Wie is bereid tot onderhandelen over een onsje racisme?

feyenoord wordt kampioen

Feyenoord wordt kampioen en het wordt ze gegund.

In Nederland krijgen Geert Wilders’ aanhangers geen deel van de taart en straks ook die van Marine Le Pen niet. Ondanks een ruim percentage aanhang zorgt het resterende meerderheidspercentage van de aanhang van andere partijen ervoor dat het ruime percentage toch niet leidt tot ook maar enige regeringsinvloed. Dat kan niet anders dan fout aflopen, op den duur. Zo betoogt ook Martin Sommer.

Aflossing van de wacht

In de tweede ronde van de presidentsverkiezingen gaan gezworen opponenten van Lees verder

Advertenties

Volgens Baudet zijn alle mensen fundamenteel gelijkwaardig – Ik durf dat te betwijfelen

Opheffer-23-2014_schoonheid

Uit de verkiezingscampagne van het Forum voor Democratie van Thierry Baudet c.s.:

“Alle mensen zijn fundamenteel gelijkwaardig, ongeacht geslacht, ras of seksuele gerichtheid.”

Dat lijkt me allereerst een pleonasme. Immers, als alle mensen gelijkwaardig zijn, dan doet het er ook niet meer toe daar nog een ‘ongeacht’  aan vast te plakken. Waarom wordt dat dan toch gedaan? Of zijn volgens Baudet c.s. mensen niet gelijkwaardig als het om enig ander kenmerk gaat, zoals etnische afkomst of bezit of lengte of intelligentie of aantrekkelijkheid of …, zeg het maar.

En wat te denken van ‘fundamenteel’? Wat betekent het dat mensen ‘fundamenteel gelijkwaardig’ zijn? Wat bedoelen ze hier met dat bijwoord? Is het een synoniem voor ‘bij geboorte’ of ‘uit principe’ of ‘in principe’ of ‘in wezen’ of …, zeg het maar.

Misschien hadden ze beter kunnen schrijven: “Alle mensen zijn gelijkwaardig.” Of zouden ze dat dan toch weer te kort door de bocht vinden?

Het is overigens nogal een politiek correct standpunt om alle mensen gelijkwaardig te vinden. Bijna iedereen zal instemmend knikken, maar ik weet niet of ik met dat standpunt nou zo blij ben. Het is namelijk nogal een standpunt dat goede analyses en oplossingen flink in de weg kan staan. Een analyse kan ertoe leiden dat men eigenlijk vindt dat anderen vijanden zijn die bestreden moeten worden. Maar mag je zoiets wel vinden van Baudet? Ook sluit het standpunt niet goed aan bij hoe de mens gedurende de afgelopen 20 duizend jaar, en nog eerder, heeft gedacht. Voor de natuurmens gold èn geldt nu eenmaal dat het hemd nader is dan de rok en dat sommigen aantrekkelijker worden gevonden dan anderen, al zijn er de nodige krachten geweest die ons deze natuurhouding hebben proberen af te leren, die ons hebben proberen te ‘beschaven’.

===

Het probleem van de niet bestaande fundamentele gelijkwaardigheid is een belangrijk onderwerp van het boek Sociaal Humanisme. Er is ook een brochure “Kan een samenleving zonder religie?” verkrijgbaar met de eerste vier hoofdstukken. (Victor Onrust)

