft hij zich verdiept in vele dozen archiefmateriaal, opgeslagen in een wetenschappelijk instituut in Amsterdam. Een archief trouwens waartoe hem door het comité de toegang werd ontzegd, toen ze doorkregen dat hij bezig was met zijn boek over de beweging. Toen had hij echter reeds het merendeel gefotografeerd. Daarnaast heeft hij zelf sinds 2011 zo’n beetje alle openbare bijeenkomsten bijgewoond en zijn ogen en oren daar de kost gegeven. Het is een interessante bloemlezing geworden van wie wanneer welke uitspraak deed. Die reacties lopen uiteen, van gewoonweg ontkennen door eromheen te praten, via het spelen van de ‘ja, maar’ kaart, tot zelfs het goedpraten ervan. Namen en rugnummers worden gekoppeld aan jaren, waarbij de context veel aandacht krijgt. Kees Broer was niet zozeer op ‘naming and shaming’ uit. Hij probeert vooral te laten zien dat het voor de leden niet meeviel om hun eigen goede bedoelingen (‘weg met alle onderdrukking’, zal ik maar zeggen) aan het Nederlandse volk duidelijk te maken.

Het pro-Israël deel van de bevolking was tot 1969 fors en hun weerzin tegen het comité was vanzelfsprekend groot. Maar Nederland was ook toen al een vrij land dat het individuen toestond tegendraads te zijn en een beweging te beginnen. De pro-Israël lobby van destijds zag blijkbaar geen groot gevaar uitgaan van een pro-Palestijnen beweging (al haalde het NIW bij monde van Meijer Sluijser wel flink uit; dat artikel is integraal opgenomen in het boek). De feiten en argumenten zouden vast wel standhouden, dacht men blijkbaar, helemaal omdat alle aanslagen onmogelijk door het comité goed te praten vielen. Toch lijkt het comité erin geslaagd bij een deel van links het geloof in Israël’s goede bedoelingen te ondermijnen. Sinds de jaren zeventig was er een kentering; progressieve media besteedden, ook toen al, wel degelijk aandacht aan het comité. De nodige Nederlanders stapten vervolgens over op de lijn van ‘waar twee vechten hebben twee schuld’. Dat leek hen wel zo genuanceerd, waarbij het toen supermoderne idee dat imperialisme nu maar eens afgelopen moest zijn hen sterk hielp.

In de loop van de erop volgende decennia is het comité nooit boven de 100 min of meer actieve leden uitgekomen. Wellicht was het voor menige linkse anti-imperialistische activist toch een brug te ver om het geweld van de Palestijnen (meer specifiek, de PLO van Yasser Arafat) telkens te moeten rechtpraten. Dan leken ze bij het Zuid-Afrika comité beter op hun plaats (al is het geweld van het ANC ook niet misselijk geweest).

Kees Broer maakte zijn analyse van al dat rechtpraten op grond van een categorisering zoals die ook al wat blijkt uit de subtitel van het boek: ontkennen, goedpraten, meedoen. Preciezer: geweld afwijzen, geweld ontkennen, ‘maar’-zeggen, geweld ondersteunen en aan geweld meedoen. Van elke categorie geeft hij voorbeelden, met naam, toenaam, plaats, tijdstip en context. Het zijn leerzame anekdotes die de lezer ervan bewust maken dat uitspraken van activisten lang niet altijd slechts op ware feiten en doorwrochte interpretaties van gebeurtenissen zijn gestoeld. Een voorbeeld van het ‘maar’-zeggen, uit het boek overgenomen:

Verklaring van het Palestina Komitee over de actie van 15 mei 1974 tegen burgerdoelen in Ma’alot Noord-Israël:
“Opnieuw zijn bij de strijd tussen Israëli’s en de Palestijnen vele burgerslachtoffers gevallen, aan de Israëlische kant op dramatische wijze, aan de Palestijnse kant op de ‘gewone’, ‘geaksepteerde’ wijze middels beschaafde bombardementen. Temidden van de golf van emoties wil het Nederlands Palestina Komitee een aantal punten onder de aandacht brengen: De verantwoording voor de tragische afloop van de gijzeling in Ma’alot ligt bij de Israëlische regering, die (…) zoals altijd gekozen heeft voor de ijzeren handhaving van een onbuigzame politiek.”