Inburgeren is, als het GOED is, een ENORME opgave

huphollandhupIn De Volkskrant van deze zaterdag staat een interview met Han Entzinger over de huidige vorm van de inburgeringsverplichting die door De Algemene Rekenkamer als een mislukking wordt beschouwd. Entzinger is een van de grondleggers van het hele idee, al geldt dat niet voor de huidige vorm die in 2013 ontstond (Wet Inburgering 2013). Zijn bemoeienissen gaan terug naar de vorige eeuw. Entzinger stond toen voor ogen dat inburgering een opstapje was in de nieuwe samenleving. Nu bekritiseert hij de huidige praktijk door te stellen dat het verworden is tot een afschrikkingsmiddel. Hij lijkt het te wijten aan het feit dat de overheid een en ander ging overlaten aan private bedrijfjes,, terwijl het volgens hem typisch een taak voor de overheid is. Er zijn nu zes afzonderlijke inburgeringstoetsen: luisteren, spreken, lezen, schrijven en kennis van de maatschappij en van de arbeidsmarkt. Ook moet de inburgeraar zelf de kosten opbrengen, al is er bij slagen sprake van een tegemoetkoming en kan het geld geleend worden. Al met al blijkt de cursus voor tweederde van de migranten een te grote opgave; zij slagen niet of haken voortijdig af. Vandaar zijn conclusie dat het tot een horde is verworden, in plaats van een hulpmiddel. Ook was het nooit zijn bedoeling dat de ‘inspanningsverplichting’ zou uitmonden in harde sancties bij niet slagen. De inburgering zou in Entzingers ogen zijn verworden tot een ‘assimilatiebeleid’:

“Je moet worden zoals wij. Veel mensen hadden een gevoel van onbehagen bij de snel veranderende maatschappij. Sommige bewindslieden hebben dat toen letterlijk gezegd: je moet Nederlandse vrienden hebben, Nederlandse partners, op straat Nederlands spreken.”

Het beleid werd dat er boetes konden volgen, dat een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd zou kunnen worden geweigerd en dat er zelfs uitzetting kon volgen. Weliswaar werden deze sancties nooit echt toegepast. Dat zou ook ondemocratisch zijn geweest, volgens Entzinger:

“Je kunt nieuwkomers niet dwingen te assimileren. Tenminste, niet in een democratie. Dat lukt alleen met de knoet.”

Ook was Entzinger niet blij met de examenvragen over ‘gewenst gedrag’ in sociale situaties. Het zijn volgens hem vragen waarop geen feitelijk juist antwoord bestaat.

“In vergelijking met andere landen heeft de Nederlandse inburgering dat sterk, vragen over gedragsregels en allerlei normatieve dingen. Terwijl de antwoorden nogal afhangen van de sociale kring waarin je verkeert. Je ziet dat die vragen bedacht zijn door mensen met een middle class-perspectief, met een zeker nostalgisch verlangen naar een onbenoemd verleden. Het is raar dat het recht om hier te mogen blijven daarvan afhangt. Temeer omdat het merendeel van de inburgeraars veel meer met andere migranten in aanraking komt dan met autochtone Nederlanders voor wie dit de normen zijn.”

Entzinger wil weer terug naar de beperkte opzet zoals hij die ooit bepleitte. En de overheid zou weer de regie in handen moeten nemen. En we moeten ervoor zorgen dat migranten zich volwaardig gaan voelen.

“Veel mensen met een migratieachtergrond hebben het idee dat zij niet voor volwaardig worden aangezien, ik hoor dat ook van studenten hier aan de universiteit. In feite gewoon Rotterdamse jongens en meisjes die ontzettend hun best doen, maar die toch het gevoel hebben dat ze niet zo meetellen als autochtone jongeren. Dat leidt tot frustratie, sommigen wenden zich af van de Nederlandse maatschappij. Dat is het sentiment waar Denk nu op drijft.”

Tot zover wat emeritus hoogleraar en voormalig lid van de WRR Han Entzinger ervan vindt. Nu wat ik ervan vind.

Je kunt nieuwkomers niet dwingen te assimileren. Tenminste, niet in een democratie. Dat lukt alleen met de knoet”, zo stelt Entzinger. Ik vind dat te kort door de bocht. Mogelijk heeft hij gelijk gezien de hedendaagse verhoudingen in het parlement, maar wat nu als de parlementaire verhoudingen veranderen en er democratisch wordt besloten dat er wel degelijk geassimileerd moet worden?!