De doden worden hier tegen elkaar afgewogen, aldus Kees Broer, en Israël krijgt de uiteindelijke schuld in de schoenen geschoven vanwege vermeende onbuigzaamheid.

Dergelijke leerzame analyses zijn in het hele boek te vinden. Stof tot nadenken die bovendien de geest scherpt. Ook heden ten dage staan verklaringen bol van dit soort drogredeneringen (mijn woord ervoor).

Verder wijdt het boek flink uit over de gevallen dat leden het niet konden laten zelf op een of andere manier actief mee te doen aan de gewapende strijd. Het was beslist geen bestuurslijn, maar het is wel opvallend dat verschillende van de door de mand gevallen leden ook jaren later, zelfs tot op de dag van vandaag, nog actief binnen de club waren, tot op bestuursniveau toe. Ook de bomaanslag in 1991 bij staatssecretaris Aad Kosto kan worden gezien als direct gevolg van perikelen rond een prominent lid van het comité. Die aanslag werd gepleegd door RaRa. Nog geen dag later werd alsnog een verblijfsvergunning verleend aan Ibrahim Al-Baz, iemand met een verleden als terrorist die desondanks werd omarmd door het Palestina Komitee. In 2014 werd hij zelfs benoemd in het bestuur.

Ruimte voor verbetering

Toch mist er ook wel het een en ander in het boek. De tekst bevat teveel taalfouten, van diverse aard. Het is wellicht het gevolg van een productie in eigen beheer; een uitgeverij zou er een redacteur op hebben gezet en die zou alle taalfouten hebben rechtgezet. Ook had deze ingegrepen in de opbouw. Er is de neiging om 50 jaar op chronologische wijze te behandelen, maar die neiging heeft Kees Broer onderdrukt. Daarvoor had hij een goede reden. Hij wilde onderwerpen behandelen en laten zien hoe een gebeurtenis in bijvoorbeeld 1975 gerelateerd was aan een andere in, weer bijvoorbeeld, 2004. Dat is lovenswaardig, maar de teksten hebben mij geregeld op een fout spoor gezet. Dan slaagde ik er niet meteen in om die tijdlijn te onthouden. Dan leek het bijvoorbeeld alsof een citaat uit 2004 stamde, terwijl het bij een ander jaar hoorde. Een op deze punten geheel herziene tweede druk lijkt op zijn plaats. Ik zal het zeker kopen.

Iets anders dat me opvalt is dat er relatief weinig wordt geschreven over de geschiedenis van het conflict. Zeker, er is een hoofdstuk waarin wordt geschreven over de gezichtspunten die beide kampen daarover hanteren, maar een objectieve tijdlijn van gebeurtenissen was toch wel op zijn plaats geweest. Nu is het zo dat Kees Broer schrijft daarvoor welbewust niet te hebben gekozen. Er zijn volgens hem meer dan genoeg andere geschriften juist over die geschiedenis. Toch heeft het er meer van weg dat hij een heikel punt wilde vermijden. Een opsomming van de historische gebeurtenissen is al snel een vorm van kleur-bekennen: Welke gebeurtenissen noem je, waar begin je, hoe benoem je ze – het zijn omschrijvingen waaruit een beetje kenner al snel haalt hoe je zelf in het conflict staat. Kees Broer heeft wellicht willen voorkomen dat hij te gemakkelijk op dat punt te lezen is, al geeft hij zelf aan door Palestina Komitee leden met de nek te worden aangekeken. Mogelijk heeft hij zich welbewust van een ‘welwillende kant’ willen tonen, zodat ook deze doelgroep zijn boek wil lezen. Dat is begrijpelijk. Echter, het risico is dat het boek daardoor voor de ‘andere doelgroep’ dan minder aansprekend wordt. Zo zijn er enkele plekken in het boek waar Kees Broer spreekt over bezetting zonder dat woord tussen quotes te zetten. Dit lijkt muggezifterij van me, maar ik weet hoe de gevoeligheden her en der liggen. Desalniettemin, voor beide ‘groepen’ geldt waarmee ik deze recensie begon: Meer dan lezenswaardig!