Ook kan je je afvragen waar integreren eindigt en assimileren begint. Het lijken me punten op een ‘schaal van aanpassing’, meer niet. Aan het ene uiterste is iemand volledig onaangepast en aan het andere uiterste volledig aangepast. De inburgeraar zal ergens daartussenin eindigen, maar het gaat uiteindelijk om de onderwerpen. De huidskleur is geen onderwerp, alleen al omdat deze niet te veranderen is, en dat zal ook niemand verwachten. Koffiedrinken zou een onderwerp kunnen zijn, maar mocht dat het enige onderwerp zijn (naar het idee van de autochtonen), dan lijkt assimileren mij een kwestie van goed koffiedrinken oefenen, meer niet, en je bent er. Uiteraard gaat het niet alleen om koffiedrinken. Sterker, het gaat de autochtonen niet echt om koffiedrinken, al kan het helpen bij socializen. Het echte rijtje onderwerpen dat ertoe doet omvat taal en een beetje kennis van de wet en geschiedenis, maar vooral respect voor, en naleving van, de Nederlandse normen, waarden, gewoonten en tradities. Niet onbelangrijk punt is dat de autochtonen zich pas de laatste tijd goed bewust geworden zijn van die normen, waarden, gewoonten en tradities, daartoe gedwongen door de geregeld opgeworpen vraag wat die dan wel zijn en doordat anderen meenden ons te kunnen vertellen dat er geen echte Nederlandse identiteit is, denk aan Maxima. We kunnen het de immigranten niet kwalijk nemen dat we die lijst met onderwerpen niet goed op een rijtje hadden. Dat zullen we nu beter moeten gaan doen. Maar zijn we het wel voldoende eens over dat rijtje, over die criteria?

Entzinger stelt dat er geen objectieve criteria bestaan voor “gewenst gedrag”. In academische zin en gezien vanuit een kosmopolitisch perspectief heeft hij wellicht gelijk. Over bijna alle gedrag wordt wel ergens ter wereld net even anders gedacht en ook binnen Nederland bestaat over veel gedrag verschil van mening. Toch neemt dat niet weg dat er wel degelijk criteria gesteld kùnnen worden, zelfs over gedrag waar lang niet alle Nederlanders het over eens zijn. Entzinger stoort zich vooral aan het middle-class perspectief dat uit de examenvragen bleek. Ik ken die vragen niet, maar wil hier toch pleiten voor het toepassen van een perspectief. Het gaat dan om het uitdragen van een stelsel van normen, waarden, gewoonten en tradities waarmee de inburgeraar een goede start in onze samenleving kan maken. Dus al komt het vaak genoeg voor dat een paar Hollandse jongens hebben besloten elke donderdagavond met elkaar te gaan darten zonder de meiden erbij, migrantenjongens moet toch worden uitgelegd dat het abnormaal is dat in een café vrouwen worden geweerd. En al kan het best zo zijn dat de hulpbehoevende meneer Van Dongelen het op zijn 43e onprettig vindt te worden gewassen door een willekeurige vrouw en dat hij daarin tegemoet wordt getreden, evengoed zal een migrant met drie kleine kinderen die geen vrouw meer heeft en huishoudhulp aangeboden krijgt, moeten accepteren dat het een vrouwelijke hulp wordt, ook al staat zijn geloof dat naar zijn zeggen niet toe.

Entzinger vindt ook het verplichte karakter maar niks. Ik vind daarentegen dat elke inburgeraar persoonlijk begeleid moet worden en dat de begeleider gedrag zelfs kan opdragen. Ook is het zaak dat begeleiders niet al te gemakkelijk omgaan met de lijst van normen, waarden, gewoonten en tradities. Immers, elke afwijking die de begeleider de inburgeraar gunt, zal tot integratieproblemen kunnen gaan leiden. Wat dat betreft is een zesje of zeventje onvoldoende. Er zal echt volledig moeten worden meegewerkt en geaccepteerd. De inburgeraar zal zich volledig gewonnen moeten geven. En ja, dat betekent een echt enorme opgave. Het zal iedereen duidelijk zijn dat het ontzettend moeilijk is om uit de eigen cultuur over te stappen op een andere cultuur, zeker als die conflicterend is. Dat kan eigenlijk alleen maar met persoonlijke begeleiding en ongelooflijk veel bereidheid. Teveel gevraagd? Ik vind van niet.

Ruben Mersch heeft bijna altijd gelijk

Ruben Mersch - Waarom iedereen altijd gelijk heeftDe Vlaming Ruben Mersch schreef het boek ‘Waarom iedereen altijd gelijk heeft’. Die titel beviel mij wel en deze week heb ik het helemaal uitgelezen; vandaar dat ik wat minder blogde (hoewel ik dan weer wel in de brievenrubriek van De Volkskrant verscheen). Mersch heeft echt zijn best gedaan zichzelf èn de lezer goed zicht te geven op wat er zoal gebeurt wanneer mensen elkaar proberen te overtuigen. Daarbij gaat het dan niet alleen over een ander wel of niet van een feit weten te overtuigen, maar ook – of vooral – over moreel overtuigen. Dus over de vraag of we de ander kunnen overtuigen van de juistheid van ons morele standpunt en de onjuistheid van een conflicterend moreel standpunt. Uitgangspunt is zijn waarneming dat standpunten van opponenten na een debat veelal eerder blijken te zijn verhard dan dat er toenadering plaatsvond. Mersch gaat voor de verklaring vooral langs bij psychologen, biologen en neurowetenschappers.

Bij die laatste vindt hij aanwijzingen – of zeg maar: met fMRI-scans geleverde bewijzen – dat er een centrum in de hersenen is dat van cruciale invloed is: de ventro-mediale prefrontale cortex, ook wel afgekort tot VMPFC. Dit centraal gelegen gebied is evolutionair heel veel ouder dan de gebieden die we associëren met rationeel denken, maar spelen een grotere rol bij het bepalen van onze standpunten dan onze ‘ratio’. Mersch populariseert misschien net even teveel door aan dat gebied te refereren als ‘de onderbuik’ (immers, waarom zou je nog refereren aan iets in de buik als je de echte locatie al gevonden hebt). Ik begrijp het echter wel; het is het gebied dat verantwoordelijk lijkt voor onze uitspraken die anderen nogal eens benoemen als onderbuikgezwets. Toch, ook al heeft hij het over onze onderbuik, hij bedoelt er niet mee dat we de oordelen van dit gebied moeten onderdrukken met onze ratio. Mersch wil dat we ons eerst en vooral gaan realiseren dat het gebied bestaat en waarom het tot op de dag van vandaag  zo’n cruciale rol vervult in ons oordelen.

Ik zou zeggen, lees het boek en je zal het je voortaan realiseren. Als het goed is zal je die VMPFC en zijn morele oordeelsvermogen gaan appreciëren. Daarmee bedoel ik niet te zeggen dat we onze rationaliteit moeten laten varen en nog slechts op onze onderbuik moeten afgaan. Wel bedoel ik ermee dat we de ratio niet de alleenmacht over ons oordeel moeten geven. Een van de belangrijkste drijfveren van de VMPFC blijkt het creëren van een moraal die de eigen ‘stam’ voortrekt en zo haar kans op overleven vergroot. Het idee dat de wereld van iedereen is, dat iedereen gelijk is en dat we allemaal dezelfde rechten hebben, is in essentie slechts een rationeel idee. Wie dat volledig rationele idee radicaal toepast gaat compleet voorbij aan de drijfveren van de eigen VMPFC, die er immers op uit is de eigen soort voor te trekken. Wat we meer dan geregeld zien is dat er een diepe kloof is tussen hen die de VMPFC laten prevaleren en hen die de ratio laten overheersen. Om diverse redenen, die Mersch haarfijn uitlegt, zijn beide kampen ook niet echt in staat zich te verplaatsen in de gedachtengang van het andere kamp. Veel van die redenen hebben alles te maken met die VMPFC waarvan we de rol en eigenlijke bedoeling slechts op onbewust of hooguit onderbewust niveau beleven. Zo ligt het ten grondslag aan ons blijkbare conformeren (toegeven aan sociale druk uit de omgeving) ook als die irrationeel lijkt, aan de niet meer uit te wissen inprenting van goed en kwaad, juist en onjuist, normaal en abnormaal in onze vroegste jeugd, aan onze emoties bij vermeende onrechtvaardigheid, aan onze wraakgevoelens en ons gevoel van mededogen. Empathie speelt daarbij uiteraard een centrale rol, maar dan vooraleerst empathie voor de eigen stam. Het lijkt ook welhaast zeker dat zelfs ons DNA reeds een blauwdruk bevat van goed en kwaad, juist en fout en doen en laten. Andere redenen hebben te maken met de vele valkuilen waar we intuinen bij het rationeel redeneren. Dat blijkt namelijk verre van gemakkelijk te zijn. Ook in de wetenschap lukt het slechts zelden om iedere deskundige tot identieke gedachten te brengen.