Klik hier voor het E-boek

Klik hier voor Het papieren boek

Een nieuwe omroepzuil voor àlle ongehoorden? Nee toch?!

 

De poging om een nieuwe omroep – Ongehoord Nederland (ON!) – op te richten gaat slagen. Althans, de doelstelling van 50.000 leden gaat nog deze week gerealiseerd worden. Wel moet erop gelet worden dat er niet wordt gekozen voor de fundamentele, radicale vorm van vrijheid van meningsuiting, omdat daarmee de weg voor écht extremistische meningen wordt geplaveid. Daarover later meer, maar eerst een uitleg waarom zo’n omroep alle reden van bestaan heeft.

(Deze tekst is een aangepaste versie van een eerder gepubliceerd artikel. Zie onderaan.)

Eerste dagen ongehoord veel aanmeldingen

Boegbeeld Arnold Karskens kreeg de eerste dagen na de aankondiging (24 november) veel aandacht van de mainstream media, ofwel, het leek dat hij werd gehoord. Zelfs klonken de interviewers welwillend van toon. Dat was op zich wel frappant; achteraf klinkt het plausibel dat het een eerste actie van de mainstream media was om dè kritiek die de initiatiefnemers drijft – niet gehoord worden door de mainstream media – in de kiem te smoren.

Maar goed, Karskens gebruikte die kans uiteraard wel; er moesten nu eenmaal 50.000 leden worden geworven en voor advertenties was geen geld. Toch was die aandacht niet hoofdverantwoordelijk voor de aanvankelijke, massale aanmelding, zo bleek later. Het was vooral het resultaat van de ongekende populariteit van Arnold Karskens en – ander boegbeeld – Joost Niemoller op Twitter. Er blijken minstens 25.000 twitteraars zich te centreren rond dezelfde thema’s waar Karskens en Niemoller zich op hebben gefocust. In de woorden van Sid Lukkassen zou je kunnen spreken over een ‘zuil’; over mensen die tot eenzelfde zuil behoren zonder dat zelf tot nu toe zo te benoemen.

Cynische commentaren in de mainstream media

Er zijn potentieel heel wat meer mensen die een nieuwe omroep wel zien zitten. Tot die groep kunnen rustig ook alle PVV- en FvD-stemmers gerekend worden, momenteel goed voor bijna 25 procent van de Tweede-Kamer-zetels. Toch zal ON! die potentiële leden niet zomaar, met groot gemak, binnen gaan slepen. De mainstream media zijn er de afgelopen weken tòch in geslaagd twijfels over de initiatiefnemers te zaaien. Iedere krant liet minstens één columnist erop leeglopen; hun commentaren getuigden van cynisme en soms zelfs van pure haat.

Mainstream media regelen het geluid dat mag worden gehoord

De kranten zijn zeer selectief in het kiezen van degenen die hun mening mogen publiceren. Hun journalisten worden geselecteerd op het willen verkondigen van de meningen die de directie en hoofdredactie welgevallig zijn. Een enkel tegendraads geluid wordt ingebakken, om een verwijt van duidelijke partijdigheid te kunnen tegenspreken. ‘Ongehoorden’ zijn zulke tegendraadsen, dus worden slechts incidenteel toegelaten. Ook redacties van praatprogramma’s, op tv en radio, kan partijdigheid worden verweten. Voor discussies worden vertegenwoordigers van deze zuil vooral niet uitgenodigd of ze worden gepositioneerd tegenover een welbewust samengestelde overmacht. Uit de sociale psychologie is bekend dat een individu aan zo’n tafel min of meer kansloos is als de rest heeft besloten samen te zweren. En vaak is een expliciet samenzweren niet eens nodig. De ‘onderlinge verbondenheid’ wordt dan op een onbewust niveau gevoeld. Alleen tafelgenoten die heel erg hechten aan het horen van de mening van de schijnbare minderheid aan tafel, zullen uitnodigend handelen. Dat soort lui zitten, frappant genoeg, nooit aan tafel bij bijvoorbeeld Pauw. Zulke ‘bemiddelaars’ hebben naar het geheime plan van de redactie, ten eerste onvoldoende eigen standpunten en zijn ten tweede een gevaar voor de gewenste uitkomst. Nee, die rol is per definitie weggelegd voor de presentator zelf. Die wekt dan de mooie indruk te bemiddelen, maar werkt uiteraard perfect en onopgemerkt naar de gewenste uitkomst toe. Een en ander wil niet zeggen dat het ‘kansloze individu aan tafel’ helemaal niemand van de luisteraars en kijkers zal aanspreken. Er zijn genoeg onder hen die zich door die persoon vertegenwoordigd voelen en blij zijn met de bevestigende woorden. Maar beïnvloeding van het gros van de overige luisteraars en kijkers – degenen die niet al tot de eigen parochie behoren – is dan wel degelijk een kansloze onderneming. Het zich ongehoord voelen is dan een terecht verwijt.