Al lezende zag het er heel lang naar uit dat de conclusie van Mersch zou worden dat zekere diepe kloven tussen opponenten niet te dichten zijn. Pas aan het eind van het boek nam het een wending die erop neerkomt dat het, volgens Mersch, met de juiste debattechnieken toch mogelijk is om ook de moeilijke opponenten iets jouw richting op te krijgen of zelf iets de richting van die opponenten op te schuiven. Bayesiaans redeneren moet daarbij behulpzaam zijn. Dat is niet iets wat je nog moet leren, want je doet het al. Wel zou je het beter moeten onderkennen en appreciëren.

Heb ik geen kritiek op het boek? Mersch heeft goed zijn best gedaan om met echte en actuele praktijkvoorbeelden de kloof tussen groepen te illustreren en gaf er daarbij blijk van de argumenten aan beide zijden te doorgronden. Soms kiest hij partij, maar altijd doet hij dat openlijk en vooral om te laten zien dat ook hij niet ontsnapt aan de invloed van zijn VMPFC, zijn ratio, zijn jeugdinvloeden en de sociale druk uit zijn omgeving. Ik neem het hem niet kwalijk, ook niet als hij op aangesneden onderwerpen mijn opponent werd. En ja, er waren diverse momenten in zijn boek dat ik andere conclusies trok dan hij deed, bijvoorbeeld als hij een onderzoeksresultaat zus interpreteerde en ik een niet door hem geziene interpretatie zag. Maar er waren vele andere momenten dat hij conclusies trok die ik knap gevonden vond. Tenslotte, ik had dit boek niet kunnen schrijven; hij wel: chapeau.

Dan toch één kritiek, maar dan vooral om te prikkelen. Op een van de allerlaatste bladzijden haalt Mersch Thomas Jefferson erbij.

“Ondanks het feit dat Thomas Jefferson in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring schreef dat alle mensen gelijk geschapen zijn, vond hij het niet nodig om zijn eigen slaven – hij had er een stuk of zestig – te bevrijden. Mensen hebben nu eenmaal een enorm talent voor zelfrechtvaardiging.”

Voor Mersch lijkt het duidelijk dat Jefferson inconsequent handelde; zijn moraal vertaalde hij niet in erbij passend gedrag. Maar zou het kunnen zijn dat hij Jefferson’s woorden anders heeft uitgelegd dan Jefferson ze feitelijk bedoelde? Misschien bedoelde Jefferson niet zozeer ieder mens op aarde, maar had hij het alleen over de mensen in de eigen ‘stam’. En dan was zijn handelen naar huidige maatstaven wel moreel onjuist, maar niet in tegenspraak met zijn destijdse eigen moraal.

Wie werkt voor twee, maakt een ander werkloos

WasvrouwDe voortschrijdende automatisering van arbeid is de vervulling van een droom van de mensheid.

Zo, die zin staat.