Twitter is voor iedereen toegankelijk

Daarentegen heeft de groep van ‘ongehoorden’ op Twitter wel degelijk een voorname stem. Toegang tot Twitter is er voor iedereen. Er is geen hoofddirectie en geen hoofdredacteur die eerst toestemming tot deelnemen moet geven. Zodoende is Twitter een soort van spelbreker, vanuit de kijk van de machthebbers bij de mainstream media. Op Twitter lijkt zodoende geen sprake van niet gehoord worden. Hooguit heb je als individu nog geen groot bereik; trouwens een probleem dat door menigeen wordt aangepakt door harde, shockerende uitspraken te doen, om maar op te vallen en reacties uit te lokken. Eigenlijk geldt altijd dat de soep niet zo heet gegeten wordt als die wordt opgediend. Helaas hebben sommige meelezers – vooral tegenstanders – dat niet door en nemen zij zulke harde uitspraken veel te letterlijk. Dat letterlijk nemen doen vast ook de twitterende Bekende Nederlanders. Zulke hete soep hebben zij niet nodig, omdat ze dankzij hun bekendheid al een groot bereik hebben. Dan spreken ze schande over de “vele bedreigingen en scheldpartijen” bij de reacties. Het leidt er allemaal toe dat de invloed van de twitteraars maar niet wil doordringen in de mainstream media en de politiek. Voor zover tweets in de media worden aangehaald, is het vooral als illustratie van “schandelijke en extreme standpunten”. Terwijl de goede lezer juist heel veel goede argumentatie en feitenkennis kan halen uit de nodige tweets; er zitten heel wat intellectueel goed onderlegde en niet op hun mondje gevallen twitteraars bij. Het goed gehoord worden op Twitter beperkt zich blijkbaar, en helaas, tot gehoord worden door de lui uit de eigen zuil. Het is dus preken voor eigen parochie, al hebben de meesten dat gewoon niet door. Er wordt breed gedacht dat al dat twitteren zoden aan de dijk zet. De wens is wellicht de vader van die gedachte.

Pejoratieven

De mainstream media zijn bezaaid met opponenten uit een totaal andere zuil. Deze in de mainstream gevestigde opponenten schromen niet om uit de hen onwelgevallige meningen stukjes tekst te knippen die gemakkelijk in een negatief frame kunnen worden gebruikt. Die ‘uitspraken’ worden vervolgens gebruikt om de ander te kunnen wegzetten, met gebruikmaking van pejoratieven, waarvan racist, fascist, holocaustontkenner, alt-rechts en extreem-rechts de lijst aanvoeren. En het is precies die als zeer vals ervaren ‘duiding’ waarom de lui uit deze zuil menen niet gehoord te worden. Maar concreet is het dus eerder een geval van wèl gehoord worden, maar op een ongehoorde manier te kakken worden gezet.

Extremisten en de vrijheid van meningsuiting

De omroep Ongehoord Nederland heeft alle recht van bestaan, al zal het woord ‘ongehoord’ toch net even anders uitgelegd moeten gaan worden dan de afgelopen weken gebeurde. De omroep doet er beter aan de focus niet te gaan leggen op vrijheid van meningsuiting voor iedereen die zich niet gehoord voelt. Beter kan het gaan om dat wat de mensen in de nu aangeboorde zuil blijkt te binden. Binnen die zuil zijn twee thema’s problematisch: enerzijds is er het extremisme, anderzijds zijn er mensen die fundamenteel denken over de vrijheid van meningsuiting (VvMU). Eerst maar over de extremisten.