Maar waarom beangstigt het velen van ons dan toch zo? Simpel, omdat we er niet gelijkelijk van profiteren. En dat is echt een eufemisme, want u zou kunnen denken dat ik hier bedoel dat sommigen er meer van profiteren dan anderen, maar dat we er evengoed wel allemaal minstens iets van profiteren. De waarheid is echter dat er maar weinigen zijn die ervan profiteren en zeer velen die van de regen in de drup zijn beland of zullen gaan belanden. Immers, had je tot nu toe vervelend werk met in elk geval een redelijk arbeidsinkomen en ook een gevoel van eigenwaarde, straks heb je géén werk en dus géén arbeidsinkomen, maar wèl een bijstandsinkomentje en wèl een minderwaardigheidscomplex.

Het is allemaal het gevolg van de arbeidsmoraal die zich in de loop van de vorige eeuwen ontwikkelde. Er was door de industrialisatie opeens behoefte aan veel personeel, dus er moest gesleuteld worden aan een moraal die mensen daartoe motiveert. Daarin is men dusdanig goed geslaagd dat tegenwoordig mensen zich (althans in het begin) superschuldig voelen als ze langdurig werkloos blijven; de langdurig werkloze zoekt zeker aanvankelijk vrijwel altijd de schuld bij zichzelf. Precies die attitude bleek goud voor de ondernemers die personeel zochten.

Maar nu is het allemaal anders, want die ondernemers voelen zich zogenaamd verplicht om allerhande processen te automatiseren. Doen ze dat niet, dan doet de concurrentie het wel en zijn ze binnen een jaar failliet, zo zeggen ze. Dezelfde redenering hanteerden ze al bij het verplaatsen van simpele arbeid naar lagelonenlanden, en met succes, want we brachten er weinig tot niets tegenin. Zal het ze nu weer gaan lukken?

Waarom lukte het de afgelopen decennia inzake de verplaatsing naar lagelonenlanden en ook de reeds geautomatiseerde taken wel? Waarschijnlijk is de hoofdoorzaak dat er nog voldoende lucht in de arbeidssfeer (vergelijk: atmosfeer) was. Tot nu toe wisten we nog wel het nodige werk binnen de landsgrenzen te houden en ook was het automatiseren van moeilijker taken nog geen eitje. Maar wat nu als alle lucht eruit is en zelfs de moeilijker taken voor computers geen probleem meer zijn?

Het perspectief is een land vol nutteloze werklozen en een handvol stinkendrijke eigenaren van productie- en dienstenbedrijven die kunnen volstaan met een paar lieden die niet veel anders doen dan op wat aan-uit knoppen drukken. De droom van de mensheid blijkt in rook op te gaan.

Er moet echt een andere arbeidsmoraal worden bedacht en ook het belastingstelsel behoeft een enorme aanpassing. Wat dat betreft hoeft in elk geval de komende generatie politici zich niet arbeidsloos te wanen; er is werk aan de winkel. Hier volgt een voorzet.

Er zijn er die menen dat we handen- en hoofdarbeid met belastingmaatregelen moeten gaan belonen (minder belasting betalen) en automatisering juist moeten gaan bestraffen (meer betalen). Maar dat is eigenlijk een absurd voorstel. Immers, het zal een hindernis inhouden voor alle pogingen om verder te automatiseren. Het is alsof je tegen mensen zegt dat ze voortaan de was maar weer met de hand en het wasbord moeten gaan doen. Nee, we moeten niet het automatiseren gaan bestraffen. Sterker, we moeten het gaan belonen. De moraal moet worden dat bedrijven goed bezig zijn naarmate ze erin slagen meer en meer zònder mensen te doen.

In de ideale maatschappij zijn er nog maar nauwelijks mensen nodig voor de arbeid, maar is evengoed de productie van een dusdanig kwalitatief hoog niveau dat er gesproken mag worden van welvaart. Het komt er vervolgens op aan dat die welvaart rechtvaardig verdeeld wordt over de bevolking. Tot nu toe verdelen we op basis van arbeidsparticipatie, eigendomsrechten en ondernemersrisico. In de toekomst moeten we verdelen op basis van andere principes. Ondernemersrisico en eigendomsrecht zullen wellicht blijvertjes zijn, al moet daarbij wel worden aangetekend dat eruit voortvloeiende winst niet langer de spuigaten mag uitlopen. Niemand is van zo’n speciale klasse dat het een miljardenbezit rechtvaardigt. Hooguit kunnen zulke bedragen worden gerechtvaardigd als het om een onderneming gaat die slechts kan bestaan dankzij het achter de hand hebben van miljarden, waarbij bovendien geldt dat opsplitsing in meerdere kleinere ondernemingen geen optie is. Resteert de arbeidsparticipatie.