Er zijn maar weinig mensen die zichzelf volmondig neo-nazi noemen, of holocaustontkenner, of racist, of fascist. Degenen die dat wèl volmondig erkennen, zijn makkelijk te identificeren. Daarnaast zijn er degenen die slechts voor bepaalde aspecten van die extreme posities vallen. En dan zijn er nog degenen die ooit volmondig gingen voor een extreme positie, maar later tot een nieuw inzicht kwamen en overstapten naar een mildere positie. Deze mensen zijn minder makkelijk te identificeren. Al deze mensen kan je aantreffen in de hier besproken zuil. Dat is nou eenmaal onvermijdelijk, want op Twitter is er geen mechanisme om mensen al bij voorbaat te weren. Ook ON! kan hen niet verbieden lid te worden. Wel kan de omroep deze mensen bij voorbaat vertellen dat extremistische meningen de omroep onwelgevallig zullen zijn. Dat standpunt bij voorbaat uitdragen is wel zo verstandig, want het voorkomt dat tegenstanders nu reeds ON! zullen kunnen framen als extreemrechts. Bovendien heeft weren het voordeel dat allerlei moeilijke discussies niet hoeven te worden gevoerd, ook niet t.z.t. bij de eigen praatprogramma’s.

Het andere problematische thema vormt het heilig geloven van velen in de VvMU. Dat is problematisch omdat uitgerekend deze mensen het actief weren van extremisten in strijd achten met de door hen zo gekoesterde vrijheid van meningsuiting. Als deze mensen het hebben over niet gehoord worden, dan hebben zij het al snel over de schending van het fundamentele recht op meningsuiting. Lid worden van ON! doen ze alleen als die VvMU wordt gegarandeerd. De initiatiefnemers leken aanvankelijk dit oordeel te delen, maar er werd onvoldoende rekening gehouden met de keerzijde. Stennis rond een interview met Haye van der Heyden – aanvankelijk eveneens boegbeeld – deed Karskens en de andere initiatiefnemers beseffen dat er toch maar een grens gesteld moest worden. Geen zuil kan het zich veroorloven om een volkomen VvMU na te streven. Een zuil hoeft geen totaal vrije meningsuiting te garanderen. Een zuil moet zich ervan bewust zijn slechts een van de diverse zuilen te zijn. Voor iedere zuil – dus ook voor ON! – geldt dat het een bepaald geluid moet laten horen. Voor ON! is dat het tot nu toe in de mainstream media onvoldoende gehoorde geluid. Dus niet ‘het’ ongehoorde geluid, maar een specifiek ongehoord geluid. Nog preciezer, het gaat om een geluid dat, naar het oordeel van die leden, momenteel ongehoord of onvoldoende gehoord is. Over 10 jaar is de naam misschien achterhaald, als het geluid heersend en mainstream is geworden (doel bereikt; zou mooi zijn). Dan kan de naam gaan dienen als referentie naar wat ooit was.