Wat we kunnen doen: Er zal nog heel lang een zekere behoefte aan mensenarbeid zijn, al neemt die elk jaar een beetje af. We moeten gewoon uitrekenen wat de totale behoefte aan arbeidskracht van het moment is en dat omrekenen naar een ‘plicht tot arbeid’ van een burger. (Welbeschouwd kan je ook spreken van een ‘recht op arbeid’.) Stel dat er op dat moment behoefte is aan gemiddeld 15 uur p/w arbeid per – voor arbeid in aanmerking komend – burger, dan verstrekken we ‘plicht tot arbeid’ voor 15 uur p/w. Iedereen kan ervoor kiezen die uren te gelde te maken op een speciale beurs. Binnen de beurs zijn er aparte secties op basis van professie en opleiding. Degenen die hebben doorgeleerd voor chirurg handelen in een andere sectie dan degenen die zich gespecialiseerd hebben tot vrachtwagenchauffeur. De tarieven van de uren verschillen eveneens. Wie zijn uren te gelde maakt, raakt ze kwijt aan een ander die deze uren nodig heeft om een bepaalde gewilde baan te mogen bezetten. Dus de chirurg die 25 uur wil werken zal 10 uren moeten zien bij te kopen. Het verkopen van uren kan overigens steeds alleen voor een beperkte periode gedaan worden. Er moet dus geregeld opnieuw gehandeld worden.

In dit model is de zelfstandige de zwakke schakel. Deze zou namelijk de boel kunnen bedonderen door te zeggen dat hij maar 15 uren werkt, terwijl hij in de praktijk rustig 60 uren draait zonder die 45 ‘overuren’ te verantwoorden op urenstaten. Mogelijk zullen we een opt-out systeem moeten hanteren; een systeem waarbij individuen ervoor kiezen uit het bovengeschetste model te stappen. Toch zal zo’n opt-out systeem zodanig moeten worden ingepast dat het nieuwe arbeids-ethos niet verstoord wordt.

Ziehier een nieuw spreekwoord dat het nieuwe arbeids-ethos weergeeft:

Wie werkt voor twee, maakt een ander werkloos.

Was het tot nu toe steeds zo dat arbeid zorgde voor inflatie, automatisering zou moeten zorgen voor (langzame) deflatie. Immers, de bedrijven hebben niet langer te maken met loon voor vele werknemers, daardoor zijn hun kosten gedaald en moeten de prijzen dus ook dalen. Let op, ik schreef: moeten de prijzen dalen. Ik schreef dus niet: kunnen de prijzen dalen. Bedrijven die na automatisering de prijzen niet verlagen, moeten door de overheid via het belastingstelsel aangepakt kunnen worden. Kortom, elke automatisering (dus èlke) moet verplicht tot verlaging van de prijs leiden. Waar het om gaat is dat we moeten voorkomen dat eigenaren teveel garen spinnen bij automatisering. Immers, we moeten er met zijn allen garen bij spinnen.

Nu zou je hiertegenin kunnen brengen dat ondernemers door zo’n gebod niet bepaald gestimuleerd worden om het automatiseren voort te zetten. Da’s waar, dus moet er een tweede gebod bij komen: Bedrijven die laks zijn in het automatiseren moeten eveneens via het belastingstelsel kunnen worden aangepakt.

Wie gaat bepalen of er sprake is van laksheid? Dat zien we dan wel weer. Wellicht een geautomatiseerd programma dat ik zelf nog even moet schrijven tijdens mijn pensioen.