Het eigenbelang van pleiten voor de vrijheid van meningsuiting

Bovenstaand wordt, kortom, bepleit waarom de VvMU vooral niet tot kernwaarde van ON! gemaakt moet worden. Er is nog een ander argument om dat niet te doen. Juist mensen die zich niet gehoord voelen, belijden de VvMU welhaast fundamentalistisch en dus tot op het bot. Dat lijkt te getuigen van zeer hoge normen en waarden, maar de echte reden is er eerder eentje van eigenbelang. Het eigenbelang is dat het je in staat stelt om hen die jou het spreken onmogelijk willen maken, te kunnen framen als tegenstanders van de VvMU. Kortom, je wilt die mensen op deze wijze dwingen om je alsnog te laten spreken. Maar wat nu als je zelf geconfronteerd wordt met iemand die een mening wil verkondigen die jij echt walgelijk vindt? Stel je bent fundamenteel pleitbezorger van de VvMU en ook fel anti-islam. Stel je wordt geconfronteerd met de vraag of een imam die meent dat de vrouw ondergeschikt is aan de man het spreken onmogelijk gemaakt moet worden. Dikke kans dat je antwoordt dat die imam dat moet kunnen menen en zeggen. Dat standpunt voorkomt bepaalde cognitieve dissonantie bij je; een afwijzing van VvMU voor die imam zou naar jouw gevoel anderen een argument geven om jouw eigen beroep op de VvMU af te wijzen. Zo van “als jij die imam het recht op spreken wilt ontzeggen, dan heb ik het recht jou het spreken te ontzeggen”. Maar er zijn nog ergere meningen op te noemen. Blijf je bij je standpunt over de VvMU, hoe erg de mening ook wordt? Zo ja, dan heb je bepaalde lessen uit het verleden niet geleerd. Het is ook al niet een typisch westerse verworvenheid om er zo fundamenteel in te gaan zitten. Velen leggen de grens bij geweld, maar op de keper beschouwd is die grens te gemakkelijk getrokken. Ten eerste is geweld maar één enkel ertoe doend criterium, ten tweede is geweld soms een te verdedigen keus.

Wanneer meningen geweerd moeten kunnen worden

Loslaten van het fundamenteel gaan voor de VvMU is niet hetzelfde als de VvMU bij het grof vuil zetten. Het is ook niet hetzelfde als VvMU met de mond belijden, maar in de praktijk alleen goedkeuren zolang het om jou welgevallige meningen gaat. Het gaat om goed nadenken over de consequenties van meningen op langere termijn en over de kans dat het kan lukken die meningen in het debat te verslaan. Sommige meningen zijn incompatibel met de kernwaarden van je zuil en zitten onwrikbaar in het hoofd van de verkondiger. Met name als ze de zuil zelf in groot gevaar kunnen brengen is het gerechtvaardigd om binnen de zuil die meningen te weren, kortom te zorgen dat ze ongehoord blijven.

Het is aan de politici, politie en rechter om ervoor te zorgen dat de VvMU conform de wet gehandhaafd blijft. De zuil mag wel degelijk de onderwerpen kiezen op basis van de kernwaarden binnen de zuil. De tolerantie zal er groot zijn, maar mag niet oneindig groot zijn. Het zijn de kernthema’s die uitgedragen moeten worden. Daaronder valt de VvMU niet, althans niet de fundamentele variant ervan.

Verzuiling

Als laatste het volgende: Het lijkt erop dat de afgelopen decennia sprake was van ontzuiling. Kranten en omroepen claimen tegenwoordig dat ze lang niet meer zo partijdig de oorspronkelijke kernwaarden uitdragen. Ze claimen meerdere kanten de ruimte te geven. De ‘ongehoorde’ mensen weten wel beter. Die ‘goede intenties’ zijn niet werkelijk waargemaakt. Hier wordt ook niet bepleit dat dit alsnog moet gaan plaatsvinden. Sterker, in de tijd dat er nog echte verzuiling was, waren mensen mogelijk minder verward dan tegenwoordig. Je las de kranten uit diverse zuilen en wist gewoon hoe die journalisten erin zaten. Elke zuil gebruikte eigen ‘frames’ en terminologie, had zijn eigen ‘helden’, wist je haarfijn te vertellen wie de vrienden en vijanden waren; elke zuil was makkelijk herkenbaar in de debatten. Je las ook je eigen krant, want de visie van die journalisten stond je aan en zij gaven de argumenten en feiten die jou hielpen in het debat. Het duiden van de media was destijds een stuk makkelijker, of in elk geval transparanter. De voorkeur van de journalist was destijds nog niet zo verhuld als tegenwoordig. Tegenwoordig claimen journalisten objectiviteit. Objectiviteit die echter bij nadere analyse vrijwel altijd een farce blijkt te zijn. Laat de tijd van de verzuiling maar terugkeren.


Dit artikel is een aangepaste versie van een eerder gepubliceerd artikel: De ledenaanwas van ON! stokt. Wat is er aan de hand?